Camerata Crowdfund

Historische rampliederen op cd: steun de crowdfundingsactie

Hoe klonk het Watersnood-Wilhelmus van 1881? Hoe het treurlied over de watersnoodramp van 1825? In haar historisch onderzoek naar de verwerking van rampen in Nederland stuitte hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen) op liederen over branden, overstromingen, droogte en insectenplagen. In samenwerking met het Utrechtse muziekgezelschap Camerata Trajectina werkt ze nu aan een cd waarmee deze traditie van het Nederlandstalige ramplied tot leven wordt gewekt. Om de rampliederen voor iedereen beschikbaar te maken, is samen met het Radboud Fonds een crowdfundcampagne gestart.

Help mee de liederen tot leven te wekken

Om dit project te realiseren is € 10.000 nodig. Wil je helpen? Doneer dan via de site van het Radboud Fonds. Ieder bedrag is welkom. Samen kunnen we de traditie van het Nederlandstalige ramplied tot leven wekken. Op de crowdfundpagina lees je ook meer over de geschiedenis van het ramplied in Nederland, over watersnoodliederen in het bijzonder, liedteksten en achtergrondliteratuur. Doneren kan hier: https://www.ru.nl/nieuws-agenda/nieuws/vm/rich/2020/help-mee-historische-rampliederen-hoorbaar-maken/

Binnenkort verschijnt ook het themanummer Crisis en catastrofe. De omgang met rampen in Nederland in de lange negentiende eeuw (De Moderne Tijd 2020, nr. 3-4). Met bijdragen van Hans Beelen, Erica Boersma, Rond Brand, Judith Bosnak, Jan Wim Buisman, Rick Honings, Fons Meijer, Lotte Jensen, Marita Mathijsen, Arti Ponsen, Ruben Ros, Alicia Schrikker en Sander Tetteroo.

Pieter Gerardus van Os, De buskruitramp te Leiden, 12 januari 1807, ca. 1807. Rijksmuseum, RP-T-00-2059.

20/12 Congres DMT: Rampzalig Nederland

Rampzalig Nederland. De omgang met rampen in Nederland en Vlaanderen, 1780-1940

Vrijdag 20 december 2019
Universiteitsbibliotheek (Singel 425), Doelenzaal, Amsterdam

In de periode 1780-1940 deden zich in Nederland en Vlaanderen tal van rampen voor die een ontwrichtende invloed hadden op de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de Leidse buskruitramp van 1807 en de grootschalige rivieroverstromingen van 1809, 1820, 1855 en 1861. Ook in de koloniën waren rampen als vulkaanuitbarstingen en watersnoden terugkerende fenomenen. Door de opwarming van de aarde en de toenemende dreiging van klimaatrampen heeft het historisch onderzoek naar rampen en rampverwerking een hoge vlucht genomen. Het besef is doorgedrongen dat rampen een grote en vaak blijvende invloed hebben gehad op de ontwikkeling van lokale en nationale gemeenschappen.

De interdisciplinaire werkgroep De Moderne Tijd (voorheen De Negentiende Eeuw) organiseert op vrijdag 20 december 2019 het jaarcongres ‘Rampzalig Nederland. De omgang met rampen in Nederland en Vlaanderen, 1780-1940’. Een diverse groep sprekers zal haar licht laten schijnen over verschillende aspecten van de omgang met rampen in de moderne tijd. Hoe werden rampen gerepresenteerd in culturele media, zoals literatuur, gedenkboeken, kranten, schilderijen, prenten en kaarten? Hoe kwamen solidariteit en liefdadigheid tot uiting? Wanneer was er bij een rampspoedige gebeurtenis sprake van een ‘nationale ramp’? Welke invloed was er op geloof in God en goddelijke voorzienigheid?

Aanmelden

Aanmelden kan tot 10 december 2019 bij Marjet Brolsma (M.Brolsma@uva.nl). Kosten: €25,-, inclusief lunch, ter plekke te voldoen. Voor studenten en promovendi is er een gereduceerd tarief van €15,-.

Programma

09:30-10:00 Inloop met koffie en thee
10:00-10:15 Inleiding door dagvoorzitter Lotte Jensen (RU)
10:15-11:30 Sessie I: Hulpverlening en gemeenschapsvorming

Erica Boersma (UL)
‘Solidariteit met verre vreemden: hulpverlening bij stads- en dorpsrampen in de achttiende-eeuwse Republiek’

Alicia Schrikker (UL) en Sander Tetteroo (UL en Universitas Gadjah Mada, Yogyakarta)
‘De politiek culturele beleving van natuurrampen in koloniaal Indonesië, ca. 1840-1940’

Ruben Ros (UU)
‘Van naderend onheil naar actuele crisis: een digitale begripsgeschiedenis van de nationale ramp (1750-1850)’

11:30-12:00 Intermezzo: Objecten van herinnering

Arti Ponsen
‘Relieken van de Leidse Buskruitramp (1807)’

Bram Vannieuwenhuyze (UvA)
‘Traumakaarten en/of getraumatiseerde cartografen?’

12:00-13:00 Lunchpauze
13:00-14:15 Sessie II: Beeldvorming

Marita Mathijsen (UvA)
‘Ten voordeele van…’. Liefdadigheidsuitgaven in de negentiende eeuw.

Fons Meijer (RU)
‘Vorst in het vizier. Beeldvorming rond Oranjemonarchen na rampen, 1815-1948’

Ron Brand (Maritiem Museum Rotterdam)
‘Empathie of sensatiezucht? De scheepsramp van de ‘Berlin’ in 1907 en de nasleep ervan’

14:15-14:30 Muzikaal intermezzo
Lotte Jensen (RU)
Het Watersnood-Wilhelmus
14:30-15:00 Pauze
15:00-16:00 Sessie III: Grensoverschrijdende rampen

Rick Honings (UL) en Judith Bosnak (Goethe Universiteit, Frankfurt)
‘De uitbarsting van de Krakatau (1883). De letterkundige verwerking in Nederland en Indonesië’

Antoon Kuijpers (Geological Survey of Denmark and Greenland, Kopenhagen) en Hans Beelen (Carl von Ossietzky Universität, Oldenburg)
‘Door het ijs bezet. Onfortuinlijke reizen ter walvisvaart in de achttiende en negentiende eeuw: oorzaken en literaire verwerking’

16:00-16:30 Slotlezing

Jan Wim Buisman (UL)
‘Onweer. Van straf Gods tot verheven schouwspel’

16:30-17:00 Slotdiscussie
17:00-18:00 Borrel

Boekrecensie: Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen

Boekrecensie: Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen
Pieter Gerardus van Os, De buskruitramp te Leiden, 12 januari 1807, ca. 1807. Rijksmuseum, RP-T-00-2059.

CfP Jaarcongres: Rampen (GEWIJZIGDE DATUM: 20/12)

Call for papers

Rampzalig Nederland

De omgang met rampen in Nederland en Vlaanderen, 1780-1940

Congres Werkgroep ‘De Moderne Tijd’
NB: datum gewijzigd: vrijdag 20 december 2019

Door de opwarming van de aarde en de toenemende dreiging van klimaatrampen heeft het historisch onderzoek naar rampen en rampverwerking een hoge vlucht genomen. Het besef is doorgedrongen dat overstromingen, aardbevingen, hittegolven, droogtes, en de gevolgen daarvan (hongersnoden, epidemieën, insectenplagen etc.) een grote en vaak blijvende invloed hebben gehad op de ontwikkeling van lokale en nationale gemeenschappen.

In dit congres onderzoeken we de maatschappelijke betekenis van rampen voor Nederland en Vlaanderen in de periode 1780-1940. In deze periode hebben zich tal van ontwrichtende rampen voor de samenleving voorgedaan. Denk bijvoorbeeld aan de grote overstromingen van 1825 en 1861, de cholera-epidemie in de jaren 1830 of de grote stadsbrand van Enschede in 1862. Onder rampen verstaan wij in principe natuurrampen en geen opzettelijke fenomenen als oorlogshandelingen en aanslagen. In de praktijk is de scheidslijn tussen door de natuur of mens veroorzaakte rampen overigens niet altijd eenvoudig te trekken: zo kan een overstroming het gevolg zijn van slecht onderhoud van de dijken of een brand ontstaan door een menselijke fout. Denk bijvoorbeeld ook aan de verwoestende buskruitramp in Leiden van 1807 of de Zuiderzeevloed van 1916.

Op dit congres willen we de aandacht vestigen op de betekenis van rampspoed vanuit een multidisciplinair perspectief: welke gevolgen hadden rampen in culturele, politieke, sociale en religieuze zin? Ging men twijfelen aan Gods voorzienigheid, zoals sommigen deden na de grote aardbeving van Lissabon (1755) of nam de religieuze saamhorigheid alleen maar verder toe? Hoe werden rampen gerepresenteerd in culturele media, zoals de literatuur, gedenkboeken, kranten, tijdschriften, schilderijen en prenten? Welke rol spelen rampen bij (collectieve) identiteitsvorming op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau? Hoe verwerkten individuen emoties en hoe werd de verwerking van emoties gereguleerd in de media? Welke impact hadden de rampen op wetenschappelijke ontwikkelingen? Hoe werd de herinnering aan rampen vormgegeven en welke functies hadden deze herinneringen? Welke veranderingen traden er in de loop van de tijd op in de maatschappelijke omgang rampen? Waren (en zijn) er lessen te trekken uit het verleden?

Mogelijke deelthema’s

  • De verbeelding van rampen (literatuur, muziek, schilderkunst)
  • De persoonlijke beleving (rampen in egodocumenten)
  • Rampen en liefdadigheid
  • De invloed van het Verlichtingsdenken en de Romantiek op de verwerking van rampen
  • De buitenlandse reactie op rampen in de Lage Landen en de reactie in de Lage Landen op rampen in het buitenland
  • Beeldvorming over rampen bij verschillende sociale groepen
  • Rampen en (lokale, nationale en transnationale) identiteitsvorming
  • De gevolgen van rampen voor de leefomgeving (economisch, sociaal)
  • Rampen en religie
  • Rampen en politiek
  • Rampen en emotie
  • De perceptie van risico
  • Rampen als impuls voor wetenschappelijke ontwikkelingen
  • Beleid, bestuur en recht rondom rampen

Papervoorstellen over deze en andere binnen het congresthema passende onderwerpen zijn welkom. Belangstellenden roepen we op een voorstel van max. 300 woorden en een (beknopte) biografische beschrijving van uzelf in te dienen voor 1 juni 2019. Zo snel mogelijk daarna wordt uitsluitsel gegeven over de selectie. Abstracts kunnen worden gezonden aan Lotte Jensen (l.jensen@let.ru.nl), die ook informatie kan geven over het congres.