Mondkapje

Jaarcongres gaat door, met maatregelen

Een mededeling over het Jaarcongres op 3 december van Marjet Brolsma, namens de Werkgroep De Moderne Tijd

We zijn verheugd u te melden dat, ook met de nieuwe coronamaatregelen, ons congres over ‘Veerkracht! Wegen uit de crisis, 1780-1940’ van vrijdag 3 december door kan gaan op locatie en zoals gepland kan plaatsvinden in de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek van de UvA. Wel zijn we vanwege de nieuwe coronamaatregelen genoodzaakt om een aantal aanpassingen te maken. Zo zullen we u vragen uw coronatoegangsbewijs te tonen bij binnenkomst en is het verplicht om een mondkapje te dragen wanneer u door UvA gebouwen loopt. Pas wanneer u zit, mag het kapje af. Tot onze spijt is het volgens de huidige coronaregels helaas niet mogelijk om u een lunch, koffie/thee en borrel aan te bieden. Daarom willen we u vragen om zelf zorg te dragen voor uw lunch en dit elders te nuttigen. Omdat we geen catering mogen aanbieden, schrappen we ook de kosten voor deelname; deelname aan het congres is m.a.w. gratis. We hopen er – het thema van ons congres indachtig – een mooie, interessante dag van te maken op 3 december!

Hartelijke groet en tot dan,

Marjet Brolsma

Camerata Crowdfund

10/12 Symposium Bilderdijk

Symposium

Rampen in de tijd van Bilderdijk

Vrijdag 10 december 2021, 15.30-17.15 uur
Universiteitsbibliotheek Leiden, Witte Singel 27, Vossiuszaal

De Werkgroep Bilderdijk van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden nodigt u van harte uit voor het bijwonen van een middag met lezingen over Rampen in de tijd van Bilderdijk. Bij deze gelegenheid wordt ook het aan dit thema gewijde nieuwe Jaarboek Bilderdijk ten doop gehouden. De toegang is gratis, voor meer informatie: r.a.m.honings@hum.leidenuniv.nl.

Programma

15.30-15.35 Opening door Rick Honings
15.35-15.40 Introductie op het thema door Lotte Jensen
15.40-16.05 Robert Verhoogt, ‘Bilderdijk, de Zondvloed en de geologie. Over natuurrampen als inspiratie voor onderzoek naar de aarde in de negentiende eeuw’
16.05-16.30 Arti Ponsen, ‘“Gebiedt ge uw’ Englen niet, in dees afgrijsbren nood?” Hoe de buskruitramp de beeldvorming over koning Lodewijk Napoleon bepaalde’
16.30-16.40 Muzikaal intermezzo
16.40-17.05 Marieke van Delft, ‘Poëzie en rumoer vanwege een overstroming in 1825’
17.05-17.15 Aanbieding Jaarboek Bilderdijk aan Onno Blom + afsluiting
Vanaf 17.30 Bezichtiging Bilderdijk-kamer in het Leidse Academiegebouw
Anton Muttenthaler, Hans Welgemoed vindt het geluk, ca. 143-1920. Rijksmuseum Amsterdam

3/12 Jaarcongres: Veerkracht!

Veerkracht! Wegen uit de crisis, 1780-1940

Congres Werkgroep De Moderne Tijd

Vrijdag 3 december 2021
Universiteitsbibliotheek (Singel 425), Doelenzaal, Amsterdam

Update 22 november 2021: het congres gaat door, met maatregelen; zie hier voor meer details.

De coronapandemie heeft ons lange tijd in de greep gehouden, maar langzaam lijkt er zicht op verbetering en misschien zelfs een einde van de crisis te komen. De crisis heeft een groot beroep gedaan op mentale en fysieke veerkracht. Veerkracht omvat het vermogen om terug te buigen, te weerstaan en te herstellen en kan zowel op het individuele als collectieve niveau betrekking hebben: niet alleen een persoon, maar ook een samenleving kan veerkrachtig zijn.

Veerkracht is al decennialang een sleutelbegrip binnen academische kringen (‘resilience’), en wordt vanuit meerdere disciplines bestudeerd: de economie, de culturele studies, de sociale wetenschappen, de politicologie enzovoort. Vanuit historisch perspectief worden zelfs modellen geschetst om de ‘veerkracht’ van toekomstige samenlevingen te kunnen voorspellen.

Op dit congres onderzoeken we hoe veerkracht tot uiting kwam in Nederland en Vlaanderen in de periode 1780-1940 vanuit een multidisciplinair perspectief.

Welk herstellend vermogen lieten godsdienstige, politieke en culturele gemeenschappen zien na ontwrichtende gebeurtenissen? Hoe manoeuvreerden politici en hun instituties zich uit een crisis? En hoe toonden individuele burgers veerkracht? Hoe gaven dichters, musici en schilders uiting aan mentale weerbaarheid? Waar putten ze hoop en inspiratie uit en hoe visualiseerden zij de nieuwe toekomst, na de crisis?

Op dit congres vestigen we ook de aandacht op de complexiteit van een begrip als veerkracht. Hoe verhoudt het begrip veerkracht zich tot politieke, sociaaleconomische en culturele verandering en wat is de relatie tussen kwetsbaarheid en veerkracht? Op het eerste gezicht zijn beide begrippen immers twee kanten van dezelfde medaille. Zonder neergang of tegenslag is veerkracht nauwelijks denkbaar.

Aanmelden kan tot 26 november 2021 bij Marjet Brolsma (M.Brolsma@uva.nl). De toegang is gratis, i.v.m. de coronamaatregelen.

Programma

9:30-10:00
Inloop
10:00-10:15
Inleiding voorzitter

Lotte Jensen (RU)
10:15-11:00
Openingslezing
‘Veerkracht. Wegen uit de crisis’
Beatrice de Graaf (UU)
11:00-12:00
Sessie I: Veerkracht en emotie
‘Emotionele praktijken in de gevangenissen van Rotterdam en ’s Hertogenbosch 1800-1850’

Iris van de Zande (OU)
‘Gevende vaderlanders. Landelijke inzamelingsacties na rampen als nationale veerkracht’
Fons Meijer (RU)
12:00-13:00
Lunchpauze
13:00-14:30
Sessie II: Revolutie en restauratie
‘Hoe beëindig je een burgeroorlog? De veerkracht van lokale overheden tijdens de Oranjerestauratie, 1787-1788’
Friso van Nimwegen (UL)
‘Verwerking van het crisisverleden: veerkracht in civil society in Dordrecht, 1813-1850’
Adriejan van Veen (RU)
‘Scherven rapen; Banten en de (im)materiële erfenis van de koloniale vernietiging’
Adieyatna Fajri en Kelly Breemen (NIOD)
14:30-14:45
Visueel / muzikaal intermezzo
14:45-15:00
Pauze
15:00-16:30
Sessie III: De verbeelding van veerkracht
‘Het beeld van de veranderende stad in de topografisch-historische collectie van de Gentse verzamelaar Pierre-Jacques Goetghebuer’
Inge Misschaert (UG)
‘Veerkracht in de Nederlandse dorpsvertelling’
Anneloek Scholten (RU)
‘Als de Feniks zal het herboren uit zijn assche zijn herrezen! De verbeelding van veerkracht in het Vlaamse landschap, 1915-1920’
Bart Tritsmans (UA)
16:30-17:00
Slotdiscussie
17:00-18:00
Borrel
Anthony Oberman, De schilder in zijn atelier (1820). Rijksmuseum Amsterdam.

8/10 Van Lennep-lezing Jenny Reynaerts

Vrijdag 8 oktober 2021
20.00-21.30 uur
Spui25, Amsterdam

Gratis registratie:
https://spui25.nl/programma/de-elfde-jacob-van-lennep-lezing/make_reservation

De elfde Jacob van Lennep-lezing

De Jacob van Lennep-lezing keert jaarlijks terug in de eerste week van oktober en beoogt de Nederlandse literatuur en cultuur van de negentiende eeuw onder de publieke aandacht te brengen. Dit jaar onderzoekt Jenny Reynaerts de negatieve stereotypering van de negentiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst.

In een vroege kunstkritiek in De Naprater uit 1826 en toegeschreven aan redacteur Jacob van Lennep, klaagde deze de Nederlandse kunst en kunstkritiek aan om haar conservatisme en commerciële insteek: ‘De heerschende geest alhier brengt teveel mede om aan het oude gehecht te blijven, al wat naar Rembrand zweemd word blindelings met enthousiasme ontvangen en met goud betaald.’ Deze negatieve reputatie is de negentiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst lang blijven aankleven.

Juist dit stereotiepe beeld was de aanleiding voor Jenny Reynaerts om een nieuw overzichtsboek te schrijven, waarin de schilderkunst uit die tijd met frisse blik wordt bekeken en in een veelal internationale context geplaatst. In haar lezing zal Reynaerts uit de doeken doen met welke keuzes zij zich geconfronteerd zag bij het schrijven van Spiegel van de werkelijkheid, en of haar aanpak heeft geleid tot aanpassing van de oude kritiek. Dat zal zij onder meer doen aan de hand van twee tentoonstellingen naar aanleiding van het boek, Spiegel van de ziel (Singer Laren 2020) en Wanderlust (Dordrechts Museum 2022).

Over de sprekers

Jenny Reynaerts is senior conservator schilderijen van het Rijksmuseum en auteur van Spiegel van de werkelijkheid. 19de-eeuwse schilderkunst in Nederland (Mercatorfonds/Rijksmuseum 2019).

Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze is voorzitter van de Werkgroep De Moderne Tijd en publiceert over Nederlandse identiteitsvorming, literatuur en geschiedenis. Recent publiceerde ze als co-redacteur Napoleons nalatenschap. Sporen in de Nederlandse samenleving en De grote en vreeselike vloed. De Sint-Elisabethsvloed 1421-2021.

Jan Rock (moderator) is universitair docent Nederlandse letterkunde bij de Universiteit van Amsterdam.

Afbeelding: Anthony Oberman, De schilder in zijn atelier (1830). Rijksmuseum Amsterdam.

In memoriam Evert van Uitert (1936-2021)

‘Maar de weg die ik nu bewandel, die moet ik blijven volgen; als ik niets doe, als ik niet studeer, als ik dus niet meer zoek, dan ben ik verloren, arme ik. Zo zie ik de dingen, doorgaan, doorgaan, dat is wat er moet gebeuren.’
– Vincent van Gogh 22-24 juni 1880

In memoriam Evert van Uitert (1936-2021)

Op zondag 30 mei 2021 overleed de kunsthistoricus Evert van Uitert. Sinds 1970 publiceerde Van Uitert over Vincent van Gogh en leverde hij een grote bijdrage aan het onderzoek naar het leven en werk van Nederlands beroemdste kunstenaar. Hij promoveerde in 1983 aan de Universiteit van Amsterdam cum laude op Vincent van Gogh in creative competition. Four essays from Simiolus. Aan deze universiteit was hij van 1984 tot 2001 hoogleraar kunstgeschiedenis, in het bijzonder van de nieuwste tijd en hield hij een spraakmakende oratie onder de titel Het geloof in de moderne kunst.

Daarnaast werkte hij mee aan diverse tentoonstellingen en boeken. Hij was betrokken bij de monumentale overzichtstentoonstelling over Vincent van Gogh in het Van Gogh Museum en het Museum Kröller-Müller in 1990. Hij schreef over uiteenlopende onderwerpen van Pieter Haverkorn van Rijsewijk, Guillaume Apollinaire, Anton Pieck, maar ook over tuinen, muziek en ironie in kunst.

Als bevlogen docent inspireerde hij generaties studenten kunstgeschiedenis en promovendi. Van Uitert was erudiet, bescheiden, eigenzinnig, hartelijk en bovenal nieuwsgierig naar kunst en kunstenaars tot aan het einde van zijn leven. Met zijn grote kennis en enthousiasme leverde hij een belangrijke impuls aan de belangstelling en het onderzoek naar de moderne kunst en Vincent van Gogh in het bijzonder.

De vele zonnebloemen bij zijn uitvaart waren een ontroerend eerbetoon.

Robert Verhoogt

Bilderdijkkamer

Bilderdijkkamer en collectie online te bezoeken

De Bilderdijkkamer in het Academiegebouw van Universiteit Leiden is nu geheel online te bezoeken. Op het platform Things That Talk is zowel de vaste opstelling van de Bilderdijkkamer als een selectie uit de collectie Bilderdijkiana te bekijken. De collectie is niet alleen te zien, maar ook te horen. Luister naar gedichten en brieven van Bilderdijk, voorgedragen door Bilderdijk-biograaf Peter van Zonneveld, en leer meer over een van Nederlands’ belangrijkste Romantische dichters aan de hand van voorwerpen uit zijn persoonlijke collectie, van zijn bespiegelingen op de dood tot zijn grondige afkeer van Duitse kachels. De Leidse Bilderdijk-collectie wordt zo op een bijzondere, interactieve manier ontsloten.

Leiden

De Bilderdijkkamer is vernoemd naar de dichter, advocaat en veelzijdige geleerde Willem Bilderdijk (1756-1831) die zijn leven lang een bijzondere band had met de stad Leiden. Bilderdijk studeerde tussen 1780 en 1782 rechten in Leiden, was er getuige van de verwoestende buskruitramp van 12 januari 1807 en doceerde hier tussen 1817 en 1827 als privaatdocent. Toen Bilderdijk in 1827 naar Haarlem verhuisde, nam hij ontroerd afscheid van Leiden, een stad die hij de ‘bloem der steden’ noemde.

Samenwerking

In 2018 besloot de Vereniging ‘Het Bilderdijk-Museum’ om haar collectie in permanent bruikleen te geven aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden, die haar collecties laat beheren door Universitaire Bibliotheken Leiden (UBL), en die zelf al een grote verzameling Bilderdijkiana bezat. Vorig jaar verscheen hierover het boek Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk (Leiden University Press 2020). Dankzij een bijzondere samenwerking tussen de Werkgroep Bilderdijk van de MdNL, de UBL en Things That Talk is de fraaie Bilderdijkkamer nu voor iedereen digitaal te bezoeken in de 360-graden-omgeving van Things That Talk.

Ronddwalen en rondleidingen

Zoom in op zijn portretten en klik op interessante objecten, zoals Bilderdijks dodenmasker. Maar er is meer dan dat. Behalve de bijzondere stukken en schilderijen die in de kamer worden bewaard, is samen met conservator Na-middeleeuwse handschriften en Archieven van de UBL, Mart van Duijn, een selectie gemaakt van de mooiste Bilderdijkiana. Stukken die normaal in de kluis van de Bijzondere Collecties berusten, zijn nu op tafel uitgestald en te bezichtigen. De online bezoeker kan vrij ronddwalen door de kamer en de collectie maar ook vijf thematische rondleidingen volgen over: leven, gezin, schrijverschap, kunstenaar, geleerde en cultuurcriticus en Verering.

De zeven levens van Abraham Kuyper. Portret van een ongrijpbaar staatsman

Johan Snel

Amsterdam: Prometheus, 2020. 400 p.
ISBN 9789044645088
€25

Voor de opzet van De zeven levens van Abraham Kuyper heeft Johan Snel zich laten inspireren door een korte autobiografische schets van Kuyper, waarschijnlijk opgetekend voor een Frans biografisch woordenboek of encyclopedie. Hierin stelt hij zichzelf voor in zeven verschillende rollen (alpinist, reiziger, spreker, wetenschapper, activist, journalist en staatsman), die Snel per hoofdstuk behandelt. De delen over Kuyper als alpinist, reiziger en journalist verrijken de bestaande beeldvorming rond zijn persoon waarschijnlijk het meest.

Kuypers vurige liefde voor het berglandschap en zijn bijna jaarlijkse wekenlange trektochten, compleet gehuld in Tiroler pak, werden niet eerder door een historicus voor het voetlicht gebracht. Op deze manier maakt de lezer direct in het eerste hoofdstuk kennis met een verborgen persoonlijke kant van de hoofdpersoon. Niet onbelangrijk, stelt Snel, Kuypers dochter citerend: ‘Wie Kuyper niet in de bergen heeft meegemaakt, die kent hem niet’ (p. 57).

In de beschrijving van Kuypers journalistieke leven loopt Snel, zelf ook journalist en docent in zijn vak, vooruit op zijn aankomende dissertatie, die hij tijdelijk terzijde legde om deze biografie te schrijven met het oog op het ‘Kuyperjaar’ 2020-21. Hoewel natuurlijk stukken minder onbekend dan Kuypers alpenavonturen, staat zijn journalistieke leven, voornamelijk als oprichter en ongelooflijk productieve hoofdredacteur van De Standaard, steevast in de schaduw van zijn reputatie als partijleider en staatsman. Terwijl, zo betoogt Snel: ‘was Kuyper in 1901 niet tot zijn eigen verrassing gevraagd een kabinet te vormen, dan hadden we hem vooral als journalist gekend’ (p. 254).

Het hoofdstuk over Kuyper als reiziger beschrijft hem als een internationaal (denkend) figuur. Dit beeld werd voor het eerst duidelijk naar voren gebracht door de Amerikaanse historicus J.D. Bratt, die in zijn biografie uit 2013 met name de invloed van Kuypers (neo)calvinistische leer op het internationale protestantisme benadrukte. Snel vertolkt dit internationale perspectief op zijn eigen wijze naar een Nederlands publiek. Door Kuyper te volgen naar Amerika, waar hij zijn calvinisme uiteenzette in zijn beroemd geworden Stone-lezingen, maar ook op zijn tochten langs de Europese wereldsteden, reflecteert hij op de opvallende religieuze, politieke en filosofische transformaties die deze buitenlandse ervaringen teweegbrachten in zijn wereldbeeld.

Hoewel Snel elders in zijn boek benoemt dat Kuyper zijn levensverhaal geregeld ‘stileerde naar de boodschap’ (p. 111), past hij deze kritiek niet uitgesproken toe op de autobiografische schets waar hij zijn raamvertelling op baseert. Terwijl het schrijven van een ‘portret-naar-zijn-zelfportret’ (p. 7) toch een historiografische uitdaging met zich meebrengt, omdat de onderzoeker zich hiermee oplegt binnen de lijntjes te kleuren zoals deze door het onderzoeksobject zelf zijn uitgetekend. Het moet echter gezegd: de opzet werkt voor Snel. De onvermijdelijke overlap tussen de hoofdstukken leidt soms tot enige herhaling, maar hij laat treffend zien hoe juist in die overlap van Kuypers levens de reikwijdte van zijn diepst gewortelde denkbeelden naar voren komt. Zo streefde Kuyper zijn bekende motto ‘soevereiniteit in eigen kring’ niet alleen als activist, wetenschapper en staatsman na, maar zeker ook als journalist. Als oprichter van de Nederlandse Journalistenkring zette hij een vakorganisatie voor zijn beroepsgroep op, waar uiteindelijk niet enkel hoofdredacteuren, maar vooral journalisten zich konden organiseren (p. 245).

De opvallendste overkoepelende these die Snel in zijn boek naar voren brengt, betreft zijn visie op Kuyper als radicaal democraat (p. 94-95) Tegenwoordig niet bepaald een vertrouwd etiket voor de voorman der antirevolutionairen, maar volgens Snel volledig gerechtvaardigd gezien Kuypers pluralistische maatschappijvisie, emancipatiedrang en rol als pleitbezorger van burgerlijke vrijheden. ‘Soevereiniteit in eigen kring’ gold hierbij als waarborg tegen staatsalmacht. De ‘adder onder het gras’ die Kuypers diepgewortelde geloof in ‘organische verbanden’ en anti-individualistische wereldbeeld met zich meebracht, duikt op in Snels beschrijving van Kuypers kiesrechtstandpunt. Hij zag het gezin als organische eenheid en was daarom tot na de pacificatie van 1917 voorstander van een algemeen ‘huismankiesrecht’ (p. 224).

Opvallend genoeg verandert dit niets aan het standpunt van Snel: Kuyper was democraat tot in zijn vezels, waarschijnlijk de eerste in Nederland. Hoewel Kuypers ideeën omtrent het kiesrecht niet veel conservatiever waren dan die van zijn tijdgenoten, hadden ze Snel reden kunnen geven om zijn claim in te perken. Of in ieder geval duidelijk te definiëren: wat maakt volgens hem precies een democraat? Dit laat Snel echter achterwege. In zijn hele boek huldigt hij in lyrische bewoordingen Kuypers democratische geest: ‘Zo vrij als componisten zich hadden kunnen ontwikkelen, zo vrij was ook zijn ideale maatschappij’ (p. 227).

Het is tekenend voor dit boek, dat aanstekelijk enthousiast is geschreven, maar soms dreigt door te slaan naar verering. De hoogdravende schrijfstijl van Snel helpt hier niet mee; Kuyper wordt in grote bewoordingen neergezet als een retorische ‘tovenaar’ (p. 211), een ‘ongrijpbaar, enigmatisch […] wonderkind’ (p. 53). Inhoudelijk is dit niet per se ongeoorloofd; Kuyper wás een wonderbaarlijk productieve man met buitengewone talenten, wiens reputatie (ook in internationaal opzicht) in de geschiedschrijving mogelijk weleens te klein is gemaakt. Opvallend is echter dat Kuyper bij successen alle lof krijgt toegezwaaid, terwijl Snel hem in de zwartste bladzijden van zijn politieke carrière lijkt te beschermen. Zo wordt bij de hardhandige aanpak van de spoorwegstakingen van 1903, die een onuitwisbare vlek naliet op Kuypers premierschap en reputatie als vriend van het volk, op de medeverantwoordelijkheid van zijn ministerploeg gewezen. Waar Kuypers successen worden beschreven als knap werk van een politiek solist, was hij hier volgens Snel slechts de ‘Kop van Jut’, de ‘ideale booswicht’ (p. 282-3).

Terwijl Jeroen Koch in zijn Kuyperbiografie uit 2006 een uitgesproken kritische houding aannam, waar sommige recensenten hem dan weer fel om bekritiseerden, probeert Snel in zijn portret vooral te enthousiasmeren voor Kuyper. De gespreksleider bij een debat op 9 december 2020 tussen Snel en Koch op Kuypers eigen Vrije Universiteit vatte samen: ‘Hier spreekt een bewonderaar richting de cynicus.’ Vreemd genoeg negeert Snel zelf het werk van Koch volkomen. Dit is typerend voor zijn boek, waarin nauwelijks historiografische context wordt geboden. Alleen in de epiloog wordt in meer dan een enkele zin expliciet naar eerder Kuyperonderzoek verwezen, van voornamelijk Johan Huizinga en Jan en Annie Romein. Hierin komen vooral positieve woorden aan bod, die Snels beeld van Kuyper als ‘radicale democraat, een sociaal vernieuwer en een verrassend moderne wetenschapsfilosoof’ (p. 333) volmondig bevestigen. Aan scherpere lezingen, zoals Kochs biografie, maar ook bijvoorbeeld Henk te Velde’s typering van Kuyper als ‘populist’, besteedt Snel geen aandacht.

Snel plaatst zich weliswaar grotendeels buiten de bestaande literatuur maar heeft tegelijkertijd vanuit nieuw bronnenonderzoek een eigen verhaal neergezet, dat hij bovendien op een aantrekkelijke manier presenteert met een breed publiek in gedachten. Dit is op zichzelf bewonderenswaardig. Toch was het verhelderend geweest als hij zijn historiografische positie concreter had geduid. Vanuit academisch oogpunt is dit een gemis, en eigenlijk niet uit te leggen. Snel presenteert immers allerlei prikkelende stellingen die impliciet, maar soms heel direct ageren tegen bestaande opvattingen, met name uit de biografie van Koch.

Felix Bosch, junior onderzoeker Politieke Geschiedenis, Radboud Universiteit
Jaarboek Achttiende Eeuw

CfP Jaarboek De Achttiende Eeuw

Call for Papers

Themadossier Jaarboek De Achttiende Eeuw
Kennis tot Nut van ‘t Algemeen

‘Wanneer de kennisse der Natuurlyke Historien, der Schepzelen, der Konsten en Ambachten in malkander verknocht, gemeender en meer bekent waren, welk een vrucht de hooge Regenten des Lands tot welstand van haare ingezetenen daar uit zouden konnen trekken […],’ aldus Willem van Ranouw in 1719 in één van zijn tijdschriften. De overtuiging dat kennis de sleutel is tot maatschappelijke voorspoed en vooruitgang werd gemeengoed in de achttiende eeuw. Geleerde professoren, geletterde vrouwen, vernuftige ambachtslieden, innovatieve ondernemers en ambitieuze bestuurders zochten naar nieuwe kennis om de samenleving te verbeteren. ‘Nut’ werd hierbij breed begrepen—niet alleen in een economische zin, maar ook in de culturele zin van geestelijke vorming. De moderne burger ontwikkelde zich door te lezen en in genootschapsverband.

Dit themadossier gaat over de achttiende-eeuwse honger naar kennis in de breedste zin van het woord. We zijn op zoek naar artikelen over allerlei vormen van kennis en wetenschap—van medische ontwikkelingen en technische vondsten tot literaire, artistieke en religieuze kennis. We nodigen ook uitdrukkelijk bijdragen uit die kijken naar achttiende-eeuwse opvattingen óver kennis, inclusief kritische en satirische reacties op boeken- en waanwijsheid.

Geïnteresseerden kunnen tot 1 juli 2021 een kort abstract (max. 300 woorden) insturen naar f.j.dijksterhuis@utwente.nl en jaarboek@18e-eeuw.nl. Voordien informeel aftoetsen wordt aangemoedigd. Van de geselecteerde voorstellen worden de volledige artikelen van maximaal 6.000 woorden verwacht tegen 1 februari 2022. De artikelen worden aan redactionele peer review onderworpen.

Afbeelding: Ontwerp voor de decoratie Kunsten en Wetenschappen op de Noordermarkt, Jurriaan Andriessen (1795). Amsterdam: Rijksmuseum.

Met een drukpers de oceaan over. Koloniale boekcultuur in Nederlands-Indië, 1816-1920

Lisa Kuitert

Amsterdam: Prometheus, 2020. 320 p.
ISBN 9789044645101
€29,99 (hardcover)

Op 25 december 1866 bracht de Javaanse reiziger Sastradarma een bezoek aan de drukkerij van Toean Lange in Batavia. Hij zag hoe een groot aantal mensen – Nederlanders, Javanen, Chinezen en Maleiers – drukdoende was met het uitkiezen van Nederlandse, Javaanse, Arabische en Chinese letters. Ze verrichtten hun werkzaamheden staande, ieder voor zijn eigen bank. Die banken waren allemaal in vakjes verdeeld, als medicijnkastjes, voor de afzonderlijke letters, de letters die nog niet gerangschikt waren en de letters die al gebruikt en weer uit elkaar gehaald waren. Terwijl Sastradarma observeerde hoe de mensen al die kleine loodletters uitzochten, begon het hem te duizelen. Hier zouden beslist allerlei vergissingen gemaakt worden: vaak een letter of een ander teken te veel of te weinig. Dus, constateerde hij: wat het drukken met al die letters tijdrovend maakte, was dat men er niet in één keer mee klaar was maar dat er één keer, en nog een keer, een nauwkeurige controle nodig was. Maar zodra alles in orde was, was het mogelijk ineens in korte tijd honderd boeken te produceren.1

Sastradarma’s Javaanstalige reisverslag over zijn omzwervingen in Batavia zou ruim een jaar later uitgegeven worden bij de Landsdrukkerij, gedrukt in Javaans schrift. De reizende edelman wees op de complexe situatie van het boekbedrijf in de Indische archipel, waar rekening gehouden moest worden met een keur aan letters, talen en wensen. Hij had zijn bedenkingen bij de correcte uitvoering van het drukproces, maar zag de snelle boekproductie als een triomf. Hoe anders was het doorgaans met de reproductie van manuscripten die steeds opnieuw, één voor één, volledig overgeschreven moesten worden om ze te kunnen verspreiden en te bewaren voor de toekomst.

Door middel van archiefwerk reconstrueerde Lisa Kuitert, hoogleraar Boekwetenschap verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van de gedrukte boekcultuur in Nederlands-Indië vanaf de negentiende eeuw. Ook zij heeft, net als Sastradarma, oog in oog gestaan met de complexe, gelaagde, veeltalige koloniale wereld, waarin drukkerijen en boeken een steeds belangrijkere rol kregen. Tien jaar lang werkte Kuitert aan Met een drukpers de oceaan over. Het resultaat is een toegankelijk geschreven en fraai uitgevoerd boek dat inzicht geeft in aspecten van het Indische (letterkundige) leven die tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Enerzijds heeft de schrijfster aandacht voor Europese individuen, ondernemers en zendelingen die, gewapend met (plannen voor) een drukpers of het opzetten van een boekhandel, afreisden naar de archipel. Ze beschrijft het reilen en zeilen van zending, boekhandels en uitgeverijen. Anderzijds komt de rol van de koloniale overheid – en overheidsfunctionarissen – aan bod in het reguleren en controleren van het werk van enthousiaste ondernemers, journalisten en taalgeleerden. Uitgebreid wordt besproken hoe uitgeverijen hun best deden om de groeiende markt aan te spreken. Schoolboeken werden gezien als een middel om de jeugdige Indonesiër vertrouwd te maken met het gedrukte boek. Omdat directe vertalingen van Europees onderwijsmateriaal niet goed aansloten bij de belevingswereld van de Indonesiër moesten er nieuwe boeken komen in lokale talen. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen er van staatswege premies om het schrijven van schoolboeken te bevorderen.

Kuitert lardeert haar werk met levendige anekdotes en citaten over de avonturen van (hoofdrol)spelers binnen het boekbedrijf. Daarmee compenseert ze de hiaten van het onderzoeksmateriaal. Zo komen we bijvoorbeeld te weten dat reizen per postkoets zich niet leende voor het consumeren van een boek aangezien het voertuig te veel schudde. Maar anekdotes blijken ook Kuiterts valkuil, want ze dragen niet altijd bij aan het verhaal. Zo schiet Kuitert, bijvoorbeeld, haar doel voorbij als ze uitgebreid citeert uit het – overigens gedegen – proefschrift van Widjajanti Dharmowijono (2009) over representatie van Chinezen binnen de Indische samenleving (p. 205). Het citaat moet dienen om discriminatie ten opzichte van Chinezen aan te kaarten, maar roept alleen maar extra vragen op, die niet worden beantwoord.

Opvallend is hoe Kuitert omgaat met de duiding van Indonesische talen. Zo groepeert ze enkele Javaanse teksten ten onrechte onder de noemer ‘Klassiek Maleis’ (p. 138). Herhaaldelijk geeft ze onbevredigende dan wel foutieve vertalingen van boektitels. Zo lezen we als bijschrift van een boekenkaft op pagina 76: ‘De titel betekent iets als: “Domme pech. Een verhaal uit China”’ terwijl de correcte vertaling luidt: De rode spin. Een verhaal uit China. Verwarrend, want die spin – weliswaar in zwart-wit – is levensgroot op het plaatje te zien. Waarom zou een vertaling ‘bij benadering’ voldoen? Dat getuigt niet van respect voor de oorspronkelijke bron – of is hier misschien sprake van een metafoor? Dan had dat wel mogen worden verduidelijkt.

Van een andere orde is dat Kuitert geen aandacht schenkt aan reeds bestaande geletterdheid onder de Javaanse elite. De suggestie dat de ‘bovenlaag van de Indonesische bevolking geletterd raakte’ (p. 122) – onder invloed van de Landsdrukkerij die een premieregeling had geïntroduceerd voor Indonesische auteurs – berust op een misvatting. Toen de premies werden ingevoerd in de tweede helft van de negentiende eeuw bestond er al een eeuwenlange geletterdheid onder de elite. Zij hadden leesgezelschappen, hun kinderen leerden lezen en schrijven en binnen de rijke dans- en theatertradities stond poëzie centraal. Alle goede bedoelingen van Kuitert ten spijt hebben we hier helaas te maken met een zienswijze die veronderstelt dat geletterdheid aan de Nederlanders te danken is. Door samenwerking met Indonesië-deskundigen had Kuitert deze onvolkomenheden wellicht kunnen voorkomen. Zij eindigt immers haar onderzoek in 1920, omdat zij vindt dat vanaf die periode meer kennis van anderstalige bronnen nodig is dan die, welke zij ter beschikking heeft. In feite geldt dat ook voor de periode waarover zij onderzoek doet. Het zou de waarde daarvan nog hebben vergroot.

Sastradarma’s woorden kunnen dienen als leidraad: de situatie met die vele vakjes is complex en vergissingen liggen op de loer. Een tweede, derde controle is op zijn plaats. Pas dan komen de honderden boeken en de achterliggende boekcultuur echt tot hun recht.

1. R. A. Sastradarma, Cariyos Nagari Batawi; punapa ingkang dipunpirsani radèn arya Sastradarma, kaanggit piyambak [Beschrijving van Batavia; naar eigen beschouwing door Sastradarma], Vol 1. (Batavia, 1867),  130-31.

Judith E. Bosnak, onderzoeker Indonesische Talen & Culturen, Universiteit Leiden

Gelukzoekers gestrand. 500 Duitse landverhuizers onderweg naar Brazilië, 1827-1829

Onno Boonstra & Friedrich Hüttenberger

Amsterdam: Amsterdam University Press, 2021, 285 p
ISBN 9789463722667
Paperback. €30

Historische studies die ook buiten de academische wereld aandacht trekken, presenteren vaak onbekend maar aansprekend materiaal dat is opgedoken uit archieven. Soms halen ze echt onbekende zaken boven water, soms detailleren ze wat voorheen alleen in grote lijnen bekend was. Het zijn in de regel verhalende teksten, veelal over personen, families, gemeenschappen of groepen personen, zonder theoretische pretenties en niet per se geschreven door en voor universitaire historici. De bijdragen aan Het Pak van Sjaalman, een rubriek in De Moderne Tijd, zijn hiertoe te rekenen (lees de introductie van deze rubriek in DMT, 2019 nummer 4, p. 351).

Gelukzoekers gestrand behoort evident ook tot dit soort historische studies. Onno Boonstra (voor zijn pensionering verbonden aan de afdeling Geschiedenis van de Radboud Universiteit) en Friedrich Hüttenberg (gepensioneerd romanist en historicus uit Duitsland) reconstrueren nauwgezet de lotgevallen van ruim 500 Duitse plattelanders tijdens hun door tegenslagen getekende reis via Nederland naar Brazilië. Die reis duurt niet voor iedereen maar wel voor het merendeel van de landverhuizers vijftien maanden.

Inwoners die in de jaren 1820 de armoede wilden ontvluchten die heerste in de Hunsrück, het Moezeldal, de Palts en Lichtenberg waren er genoeg. Ze lieten zich gemakkelijk overhalen om mee te gaan naar het beloofde land: Brazilië. Dat had zich in 1822 onafhankelijk verklaard van Portugal. Keizer Pedro 1 zocht Europese kolonisten en had zich aanvankelijk bereid verklaard om hun overtocht te betalen en grond ter beschikking te stellen. Of die belofte in 1827 ook nog gold, was onduidelijk (informatie was destijds nog sterk plaatsgebonden) maar de landverhuizers geloofden het graag. Ze waren zelfs bereid lokale autoriteiten te trotseren die weigerden Auswanderungserlaubnisse te geven. Velen moesten heimelijk vertrekken, zonder paspoort.

De twee ronselaars, Karl Roth en Georg Robinson, vonden moeiteloos meer gegadigden dan ze konden gebruiken. Het tweetal had een contract voor 220 tot 250 landverhuizers afgesloten met een enigszins louche aan lager wal geraakte schipper uit Amsterdam: Bartholomeus Karstens. Hij had een wrak schip had gekocht, de Helena en Maria, en zocht passagiers. Hoe meer, hoe beter – uit het zicht van de autoriteiten wilde hij stiekem best 500 mensen meenemen, al ontbrak de ruimte daarvoor op de 26,5 meter lange driemaster volledig.

Het was vragen om moeilijkheden en die kwamen er dan ook volop. De migranten voeren in november 1827 met twee rijnaken de Rijn af, maar zonder paspoort kwam een deel van hen Nederland niet binnen. Na lobbywerk toonde koning Willem I zich clement en mocht iedereen op doorreis naar de haven van vertrek. Opgejaagd door de autoriteiten en ruziënd met de 339 landverhuizers die inmiddels aan boord waren, zeilde Karstens haastig Den Helder uit. Hij liet 170 Duitse volwassenen en kinderen achter op de kade in Den Helder. De chaos was compleet, gezinnen waren plotsklaps uiteengerukt. De achterblijvers moesten terug, maar waren in hun gebied van herkomst niet meer welkom. Ze strandden in Arnhem, waar ze liefdevol werden opgevangen door enkele lokale notabelen. Na vier maanden kregen ze, op kosten van de koning, een overtocht naar Rio de Janeiro waar ze in juni 1828 aankwamen.

De 339 landverhuizers die zich hadden ingescheept op de Helena en Maria zijn dan nog niet in Brazilië. Een storm in Het Kanaal had het schip bijna op de rotsen geblazen en het was alleen aan een toevallig passerend schip te danken dat ze het overleefden. De zwaar beschadigde Helena en Maria werd op sleeptouw genomen. De opvarenden stapten in Falmouth aan wal, en kregen daar maar liefst een jaar lang eten en onderdak van de inwoners. Uiteindelijk organiseerde de Earl of Aberdeen een schip: de James Laing bracht hen naar Brazilië, waar ze in februari 1829 arriveerden, acht maanden na de groep die in Den Helder niet had meegekund. Ze hadden het gered, ondanks alle bureaucratie en uitbuiting en dankzij de steun van gewone mensen (die gul geven wat ze konden missen) en welgestelden (die hen weer op weg hielpen). Er bestond destijds, net als nu, in Nederland en Engeland een cultuur waarin eigenbelang én solidariteit samengingen.

Boonstra en Hüttenberger hebben het allemaal minutieus en voorbeeldig uitgezocht (met archiefonderzoek in Duitsland, Nederland en Engeland) en beschreven. Alle emigrantenfamilies staan in een lijst achterin het boek, en ook hun zaakwaarnemers in Nederland en Engeland krijgen minibiografietjes. Hun boek leest soepel, mede dankzij de service om alle citaten behalve in de oorspronkelijke taal ook in het Nederlands op te nemen. Curieus: ze hopen dat het boek van belang zal zijn ‘voor de duizenden nazaten’ van de landverhuizers uit 1827 in Brazilië. Maar daarvoor zal het toch eerst in het Portugees moeten worden vertaald. Het boek verdient het.

Ben de Pater, universitair hoofddocent sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht