Boekrecensie: Regionalism and modern Europe. Identity construction and movements from 1890 to the present day

Xosé M. Nuñez Seixas & Eric Storm, red.

Londen & New York: Bloomsbury, 2019. 365 p.
ISBN 978 1 4742 7519 4
€29,66

Sinds 2010 groeit de markt in – veelal glossy – magazines die de tradities en identiteit van specifieke Nederlandse regio’s in kaart brengen. Noorderland Magazine, Mijn Gelderland en In Brabant, een tijdschrift bedoeld om ‘u, de lezer, aan het denken te zetten over wat het betekent om Brabander te zijn’, trekken een vast lezerspubliek en laten zien dat regionalisme vandaag de dag sterk leeft. Deze fascinatie voor regionaal erfgoed en identiteit is echter niet alleen van deze tijd: tijdschriften zoals De Maasgouw (1879-), Eigen erf; geïllustreerd familieweekblad voor Overijssel en Drenthe (1926-50), Brabantia Nostra (1935-42) en Het Noorden in Woord en Beeld (1925-53) tonen aan dat regionalisme ook in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw enorm in zwang was.

Regionalism and modern Europe verbindt deze verschillende hoogtijdagen van regionalisme in Europa vanuit diachronisch perspectief. De afzonderlijke artikelen schetsen een historische ontwikkeling van regionalisme, vanaf de laat negentiende eeuw tot nu, en vergelijken verscheidene Europese casussen met elkaar. Jan-Henrik Meyers bijdrage geeft voorbeelden van regio’s in Duitsland, Italië, Polen en voormalig Joegoslavië om de historische rol van regionale initiatieven tot natuurbehoud te analyseren. Irina Livezeanu en Petru Negurǎ onderzoeken de dynamiek tussen regionalisme en nationalisme in diverse historische grensgebieden zoals Transsylvanië, het Banaat, Moldavië en Slowakije.

Deze aanpak biedt de lezer niet alleen een gedegen geschiedkundig perspectief op de rol en representatie van regio’s in Europa, maar ook een zeer waardevolle aanzet om regio’s juist vanuit een transnationaal perspectief te beschouwen. Dit is een broodnodige visie als we de internationaal verspreide representaties van regio’s via bijvoorbeeld wereldtentoonstellingen, de media en in vertaalde streekliteratuur in ogenschouw nemen. De bundel geeft middels deze vergelijkende casussen een verfrissende blik op een onderzoeksveld dat in het verleden vooral gedomineerd werd door onderzoek naar regionalisme in relatie tot nationalisme, zoals onder meer blijkt uit Timothy Baycrofts Culture, Identity and Nationalism (2004) en Joost Augusteijns en Eric Storms Region and State in Nineteenth-Century Europe (2012).

Nuñes Seixas en Storm verwijzen in hun introductie terecht naar het wetenschappelijke debat rondom ‘regional nationalism’ (p. 4), een term ontleend aan het werk van Michael Keating, en problematiseren het onderscheid tussen nationalisme en regionalisme middels voorbeelden zoals Catalonië en Luxemburg. Regionalisme, zo schrijven Seixas en Storm, is bij uitstek een ambigu begrip en voor meerdere interpretaties vatbaar. Dat blijkt ook uit de essays die regionalisme vanuit respectievelijk economisch (Smith-Peter), cultureel (Hopkin) en politiek perspectief (Petrosino) voor het voetlicht brengen en meestal ook een relatie tussen deze diverse niveaus van regionalisme laten zien. Zo beschrijft James Kennedy de samenhang tussen cultureel regionalisme, in de vorm van literatuur, taalgebruik en folklore, en politiek regionalisme in onder meer Schotland, Wales en Noord-Ierland. Nuñes Seixas laat op overtuigende wijze zien hoe regionale culturen in met name Baskenland en Catalonië cultureel en politiek weerstand genereerden tegen Franco’s fascistische regime.

Problematisering van bestaande opvattingen over Europees regionalisme, in het verleden en heden, is de kracht van deze verzameling wetenschappelijke essays. Deze bestaan uit een aantal thematische essays over voedsel, folklore, toerisme en taal, gevolgd door drie bijdragen over politiek regionalisme en een derde boekdeel dat een aantal specifieke geografische casussen omvat, waaronder Rusland, de Baltische Staten en Scandinavië. Deze problematisering betreft vaak de veranderende opvattingen over de regio door de tijd heen. Eric Storms bijdrage over toerisme laat een verschuiving zien van een denken over de regio in termen van authenticiteit naar wat we vandaag de dag ‘branding’ noemen. Regio’s krijgen een bepaalde identiteit toebedeeld die goed in de markt ligt en toeristen naar de streek lokt. De maakbaarheid van regio’s en hun identiteit en het idee van ‘branding’ bieden mijns inziens bruikbare handvaten om ook naar regionalisme in het verleden te kijken, iets wat te weinig blijkt uit Storms stuk. Kijken we bijvoorbeeld naar tijdschriftartikelen zoals ‘Mooi Twente’ in Eigen Erf (28 juni 1935) en een artikel over Connemara in The Irish Tourist (mei 1896), dan zien we hoe fotografie en tekst worden ingezet om een aantrekkelijk beeld van een ‘eigen’ streek te construeren.

Het artikel over folklore van de hand van David Hopkin introduceert terminologie vanuit de natuurwetenschappen, zoals ‘ecotype’ (p. 47), om juist de specifieke lokalisering van regionale culturen aan de kaak te stellen. Hij laat middels voorbeelden uit Bretagne, Portugese regio’s, West-Ierland en Karelië zien dat we veel landgrensoverschrijdende overeenkomsten kunnen vinden tussen het gebruik van folklore, naast specifieke variaties. Hopkins hoofdstuk openbaart daarmee een transnationale aanpak die het idee van begrensde regionale culturen ondermijnt. Bovendien stelt hij relevante vragen in zijn stuk: is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen etnografie als materiële cultuur en folklore als mondeling overgeleverde cultuur legitiem? Kijken we bijvoorbeeld naar de Ierse Revival dan is dit inderdaad niet zo duidelijk: orale tradities van volksverhalen werden door schrijvers zoals Lady Gregory en W.B. Yeats opgetekend. Hopkins artikel kan in dat opzicht ook als methodologisch grensverleggend worden beschouwd.

Het aan de kaak stellen van grenzen is een terugkerend thema in Regionalism and Modern Europe. Daarnaast laten diverse artikelen zien hoe regionalisme beïnvloed wordt door globalisering en andersom. Johannes Kabatek stelt dat migranten vaak de streektaal leren in plaats van de gestandaardiseerde variant vanwege contact met de lokale bevolking. Storm poneert de term ‘homesick tourism’ (p. 111) om de transnationale toeristische toestroom van diasporagemeenschappen naar regio’s in het ‘thuisland’ te beschrijven. Meyer beschrijft hoe maatregelen rondom klimaatsverandering regionale gemeenschappen, die hun streek willen beschermen, vaak in conflict brengen met nationale of zelfs Europese overheden. Kolleen M. Guy richt zich op de populariteit van regionaal geproduceerd voedsel door de eeuwen heen, met aandacht voor de impact van internationale distributie. Ze geeft een originele invalshoek, al verdient het thema rampen meer aandacht: het is juist in zo’n context dat regionale gemeenschappen internationale solidariteit lieten zien.

Regionalism and Modern Europe biedt veel stof tot nadenken voor onderzoekers van Europa in de moderne tijd en met name het stuk van Joep Leerssen over regionalisme in de Lage Landen verschaft verhelderend inzichten in dit onderwerp op het gebied van Nederland en België, met betrekking tot taal, regionale bewegingen en religie. Dat elk hoofdstuk bovendien voorzien wordt van verdere leessuggesties met betrekking tot het onderwerp, wekt verdere nieuwsgierigheid naar een scala aan andere voorbeelden en transnationale invalshoeken om regio’s te bestuderen.

Marguérite Corporaal, hoogleraar Ierse Literatuur in Transnationale Contexten, Radboud Universiteit. Zij leidt het door NWO met een VICI beurs gehonoreerde project Redefining the Region: the Transnational Dimensions of Local Colour (2019-24; VI.C.181.026). Tevens is zij projectleder van Heritages of Hunger, dat gefinancierd wordt middels een NWO-NWA –ORC subsidie (2019-24).

Boekrecensie: Organizing Democracy. Reflections on the Rise of Political Organization in the Nineteenth Century

Henk te Velde en Maartje Janse, red.

Basingstoke: Palgrave Macmillan, 2017. 295 p.
ISBN 978 3 319 50019 5
€108,99

De artikelenbundel Organizing Democracy is het product van een driedaagse conferentie gehouden in 2014. Deze was onderdeel van het door Henk te Velde en Maartje Janse geleide NWO-onderzoeksproject The Promise of Organization. De bundel beoogt een geschiedenis te geven van negentiende-eeuwse politieke organisatievormen die niet enkel politieke partijen, maar ook volksvergaderingen, pressiegroepen en clubs omvat. De geschiedenis van politieke organisaties is immers niet die van de lineaire ontwikkeling van de politieke partij – ook al heeft oudere historiografie dit vaak gelijkgesteld – maar één van experiment en innovatie met velerlei organisatievormen. Dit experiment was vaak omstreden en de uitkomst was ongewis, maar de deelnemers eraan wilden – zo stellen Janse en Te Velde in de inleiding – allen ‘de democratie organiseren’. Organizing Democracy is een verzameling case studies uit verschillende landen hiernaar, waarbij niet de mogelijke verschillen tussen nationale trajecten, maar juist de overeenkomende ervaringen van negentiende-eeuwse organisatoren in de Verenigde Staten en West-Europa centraal staan.

De inleiding onderscheidt drie organisatietypes – de volksvergadering, de single-issue pressiegroep en de politieke partij – die voor tijdgenoten echter niet zo netjes onderscheiden waren. Gita Deneckere en Geerten Waling tonen in hun bijdrages hoe zowel Vlaamse arbeiders en middenklasse-radicalen in de jaren 1830, als Parijse en Berlijnse revolutionairen in 1848 experimenteerden met hybride vormen van volksvergaderingen, demonstraties en clubs. Reeve Huston beschrijft in een fascinerend artikel de openbare volksvergaderingen die in de VS in de jaren 1816-1828 gehouden werden over tal van economische beleidsonderwerpen. Dat petitioneren een zelfstandig politiek actiemiddel was dat in Groot-Brittannië in de vroege negentiende eeuw massale en georganiseerde vorm aannam, laat Henry Miller zien. Janse toont hoe succesvolle negentiende-eeuwse combinaties van deze actie- en organisatievormen als de Irish Catholic Association in de perceptie van tijdgenoten als ‘machine’ opereerden.

De tweede helft van de bundel is toch vooral aan de politieke partij gewijd. Nicolas Rousselier betoogt in een bijdrage die ietwat als overzichtsartikel aandoet waarom politieke partijen in Frankrijk minder voet aan de grond kregen dan elders. De Duitse liberaal-nationalistische Nationalverein was een hybride van pressiegroep en lokale civil society-organisaties die volgens Andreas Biefang in de jaren 1860 trekken van een politieke partij kreeg. Anne Heyer vergelijkt retoriek en praktijk van ledenparticipatie van de Britse National Liberal Federation en de Duitse Sozialdemokratische Arbeiterpartei, beiden de eerste massapartijen in hun land. Robert Allen verricht een interessante studie op microniveau naar de radicale netwerken en organisatoren die in New York in de jaren 1880 juist náást de twee grote politieke partijen opereerden. Hanneke Hoekstra levert de enige bijdrage die primair over de rol van vrouwen in het negentiende-eeuwse politieke bedrijf gaat, met een artikel over de political hostess (de organisatrice van politieke diners en salons) in Groot-Brittannië. Te Velde sluit af met een ideeënhistorische analyse van de invloedrijke studies naar politieke massapartijen rond 1900 van onder meer Mosei Ostrogorski en Max Weber.

De transnationale opzet van de bundel, waarin ervaringen in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en continentaal West-Europa meegenomen worden, is sterk. Dat geldt ook voor de lange termijn die de bundel bestrijkt, en de nadruk op de veelvormigheid van politieke organisatie. Een bundelconclusie mist echter. Dat is jammer, want het was interessant geweest te lezen welke casusoverstijgende conclusies de auteurs trekken uit de door hen geconstateerde overeenkomende ervaringen. En ook al is het niet de insteek van de bundel, ook een reflectie op mogelijke verschillen was interessant geweest. Tegelijk lijkt – ondanks de bedoeling van de bundel te breken met een lineair vooruitgangsperspectief – de overeenkomende ervaring van participanten veelal die van ontdekking, participatie en democratisch agentschap te zijn. Dat sommige politieke en maatschappelijke organisaties in de negentiende eeuw ook een remmend effect op democratisering en politisering gehad zouden kunnen hebben (denk aan monarchistische politieke clubs, elitaire kiesverenigingen, en herensociëteiten zoals onder meer bestudeerd door Jan Hein Furnée) blijft zo buiten beeld.

De keuze voor de negentiende eeuw is tenslotte helder – dit was de eeuw waarin politieke organisaties een schaalvergroting ondergingen, langzaamaan geaccepteerd raakten en uiteindelijk als onderdeel van het politieke domein werden geconceptualiseerd – maar toch wordt de (revolutionaire) late achttiende eeuw door haar enkel terugblikkend te behandelen mijns inziens wat tekortgedaan. Juist Britse radicalen, Amerikaanse en Franse revolutionairen, en Nederlandse Patriotten en Bataven experimenteerden met combinaties van volksvergaderingen, petitionnementsacties en politieke clubs, waar in de negentiende eeuw op voortgebouwd kon worden. Organizing Democracy is desalniettemin een belangrijke en veelzijdige bijdrage aan de studie naar politieke organisaties in de negentiende eeuw, die terecht benadrukt dat de ontwikkeling hiervan zoveel meer omvatte dan het streven naar politieke partijvorming.

Adriejan van Veen, universitair docent Politieke Geschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen

Boekrecensie: Oranjedriften. Orangisme in de Nederlandse politieke cultuur, 1780-1813

Laurien Hansma

Hilversum: Verloren, 2019. 237 p.
ISBN 978 908 704 768 9
€25,-

Boekenkasten met werken over de achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlandse geschiedenis kleuren gestaag Oranje. Na recente studies als Bart Verheijens Nederland onder Napoleon en Pieter van Wissings biografie van de orangistische broodschrijver Philippus Verbrugge, is er opnieuw een belangrijke bouwsteen toegevoegd aan de studie van het orangisme in de Nederlandse politieke cultuur tijdens de patriottentijd en Bataafs-Franse periode. In Oranjedriften. Orangisme in de Nederlandse politieke cultuur, 1780-1813 onderzoekt historica Laurien Hansma het politieke denken van orangisten. Het boek is de handelseditie van het proefschrift dat zij verdedigde aan de Universiteit Groningen. De revisionistische geschiedschrijving over de patriottentijd (1787-1801) heeft volgens Hansma opvallend weinig aandacht besteed aan de bijdrage die orangisten geleverd hebben aan het politieke denken in de Bataafse Republiek (p. 11, 92). Terecht merkt Hansma in de inleiding op dat de politieke cultuur in deze periode niet te begrijpen is zonder de bijdrage van orangistische vertogen en praktijken hierin te betrekken.

In navolging van Keith Bakers definitie van politieke cultuur legt Hansma de nadruk op de ideeën, politieke vertogen en praktijken waarmee aanhangers van het Huis van Oranje-Nassau hun orangisme vormgaven. Behalve het eerste hoofdstuk – waarin het erfstadhouderschap vanaf 1747 wordt geïntroduceerd – is het boek chronologisch opgebouwd. De hoofdstukken twee tot en met zes zijn opgedeeld in drie paragrafen die achtereenvolgens het Huis van Oranje, publiek orangisme en de ontwikkeling van orangistische ideeën behandelen. Het zwaartepunt ligt telkens op het constitutionele denken in de derde paragraaf, waarmee Hansma wil laten zien dat het orangistische (tegen)geluid verder ging dan de pro-stadhouderlijke leuzen en opstandjes die in de tweede paragrafen aan bod komen.

Hansma staat voor een uitdaging. De orangisten produceerden, aldus Hansma, langdradig materiaal dat in vergelijking met bijvoorbeeld staatsgezinde theorieën niet van hoog niveau was of bijzonder origineel (p. 29, 77). Toch slaagt ze erin op basis van de weinig overtuigende orangistische argumenten een duidelijk beginpunt aan te merken van hun eigen vertoog, waarmee zij het stadhouderschap verdedigden tegenover de patriotten (p. 90). De Omwenteling van 1795 had een directe invloed op de politieke opvattingen van de orangisten. Aanvankelijk bleven de orangisten inhoudelijk hameren op het herstel van de oude constitutie en reageerden zij vooral op de Bataafse ideeën door deze af te keuren. Schoorvoetend accepteerden zij het bestaan van een geschreven grondwet en volkssoevereiniteit in hun discours (p. 129, 148).

Doorlopend bespreekt Hansma de bestaande historiografie en stelt deze behoedzaam bij. In tegenstelling tot wat Wyger Velema heeft beweerd, oordeelt Hansma bijvoorbeeld dat de orangisten – een enkeling daargelaten – grote geleerden slechts ter illustratie inzetten bij hun tegenoffensief in de discussie over volkssoevereiniteit en representatie, in plaats van ze te gebruiken ter verdieping van hun argumentatie (p. 51). Daarnaast geeft haar analyse van de krantenberichten over de mislukte invasie van 1799 aan dat er wellicht meer animo was voor de terugkeer van Oranje dan door Niek van Sas is gesuggereerd (p. 138). Ten tijde van het Koninkrijk Holland signaleert Hansma een intrigerende tweedeling in de ontwikkeling van het orangisme. De roep om de terugkeer van Oranje-Nassau was enerzijds onderdeel van het nationale verzet tegen de monarchie van Lodewijk Napoleon, terwijl de pamfletten die ze bespreekt ook laten zien dat de terugkeer van Oranje-Nassau als stadhouder niet langer voor mogelijk werd gehouden (p. 175). Hiermee beaamt Hansma het standpunt van Van Sas dat de nationalisering van het vaderlandse verleden in deze periode de Oranjes rehabiliteerde als een historisch fenomeen.

Ze vermeldt de discussie die historici voeren over of de overgang van republiek naar monarchie in 1806 moeiteloos verliep of niet, maar gaat zelf verder met de vraag wat de invloed van de transitie was op het orangisme (p. 154). Het was interessant geweest als ze na het vaststellen van deze invloed op de twee stromingen van het orangisme, had gereflecteerd op de invloed van het orangisme op de staatkundige transitie. Hansma wijst op de overeenkomsten tussen het praktisch ingestelde 17e-eeuwse orangisme dat Jill Stern bestudeerde (p. 29, 88) en haar onderzoeksperiode. Impliciet slaat haar werk ook een brug naar het werk van Henk te Velde en Anne Petterson die het orangisme respectievelijk als een liberaal elitair en volks fenomeen hebben bestudeerd voor de latere negentiende en vroege twintigste eeuw.

De verdienste van dit boek is dat het aantoont dat het orangisme tussen 1780 en 1813 een factor was om rekening mee te houden voor de patriotten, de Bataven en Fransen, en niet gereduceerd kon worden tot een marginale onderstroom. In die zin is de opzet van het boek geslaagd, al doet de driedeling – die aan het begin van ieder hoofdstuk uitvoerig wordt toegelicht – op den duur wat schools aan. Dat neemt niet weg dat hiermee een belangrijke studie is toegevoegd aan het orangisme als serieus fenomeen van de Nederlandse politieke cultuur. De goed verzorgde en rijk geïllustreerde uitgave onderstreept dat het belang van het orangisme in de Nederlandse politiek en maatschappij een breed publiek verdient.

Lauren Lauret is als postdoc onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Geschiedenis in Leiden en als junioronderzoeker werkt zij mee aan een onderzoek in opdracht van de Tweede Kamer bij Advies & Actualiteit van de Radboud Universiteit

Boekrecensie: De kolonieman. Johannes van den Bosch (1780-1844). Volksverheffer in naam van de koning

Angelie Sens

Amsterdam: Uitgeverij Balans 2019. 477 p.
ISBN 978 94 6003 891 4
€39,-

De jaren 1795-1830 vormen een woelige episode in de Nederlandse geschiedenis. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging ten onder, werd omgevormd tot een Franse vazalstaat en daarna ingelijfd door Napoleontisch Frankrijk. Uiteindelijk herrees uit de as van de Republiek een eenheidsstaat onder monarchale leiding van Willem I. In deze periode van staatkundige omwentelingen leefde Johannes van den Bosch. Deze militair werd algauw de meest invloedrijke raadgever van de kersverse koning. Van den Bosch kon dan ook bogen op aanzienlijke wapenfeiten. Hij initieerde de stichting van de befaamde Maatschappij van Weldadigheid en ontwierp het voor de schatkist uiterst lucratieve Kultuurstelsel. Het is merkwaardig dat er tot voor kort geen fatsoenlijke biografie over hem bestond. Gelukkig is historica Angelie Sens de uitdaging aangegaan. Het resultaat mag er wezen: een kloek boek over een bejubelde én verguisde staatsman.

Sens laat in deze biografie zien dat het leven van Van den Bosch in het teken stond van een aantal ambitieuze kolonisatieprojecten. Van den Bosch, geboren in het Gelderse Herwijnen, begon zijn koloniale carrière als militair op Java in 1798. In de ommelanden van Batavia wijdde hij zich aan watermanagement en landontginningen. Na een conflict met de Bataafse generaal Daendels, nam hij ontslag. De gouvernementsbetrekking maakte plaats voor een grootgrondbezitterschap op Java. In 1810 begon zijn reis huiswaarts. Na de terugkeer in patria zette Van den Bosch zijn loopbaan in de Nederlandse krijgsmacht voort.

In 1818 diende een volgend kolonisatieproject zich aan. Van den Bosch stichtte, onder auspiciën van prins Frederik, de Maatschappij van Weldadigheid. Deze particuliere organisatie verwierf grote percelen ‘woeste grond’ in het noorden van Nederland, om er vervolgens in recordtempo landbouwkoloniën uit de grond te stampen. Daar werden ‘luilevende doch werkwillige arbeiders’ tewerkgesteld. Later werden er ook koloniën voor werkonwilligen opgetuigd. De grondgedachte was dat de kolonisten door noeste arbeid, discipline en tucht betere burgers zouden worden. Het leek een win-winsituatie: de steden werden verlost van (de overlast van) de minstbedeelden, terwijl de ontginning van gronden de binnenlandse landbouwproductie kon verhogen. De exploitatie van de gronden bleek echter weinig rendabel, met financiële problemen tot gevolg.

Eind jaren twintig stond de Nederlandse economie op de rand van de afgrond. Koning Willem I vestigde zijn hoop op de eigenzinnige Van den Bosch. Aan hem de eer om een masterplan te ontwerpen dat de overheidsfinanciën uit het slop zou trekken, de synergie tussen de verschillende rijksdelen bevorderen en Nederland opnieuw – zoals in het VOC-tijdperk – een rol op het wereldtoneel bezorgen. Het Nederlandse imperium moest winstgevend worden, en snel ook. Van den Bosch presenteerde daarop een blauwdruk vol ‘bosschiaansche stokpaardjes’ voor een hernieuwd koninkrijk. Dat verbaast niet. Hij was immers een ‘gedreven schrijver en een pragmatisch denker’, zo memoreert Sens.

Mettertijd groeide Van den Bosch uit tot dé personificatie van koloniaal-Nederland. Hij werd in 1828 uitgezonden naar Suriname en de Antillen. Tegen zijn zin, zo blijkt uit dit boek. Hij had gezondheidsproblemen en vond dat zijn werkzaamheden voor de Maatschappij prioriteit moesten krijgen. Majesteit dacht daar klaarblijkelijk anders over. Eenmaal in de Cariben ontpopte Van den Bosch zich als daadkrachtig bestuurder. Sens besteedt uitgebreid aandacht aan zijn stellingname in het slavernijdebat. Dat is, gezien de toenemende belangstelling voor het slavernijverleden, niet verwonderlijk. De Nederlandse commissaris-generaal stelde zich – en dat is opvallend – gematigder op dan veel van zijn tijdgenoten. Hij was weliswaar geen abolitionist, maar vond dat de levensomstandigheden van slaven verbetering behoefden en handelde dienovereenkomstig.

Net terug uit ‘de West’ werd Van den Bosch door de koning naar ‘de Oost’ gestuurd. In Nederlands-Indië maakte de gouverneur-generaal furore als bedenker en uitvoerder van het – door Multatuli later zo gehekelde – Kultuurstelsel. Dat systeem bleek een gouden greep, althans voor het moederland. Na zijn repatriëring bestierde Van den Bosch vanaf 1834 het ministerie van Koloniën. Indië werd toen, in de roemruchte woorden van zijn opvolger als minister van Koloniën J.C. Baud, ‘de kurk waarop Nederland drijft’. Ondertussen groeide de kritiek op ‘zijn’ Kultuurstelsel. Van den Bosch deed echter geen concessies. Het stelsel bleef intact en werd pas enkele decennia later – na de publicatie van Max Havelaar – afgeschaft. Hij zou het niet meer meemaken. Na een hoogoplopend conflict met het parlement over de begroting voor 1840 trad Van den Bosch af. De koning liet zijn belangrijkste adviseur na enig tegenstribbelen gaan, tooide hem met de grafelijke titel en benoemde hem tot minister van Staat. Van den Bosch stierf in 1844.

In de inleiding stelt Sens dat dit boek meer is dan een biografie alleen. En inderdaad, het is ook – of misschien wel: vooral – een portret van het Koninkrijk der Nederlanden in haar opbouwfase. Sens spreidt een grote feitenkennis tentoon en reikt de lezer interessante wetenwaardigheden over de negentiende eeuw aan. Zo weet ze een intrigerend en rijkgeschakeerd tijdsbeeld te schetsen. Soms strooit de historica wel erg royaal met details. Hierdoor raakt de rode draad uit het zicht en verdwijnt Van den Bosch naar de achtergrond. Het hoofdstuk over de Maatschappij is bijvoorbeeld meer een petite histoire over het geesteskind dan een biografische vertelling over de geestelijk vader. Ook zijn de beschouwingen over het kolonialisme, evenals de beschrijvingen van familieperikelen, hier en daar wat breedsprakig. Toch zal het de lezer vermoedelijk niet storen dat de auteur af en toe een zijpad bewandelt. Sens’ betoogtrant blijft namelijk, ondanks de hoge informatiedichtheid, steeds helder en levendig. Dat is knap.

Dit boek is een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving over de Koloniën van Weldadigheid. Daarnaast is het een must voor (rechts)historici die zich bezighouden met de vroeg-koloniale staat en het Nederlands-Indische Kultuurstelsel. Kultuurstelsel en koloniale baten, het proefschrift van wijlen Cees Fasseur, gold decennialang als standaardwerk over deze thematiek. De onderhavige biografie vormt hierop een welkome moderne aanvulling. Sens biedt namelijk inzicht in de drijfveren en beweegredenen van Van den Bosch, beschrijft de sociaaleconomische aspecten van het Kultuurstelsel en heeft oog voor de soms desastreuze uitwerking ervan op de bevolking van de Indonesische archipel. Lezenswaardig is ook de epiloog. Daarin laat Sens zien dat zowel progressieve als conservatieve krachten – ‘links’ én ‘rechts’ – met Van den Bosch en zijn erfenis aan de haal zijn gegaan.

Ten slotte nog dit. Het bijeensprokkelen van de schriftelijke nalatenschap van Van den Bosch zal niet altijd eenvoudig zijn geweest. Hij liet namelijk geen memoires of dagboeken na en had ook nog eens, in de woorden van Sens, ‘een dramatisch onleesbare hand van schrijven’. Bovendien bevond een deel van het relevante materiaal zich in de koloniale archieven in Indonesië. Desalniettemin is Sens erin geslaagd een indrukwekkend bronnencorpus te verzamelen. Ze traceerde Van den Bosch’ briefwisselingen met familieleden en vrienden, zijn uitvoerig genoteerde plannen voor kolonisatieprojecten en zijn belangrijkste publicaties. Gelukkig wist ze deze te ontcijferen en zo zijn gedachtegoed voor een breder publiek toegankelijk te maken. Bovenal toont ze met dit bijzondere levensepos aan dat koloniale geschiedschrijving geen specialisatie vormt binnen de Nederlandse geschiedenis, maar daar integraal onderdeel van uitmaakt. Het is dan ook moeilijk voorstelbaar dat er weldra een betere Van den Bosch-biografie zal verschijnen.

Rowin Jansen, promovendus, Onderzoekcentrum voor Staat en Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen

Boekrecensie: Belgen, zijt gij ten strijde gereed? Militarisering in een neutrale natie, 1890-1914

Nel de Mûelenaere

Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2019. 266 p.
ISBN 978 94 6270 175 5
€49,50

In deze bewerking van haar gelijknamige proefschrift uit 2016 gaat Nel de Mûelenaere een hardnekkige mythe over het België aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog te lijf. Dat België zou een land zijn zonder militaire traditie en zonder militaire cultuur; kortom, een land waarin het militaire in het openbare leven geen enkele rol speelde. Het was daarmee in alles de tegenhanger van het wilhelminische Duitsland zijn dat het in 1914 binnenviel en daarmee de Eerste Wereldoorlog ontketende. In de Geallieerde propaganda uit die oorlog wordt België vaak afgebeeld als een vrouw of een kind, weerloos tegen de strak in het uniform gestoken, met piekhelm en martiale snor uitgeruste Pruis. Maar dat beeld, van een door en door verburgerlijkt België waarin “het militaire” op veilige afstand werd gehouden, moet dringend op de schop, betoogt de Mûelenaere in haar vlot geschreven boek. Want in de decennia voor 1914 speelde ook in België de militaire organisatie en daarmee militaire normen, waarden, cultuur en intellectuele kaders een steeds grotere rol.

Kernbegrip voor de Mûelenaere is ‘militarisering’. Dat is een nogal pejoratieve term, en bovendien één die doorgaans weinig houvast biedt: ‘militarist’ werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw te pas en te onpas gebruikt als scheldwoord voor hen die zouden ijveren voor een grotere rol van militairen en hun ideeën in de burgerlijke samenleving. Zo werd het in de Mûelenaeres onderzoeksperiode ook gebruikt, en daarmee lijkt het analytisch waardeloos. De Mûelenaere stelt daarom een herdefinitie voor, die meer recht doet aan de wederzijdse doordringen van krijgsmacht en maatschappij die eind negentiende, begin twintigste eeuw een belangrijk constituerend element van Europese samenlevingen wordt. Van een uniek-burgerlijke Belgische Sonderweg is geen sprake, stelt de Mûelenaere. Voor het eerst laat zij zien dat ook daar de samenleving ‘militariseerde’, oftewel “een reeks multidimensionale processen en praktijken [onderging] waarbij een individu gaandeweg meer gecontroleerd wordt door het militaire instituut of de militaire cultuur. Hoe meer een persoon gemilitariseerd is, hoe meer hij/zij militaire eisen, waarden en gedragsnormen als normaal en terecht beschouwd” (p. 9).

Om die processen te analyseren, kijkt de Mûelenaere naar drie verschillende vormen van ‘militarisering’, elk met eigen actoren in de hoofdrol. Allereerst werd er in deze periode in België, net als overigens in Nederland, nagedacht over de vorm van krijgsmacht. De overwinning van het Pruisische leger van goed getrainde dienstplichtigen op het Franse leger van lang dienende vrijwilligers onder leiding van adellijke officieren tijdens de oorlog van 1870-71 riep overal in Europa de vraag op of, en zo ja in hoeverre, het Pruisische voorbeeld gevolgd kon en moest worden. Al snel gingen er ook in België stemmen op om het systeem van lotingen, waarbij elk jaar een deel van de mannelijke bevolking aan een loterij moest deelnemen en alleen de ‘winnaars’ hun legerdienst moesten vervullen – tenzij ze rijk genoeg waren om iemand anders dat voor hen te laten doen – te vervangen door een systeem van persoonlijke dienstplicht. Dat zou niet alleen een grotere krijgsmacht als resultaat hebben, maar ook één waarvan alle lagen van de bevolking (en niet alleen de armsten) deel uit zouden maken. Dat was des te belangrijker, omdat in deze periode, met name uit Frankrijk, ideeën overwoeien waarbij werd gepleit om de diensttijd te gebruiken als periode van nationale hereducatie, waarin mannelijke, nationale waarden op de dienstplichtigen dienden te worden overgebracht.: Deze opvattingen werden ook in België steeds populairder.

Hoezeer (oud-)officieren zo’n dienstplichtleger ook zagen zitten, het kwam er niet. Desondanks hadden zij een militariserend effect, ook op hen die niet in de barakken hun opvoeding van peasants into Belgians genoten. Dat kwam door de eindeloze stroom propaganda die door voorstanders van persoonlijke dienstplicht in pamfletvorm over de Belgische natie werd uitgestrooid, aldus de Mûelenaere. Daarin en daardoor werd de legerkwestie steeds hechter verbonden met onder andere de internationale veiligheidssituatie, vaderlandsliefde en de angst voor de “binnenlandse vijand” (in de vorm van degeneratie en politiek extremisme). Hun acties hadden indirect ook effect op de (katholieke) regeringen van België. Zij vreesden dat een dienstplichtleger een corrumperend effect zou hebben op katholieke jonge mannen, die in de kazernes zouden bezwijken voor de verlokkingen van drank en prostitutie.

Om toch een groter leger te creëren – de regering was ook beducht voor de toenemende internationale spanning tussen Frankrijk en Duitsland – werd in 1902 een vrijwilligerssysteem ingevoerd. Maar om dat systeem te laten slagen moesten er wel vrijwilligers worden aangetrokken, en dus moest het leger niet zozeer een opvoeder (dat werd hun niet toevertrouwd), maar wel een aantrekkelijke werkgever worden. En dus werden gages verhoogd, de militaire rechtspraak hervormd en verburgerlijkt, en er kwam meer aandacht voor de (geestelijke) levensomstandigheden van de soldaten, met als gevolg meer vrijwilligers. Een mooi voorbeeld van militarisering als “meer een praktisch dan [een] ideologisch gedreven proces” (p. 119).

Een derde belangrijk element in de Mûelenaeres militariserings-these is de rol van de krijgsmacht in de openbare ruimte. Daar lijkt de auteur zich toch wat te verslikken in de al te ingewikkelde dynamiek tussen allerlei factoren en actoren, en tussen oorzaken en gevolgen. Zij stelt, niet onterecht, dat het Belgische leger, vanaf 1890 langzamerhand een steeds grotere rol kreeg in allerlei publieke vieringen van de natie, maar dat noch de nationale overheid noch, interessant genoeg, de krijgsmacht daarin bijzonder geïnteresseerd was. Het initiatief kwam van het maatschappelijk middenveld, hetzelfde middenveld dat zich vanaf de eeuwwisseling bezig ging houden met de verspreiding van het evangelie van de ‘Zweedse’ gymnastiek, die de jeugd gezonde lichamen en een gezonde geest moesten meegeven.

Dat is allemaal niet onwaar, maar welke effecten dit nu heeft gehad op de manieren waarop de krijgsmacht controle kreeg over individuen of militaire eisen, waarden en gedragsnormen werden genormaliseerd, blijft onduidelijk. Wellicht komt dat omdat de Mûelenaere wel erg veel wil – ook haar definitie van militarisering is erg, wellicht te, breed – maar ook omdat zij allerlei onderwerpen behandelt die raken aan de geschiedenissen van (banaal) nationalisme, kolonialisme, maar ook van nationale identiteit en van neutraliteit, en het daardoor onduidelijk is wat nu precies wat veroorzaakt of beïnvloedt, en welke (groepen) actoren nu op welke manier betrokken raken bij deze wel erg diverse en complexe processen.

Dit doet overigens niets af aan het belang van de Mûelenaeres boek, niet alleen voor de geschiedenis van het Belgische belle epoque en de rol van de krijgsmacht daarin, maar juist ook voor de studie naar ‘het militaire’ in de Europese samenleving en cultuur: die heeft, zo laat zij in dit uitzonderlijk vlot geschreven maar helaas niet geïllustreerde boek zien, een opvallend complexer geschiedenis dan tot nu toe, zeker in de Lage Landen, verondersteld.

Samuël Kruizinga, docent Contemporaine en Militaire Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam

Boekrecensie: Showcasing science. A history of Teylers Museum in the nineteenth century

Martin P. Weiss

Amsterdam: Amsterdam University Press, 2019. 368 p.
ISBN 978 94 6298 224 6
€105,-

Het oudste museum van Nederland, Teylers Museum in Haarlem uit 1784, biedt tegenwoordig een levendige aanblik: een schitterend gerestaureerde achttiende-eeuwse ‘Ovalen Zaal’, een samenstelsel van gebouwen uit verschillende stadia van de negentiende eeuw –alle met authentieke collecties – en daar omheen transparante, respectvolle nieuwbouw uit de jaren 1990 met moderne publieksvoorzieningen en kleine, maar zorgvuldig samengestelde wisseltentoonstellingen die de soms meer dan 200 jaar aanwezige collectiestukken extra reliëf geven.

In de jaren 50, 60 en (grotendeels) 70 van de vorige eeuw ademde het museum een andere sfeer. Menig Haarlems kind (zoals ondergetekende) heeft het toen wel eens met z’n ouders bezocht op een regenachtige zondagmiddag. Het was er stil en wat somber, gevuld met rijen geheimzinnige skeletten en stenen en onbegrijpelijke instrumenten; hoogtepunt was het verduisterde kabinetje met lichtgevende stenen. Er was geen elektrische verlichting, dus op zo’n regenachtige middag moest je weer vroeg weg, want de openingstijden waren aan de daglichtvoorziening aangepast. In de twee grote schilderijenzalen was al om een uur of drie, vier niet veel meer te onderscheiden.

Dat was ook niet zo’n bezwaar: de waardering voor negentiende-eeuwse schilderkunst bevond zich toen op een dieptepunt. De slechte financiële situatie waarin de stichting die het museum beheerde zich bevond verhinderde moderniseringen en reorganisaties, wat toen het publiek weghield maar voor de huidige museumbezoeker een geluk is. Toen in 1982 Teylers Museum een nationale status verwierf en van overheidswege financiële ondersteuning kreeg, was inmiddels het denken over (het bewaren van) musea en collecties veranderd en kreeg het museum erkenning als een uniek ‘gemusealiseerd museum’.

Maar vóór die tijd had Teylers Museum dus een periode van noodgedwongen stabiliteit gekend. Die periode was eigenlijk al begonnen in 1928, toen directeur –conservator Hendrik Lorentz overleed, of eigenlijk nog daarvóór, toen door de Eerste Wereldoorlog en het verlies van Russische aandelen door de Oktoberevolutie, Teylers’ geldmiddelen drastisch waren ingekrompen. Over de geschiedenis van het museum tot 1928 handelt het boek van Martin Weiss, een bewerking van zijn proefschrift uit 2013.

De groeiende belangstelling voor collectiegeschiedenis had al tot een aantal gedegen publicaties over Teylers Museum geleid, onder andere ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van de instelling (‘Teyler’ 1778-1978, 1978) en in 2006, toen het 250 jaar geleden was dat Pieter Teyler van der Hulst het testament ondertekende waaruit dit alles is voortgekomen (De idealen van Pieter Teyler. Een erfenis uit de verlichting, 2006). Daaruit was al bekend, dat Pieter Teyler totaal geen museum voor ogen heeft gehad als bestemming voor zijn vermogen – daar zou in 1756 ook nog niemand aan gedacht hebben – maar een studie- en collectiecentrum, in zijn eigen woonhuis, voor twee op te richten geleerde genootschappen die door een Stichting met vijf regenten of ‘Directeuren’ bestuurd werden. Weiss knoopt daar bij aan, en laat zien hoe stap voor stap dit concept verschoof.

Na de dood van Pieter Teyler in 1778 werden de genootschappen opgericht, één voor Godgeleerdheid en één voor Kunsten en Wetenschappen. Deze bestaan nog steeds. In het laatste, zogeheten Tweede Genootschap, had ook arts en natuurwetenschapper Martinus van Marum zitting als lid. Hij zou daar een dominante positie krijgen. Toen in 1784 achter het huis van Teyler de Ovale Zaal gereedkwam, oorspronkelijk bedoeld als ‘boekzaal’ voor de bibliotheekcollectie van de Stichting, was hij het die de Directeuren overtuigde om hiervoor ook een collectie fossielen en mineralen aan te kopen. Vervolgens kreeg hij voor elkaar dat er een verzameling werd aangelegd van natuurwetenschappelijke instrumenten, waarmee demonstraties voor een publiek gegeven konden worden (en waarmee hij zelf onderzoek kon doen!). In 1784 werd Van Marum benoemd als ‘Directeur’, belast met het toezicht op de wetenschappelijke collecties, naast een ‘kastelein’ als conservator van de collectie prenten en tekeningen.

Deze inhoudelijke en institutionele verschuivingen ziet Weiss weerspiegeld in de manier waarop de instelling in de archiefstukken werd aangeduid: eerst als musaeum, dat wil zeggen een plaats van samenkomst van beoefenaars van kunsten en wetenschappen, vervolgens als museum, wat meer zou verwijzen naar (ver)tonen van zaken voor een publiek. In de loop van de negentiende eeuw zou de betekenis van museum verder verschuiven naar die van ‘publieke instelling’ en voornamelijk verbonden worden met de Schone Kunsten. Dit proces, en de consequenties daarvan voor Teylers Museum, met name voor de positie van de instrumentencollectie, vormt een rode draad in het boek. Een tweede leidraad is de ontwikkeling van de natuurwetenschappen: van sociale bezigheid van bemiddelde liefhebbers naar wetenschappelijk, voor leken niet te volgen specialisme. De focus ligt op het wedervaren van de instrumentencollectie, met af en toe als bijzonder accent de ‘grote electriseermachine’, aangeschaft door Van Marum in 1784 en nog steeds beschouwd als een topstuk.

Weiss onderscheidt in de geschiedenis van het museum van 1778 tot 1928 drie hoofdperiodes, die gekarakteriseerd worden door het beleid van drie directeuren die tevens het beheer hadden over de collectie wetenschappelijke instrumenten: Martinus van Marum (1784-1837), Volkert Simon Maarten van der Willigen (1865-1878) en Hendrik Antoon Lorentz (1912-1928). Deze indeling werkt nogal verwarrend, omdat in de verschillende hoofdstukken ook uitvoerig aandacht wordt besteed aan de ‘tussenpausen’ of aan beheerders van andere collecties. Die waren vaak net zo goed interessant, bijvoorbeeld Tiberius Cornelis Winkler die Darwins On the Origin of Species in het Nederlands vertaalde. Van Marum was de grondlegger en verwoed gebruiker van de natuurkundige instrumentencollectie.

Desalniettemin was hij een diep religieus man die vond dat door wetenschappelijke experimenten meer inzicht verkregen kon worden in Gods schepping. Voorts vond hij dat wetenschapsbeoefening dienstbaar moest zijn aan het algemeen nut en de kwaliteit van het dagelijks leven moest kunnen bevorderen. Zijn religieuze overtuiging stond hem ook niet in de weg bij de vorming van de fossiele en geologische collectie, wat hij met evenveel energie gedaan schijnt te hebben als het natuurwetenschappelijk experimenteren. Deze kant van Van Marums verzamelactiviteit is overigens belicht in het proefschrift uit 2017 van Bert Sliggers (De verzamelwoede van Martinus van Marum (1750-1837) en de ouderdom van de aarde, digitaal te raadplegen).

Van der Willigen deed ook experimenteel onderzoek, maar net iets anders georiënteerd. Zijn belangstelling ging uit naar precisiemetingen, onder andere op het gebied van de optica en de astronomie. Hij deed zijn onderzoekingen ook niet, zoals Van Marum, in het museum met stukken uit de collectie, maar in een apart gebouwtje, het ‘observatorium’ dat hij in de tuin had laten oprichten. De regenten van Teylers Stichting wisten eigenlijk niet precies wat hij daar uitvoerde, en Weiss ziet dit als een teken van verdergaande professionalisering en specialisering van de natuurwetenschappen.

Veel van de instrumenten van Van Marum waren niet meer van nut voor de onderzoekingen van Van der Willigen; gelukkig had zijn voorganger Jacob Gijsbert Samuel van Breda (1839-1864) als beleid geformuleerd, dat ook ‘gedateerde’ instrumenten bewaard moesten blijven als relicten van de geschiedenis van de wetenschap. Dat was maar goed ook, want voor Hendrik Lorentz’ theoretisch onderzoek naar elektronen – waarvoor hij een speciaal laboratorium kreeg van de Teylers Stichting – hadden deze oude instrumenten totaal geen betekenis meer. Enkele ervan liet hij voor eigen doeleinden aanpassen, maar verder lijkt hij zich niet met die collectie bemoeid te hebben. Weiss gaat uitgebreid in op de motieven die deze Nobelprijswinnaar gehad kan hebben om een positie bij Teylers te aanvaarden. In elk geval toonde dit volgens hem aan dat de instelling nog steeds een zekere status had op onderzoeksgebied. Maar de instrumentencollectie was definitief een historische collectie geworden.

Haaks op dit toenemend isolement van de natuurwetenschappelijke collectie staat de groei van de kunstcollectie van Teylers Museum, die meer en meer een publiek van kunstliefhebbers en toeristen trok. In 1826-29, 1839 en 1893 werden er speciale zalen voor ingericht of bijgebouwd. Weiss relateert de museale omgang met dit groeiende nieuwe publiek aan theoretische noties van Tony Bennett (The Birth of the Museum: History, Theory, Politics, 1995) en Carol Duncan (Civilising Rituals: Inside Public Art Museums, 1995); zij gaan uit van de disciplinerende werking van (kunst)musea. De bezoeker wordt ingewijd in burgerlijke esthetische codes en daarmee in gewenst maatschappelijk gedrag. Vooral de rijke neobarokke ingangspartij en de statige vormgeving van de nieuwe museumvleugel uit 1885 worden hiermee in verband gebracht.

Wat betreft de natuurwetenschappelijke collecties kan Weiss toch niet veel anders noemen dan de inzet van ordebewakende suppoosten en het uitgeven van publieksgidsjes. Ook vernemen we weinig over het eigenlijke ‘showcasing’, de presentatie van objecten, waarschijnlijk omdat er behalve uit afbeeldingen weinig over bekend is. Uit dat beeldmateriaal zouden we kunnen afleiden dat er, met uitzondering van de schilderijenzalen, in principe weinig veranderingen plaats hebben gevonden sinds 1885. De nieuwe gemusealiseerde status van het museum brengt met zich mee, dat dat ook niet de bedoeling is en dat het verleden, in de vorm van behoud en restauratie (of reconstructie) vooralsnog de toekomst zal bepalen. Onderzoeken als deze naar de beweegredenen van negentiende-eeuwse museumconservatoren zijn daarbij een belangrijke steun.

Lieske Tibbe, onafhankelijk onderzoeker

De strijd voor vrouwenkiesrecht: verzamelrecensie

De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht
Fleur de Beaufort en Patrick van Schie

Amsterdam: Boom, 2019. 270 p.
ISBN 978 90 2442 7178
€ 25,-

Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922
Mineke Bosch

Hilversum: Verloren, 2019. 390 p.
ISBN 978 90 8704 7740
€ 35,-

De viering in 2019 van honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland heeft tot veel nieuw historisch onderzoek geïnspireerd. Dat is erg welkom, want tussen het grote aantal publicaties over de geschiedenis van de Nederlandse vrouwenbeweging die de afgelopen decennia zijn verschenen was vrouwenkiesrecht onderbelicht gebleven. Zowel De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht als Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 zijn bedoeld voor een breder publiek, dus prettig leesbaar en aantrekkelijk vormgegeven. Tegelijkertijd zijn beide boeken wel degelijk (deels) gebaseerd op nieuw onderzoek en voorzien van een notenapparaat en literatuurlijst waarop andere onderzoekers kunnen voortbouwen.

De achtergrond van de auteurs van de twee werken loopt wel uiteen. Terwijl Mineke Bosch is gespecialiseerd in de gendergeschiedenis is dat voor Fleur de Beaufort en Patrick van Schie duidelijk een nieuw terrein. De laatste twee historici zijn werkzaam bij de TeldersStichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, en hebben tot nu toe voornamelijk gepubliceerd over liberalen en liberalisme. Hun boek, blijkens het voorwoord tot stand gekomen op verzoek van het Liberaal Vrouwennetwerk van de VVD, heeft dan ook veel weg van een eerste verkenning. De auteurs willen laten zien hoe liberalen in het verleden dachten over vrouwenkiesrecht. Niet alleen in Nederland maar ook in Europa, omdat zij ook willen nagaan of het liberale denken over vrouwenkiesrecht hier afweek van wat er in de ons omringende landen gaande was. Alles bij elkaar een nogal ambitieuze doelstelling voor een werk van slechts 270 pagina’s.

Tegelijkertijd wordt in dit boek ook veel beschreven waarvan het verband met liberalen en/of liberalisme niet zo duidelijk is. Dat is meteen al het geval met het eerste hoofdstuk, dat een schets geeft van het denken over vrouwenrechten vanaf de Verlichting tot het midden van de negentiende eeuw. Het perspectief daarbij is internationaal: een aantal bekende Franse en Engelse denkers komen langs, zoals Nicolas de Condorcet, Olympe de Gouges, Mary Wollstonecraft en John Stuart Mill, met speciale aandacht voor hun ideeën over kiesrecht. Ook het bekende pamflet Ten betooge, dat de vrouwen behooren deel te hebben aan de regeering van het land (1795) van de anoniem gebleven Nederlandse auteur P.B. v. W. passeert de revue, naast de vroege Duitse feministes Luise Otto-Peters en Hedwig Dohm. Voor enigszins in de materie ingevoerde lezers is dat allemaal weinig verrassend. Maar belangrijker: de auteurs leggen niet uit wat er specifiek liberaal is aan de besproken denkbeelden over vrouwenrechten.

Een verwante vraag wordt opgeroepen door hoofdstuk twee, dat gaat over de discussies over vrouwenkiesrecht in Nederland in de periode vanaf de jaren 1880 tot 1919. De auteurs stellen dat in Nederland niet de socialisten, laat staan de confessionelen, maar de liberalen samen met de vrijzinnig-democraten de politieke groepering vormden die ‘het meest consequent’ naar vrouwenkiesrecht streefde (p. 15). De beschreven ontwikkelingen laten echter zien dat juist de rol van leden van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) (de partij die zich in 1901 afsplitste van de Liberale Unie) bij de totstandkoming daarvan groot is geweest. Was de VDB op dit punt dan misschien nog net iets liberaler dan de ‘echte’ liberale partijen (Liberale Unie en Bond van Vrije Liberalen)? Van een heldenrol van liberale politici blijkt slechts af en toe sprake, zodat ‘de liberale strijd voor vrouwenkiesrecht’ van de boektitel niet echt wordt waargemaakt. Het siert de auteurs dat ze vermelden dat zelfs in de jaren 1910 veel liberalen nog niet enthousiast waren voor vrouwenkiesrecht, maar daarmee ondergraven ze wel hun eigen stelling.

Uiteraard moet in een boek van zo’n bescheiden omvang veel worden weggelaten, maar de gemaakte keuzes zijn niet altijd goed verdedigbaar. Zo had het voor de hand gelegen om in hoofdstuk twee meer aandacht te besteden aan de debatten over kiesrechtuitbreiding in de periode tot 1885. Zoals de auteurs aanstippen (p. 46) kwam vrouwenkiesrecht in dat verband toen nauwelijks aan de orde, maar dat roept juist vragen op. Zou het zo zijn dat – ondanks die mooie (liberale?) ideeën over vrouwenrechten die in hoofdstuk een worden opgesomd – politiek tot laat in de negentiende eeuw als vanzelfsprekend werd gezien als een terrein waar vrouwen niets te zoeken hadden? Ook in de ogen van de meeste liberalen, zelfs de vooruitstrevenden onder hen, lijkt dat het geval te zijn geweest. Zij stonden op dat punt op één lijn met de grote voorman Thorbecke, die wel op termijn ‘algemeen kiesrecht’ verwachtte, maar vrouwenkiesrecht daar expliciet geen deel van zag uitmaken (zie hierover Ulla Jansz, ‘Vrouwenkiesrecht als omstreden kiesrecht onder feministen, 1870-1900’, DMT 1, nr. 3-4 (2017).

In hoofdstuk drie plaatsten de auteurs de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in Nederland in een Europese context. Eerst stellen ze de vraag of Nederland een buitenbeentje was met het tijdstip van de invoering van vrouwenkiesrecht, namelijk 1919. Ons land blijkt een middenmoter: er waren staten die er vroeger bij waren, met name in Noord-Europa, maar toch ook landen waar vrouwen tot na de Tweede Wereldoorlog moesten wachten (bijvoorbeeld Frankrijk 1944, België 1948 en Zwitserland 1971). De meerderheidsreligie in de verschillende landen (katholiek of protestants) blijkt daarbij bovendien geen doorslaggevende rol te spelen.

Verder inventariseren de auteurs de omstandigheden waaronder het vrouwenkiesrecht tot stand kwam, zoals een streven naar meer autonomie van een land, revolutiedreiging of een andersoortige crisis. Dit alles levert een informatief overzicht op, maar voert weg van het eigenlijke onderwerp van het boek, namelijk de liberale strijd voor vrouwenkiesrecht. Die komt pas weer in beeld bij een overzicht van de bondgenoten die de vrouwenkiesrechtbeweging in de parlementen van de verschillende landen wisten te krijgen. De inventarisatie van de politieke kleur van die bondgenoten leert echter dat liberalen wel een belangrijke rol speelden bij de invoering van vrouwenkiesrecht, maar in veel landen toch wel degelijk in samenwerking met socialisten. Dat laatste wijkt af van de situatie in Nederland, waar de sociaaldemocratie er het liefst zo lang mogelijk mee wachtte.

Hoofdstuk drie is gebaseerd op bestaande literatuur en dat geldt ook voor het laatste hoofdstuk, dat kort ingaat op de activiteiten van liberale vrouwen in het parlement vanaf 1918. Alleen aan hoofdstuk twee ligt eigen onderzoek ten grondslag, daar waar de auteurs per liberale partij (respectievelijk Liberale Unie en Bond van Vrije Liberalen) de verschuivende standpunten beschrijven aan de hand van partijperiodieken en vergaderverslagen. Dat is het gedeelte waarmee zij een originele bijdrage leveren aan de geschiedenis van de invoering van vrouwenkiesrecht. Jammer dat die bijdrage niet goed onderbouwt wat de auteurs in hun slotbeschouwing menen te kunnen concluderen, namelijk dat vrouwenkiesrecht voor liberalen zo’n principieel punt was dat zij in meerderheid de invoering ervan steunden.

Het streven van De Beaufort en Van Schie om de door hen beschreven standpunten van liberalen niet alleen in een bredere Nederlandse, maar ook in een Europese context te plaatsen contrasteert met de veel beperktere aanpak van Bosch. Zij beschrijft de vrouwenkiesrechtstrijd chronologisch en vanuit het perspectief van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK), de grootste en belangrijkste vrouwenkiesrechtorganisatie in Nederland. Bij haar weergave van de Nederlandse politieke context én de internationale beweging voor hetzelfde doel laat Bosch zich leiden door de eigen publicaties van de vereniging (vooral het Maandblad), dus die is van binnenuit. Vergeleken met De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht biedt haar boek Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 een veel gedetailleerder verslag, maar dan wel in de vorm van een vrij traditionele organisatiegeschiedenis. De lezer krijgt weinig aanknopingspunten om de activiteiten van de vereniging in een breder kader te bekijken, bijvoorbeeld vanuit het perspectief van de politici die het in die veertig jaar in Nederland voor het zeggen hadden.

Dat wringt met wat Bosch in de inleiding schrijft te beogen, namelijk te laten zien hoe belangrijk de strijd voor het vrouwenkiesrecht is geweest voor de politieke geschiedenis van Nederland en daarmee waard om ‘te worden geïntegreerd in het standaardverhaal’ (p. 14). In de slotbeschouwing hekelt Bosch – terecht – een politieke geschiedenis waarin het vrouwenkiesrecht ‘slechts als een voetnoot’ wordt gezien, ‘als een supplement of onschuldige toevoeging bij de echte geschiedenis van de ”finale” beslechting van schoolstrijd en ”algemeen” kiesrecht’ (p. 371). De vraag is alleen of haar nogal uitgesponnen geschiedenis van de VvVK wel het goede middel is om dat beeld te veranderen, aangezien ze meningsverschillen en verwikkelingen eerder als interne kwesties behandelt dan in wisselwerking met bredere politieke ontwikkelingen.

Een voorbeeld is de discussie over de neutraliteit van de vereniging in de jaren 1912-1913. Dat was een cruciale periode voor het vrouwenkiesrecht, omdat na een langdurige patstelling in de Nederlandse politiek de machtsverhoudingen zodanig verschoven dat er eindelijk een grondwetswijziging in zicht kwam die uitbreiding van het bestaande kiesrecht mogelijk zou maken. Daarbij ging het in eerste instantie om de invoering van algemeen mannenkiesrecht, maar de uitsluiting van vrouwen zou bij die gelegenheid meteen uit de grondwet kunnen worden geschrapt. Probleem daarbij was wel dat de vier partijen die dat samen mogelijk zouden moeten maken, dus de twee liberale partijen (de Bond van Vrije Liberalen en de Liberale Unie), de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), geen van alle de invoering van vrouwenkiesrecht even belangrijk vonden als algemeen mannenkiesrecht. Maar de schuld voor het uitblijven ervan gaven ze maar al te graag aan de tegenstanders, de confessionele partijen.

Dat bleek toen de twee liberale partijen samen met de VDB voor de verkiezingen van 1913 een stembusakkoord sloten, de ‘vrijzinnige concentratie’. Het programma daarvan eiste geen gelijkstelling in de grondwet van mannen en vrouwen wat het kiesrecht betreft, maar slechts het wegnemen van de beletselen tegen vrouwenkiesrecht. Het kiesrecht van alle volwassen mannen moest wel meteen in de grondwet worden verankerd, maar vrouwenkiesrecht kon – eventueel in een beperkte vorm, dus niet meteen voor alle volwassen vrouwen – in een later stadium worden ingevoerd. Wanneer dat zou zijn, en voor welke groep vrouwen, werd in het concentratieprogram in het midden gelaten, zodat dat geen gelijkstelling van vrouwen met mannen beloofde.

Toch besloot het VvVK-bestuur onder leiding van Aletta Jacobs, zelf sinds jaar en dag VDB-lid, de concentratiepartijen in hun verkiezingsstrijd te steunen. Bosch, die ook hier sterk leunt op haar eigen biografie van Aletta Jacobs, Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid (2005), beschrijft deze keuze als vanzelfsprekend. Dat was die echter niet, want de VvVK was vanaf de oprichting politiek neutraal en had als doel kiesrecht voor vrouwen te krijgen op dezelfde voet als op enig moment voor mannen gold. Het concentratieprogram was in strijd met dat uitgangspunt, aangezien er géén gelijkstelling in werd bepleit. De steun voor de concentratiepartijen riep binnen de vereniging dan ook felle oppositie op. Bosch suggereert dat de VvVK wel degelijk reden had tevreden te zijn, nu vrouwenkiesrecht ‘een politiek issue van betekenis’ was geworden (p. 249). Ze ziet echter over het hoofd dat de vereniging de vier partijen (de SDAP nam geen deel aan de concentratie, maar steunde haar wel) zo liet wegkomen met een vage belofte in plaats van gelijkstelling in de grondwet. En dat had gevolgen, want de voorstellen over het kiesrecht in het concentratieprogram werden – in grote lijnen – in 1917 gerealiseerd bij de zogenaamde pacificatie.

Aletta Jacobs was in 1903 aangetreden als voorzitster en was vanaf dat jaar het boegbeeld van de VvVK. Maar hoe belangrijk zij ook was, er waren veel meer mensen bij de strijd voor het vrouwenkiesrecht betrokken. Dat wordt duidelijk uit de vele portretten en groepsfoto’s in het boek, dat schitterend is vormgegeven in het formaat van een tentoonstellingscatalogus. Dat is het in zekere zin ook, want veel van de afgebeelde foto’s, schilderijen, prenten en voorwerpen waren ook te zien op de gelijknamige tentoonstelling in het Groninger Museum in de zomer van 2019. Naast de verspreid door de tekst afgedrukte illustraties zijn er ook mooie afzonderlijke beeldessays. Dat heeft te maken met een tweede doelstelling van het boek, namelijk zoveel mogelijk tonen van het propagandamateriaal en van wat Bosch ‘het kiesrechtspektakel’ noemt, namelijk de demonstraties en propagandatochten met de daarbij gebruikte borden, spandoeken en vaandels. Door de na de eeuwwisseling opkomende persfotografie is daarvan veel in beeld gebracht en overgeleverd. Alleen al door die overweldigende hoeveelheid beeldmateriaal levert Strijd! een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving van de Nederlandse vrouwenbeweging.

Ulla Jansz, onafhankelijk onderzoeker

Boekrecensie: Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen

Boekrecensie: Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen
Koolhaas-Leenders-2019-2

Boekrecensie: Tussen politiek en publiek. Politieke prenten uit een opstandige tijd, 1880-1919

Eveline Koolhaas-Grosfeld en Marij Leenders

Schiedam: Scriptum, 2019. 136 p.
ISBN 978 94 6319 166 1
€24,99

Tegenwoordig halen politici alles uit de kast om in beeld te komen bij de kiezer, van talkshows en televisiedebatten tot persoonlijke interviews en online vlogs. Politicologen spreken ook wel van een toenemende ‘mediatisering’ van de politiek. Historici benadrukken daarentegen hoe veranderlijk de verhouding tussen media en politiek is, waarin de aanwezigheid van politiek in de publiciteit steeds andere vormen aanneemt en andere reacties oproept. Wat wél vaststaat, is dat de relatie tussen politiek, publiek en media rond 1900 fundamenteel veranderde (zie bijvoorbeeld Huub Wijfjes en Gerrit Voerman, Mediatization of politics in history, 2009).

Dit geldt zeker voor Nederland, waar het parlement lange tijd een besloten en elitair karakter had. De overwegend liberale parlementariërs waren extreem terughoudend in hun verhouding tot de openbaarheid en wensten het ‘algemeen belang’ te dienen zonder ruggespraak met de kiezer in krant of kiesdistrict. Anderzijds beperkte het censuskiesrecht het aantal stemmers tot ongeveer tien procent van de mannelijke bevolking. Deze starre verhouding tussen burgers en politiek sloeg om in de jaren 1880. Nieuwe confessionele en sociaaldemocratische partijen brachten een andere vorm van politiek en kwamen op voor belangen van achtergestelde sociale groepen. Abraham Kuyper of Pieter Jelle Troelstra – van wie een prent op de omslag prijkt – deden juist hun uiterste best om kiezers voor zich te winnen en het kiesrecht te verruimen.

Tussen politiek en publiek onderzoekt deze veranderende verhouding en de afstand tussen burgers en politiek en het parlement in het bijzonder. Prenten staan centraal als cruciale schakel tussen politiek en openbaarheid in roerige tijden, zeker in een periode dat er vrijwel geen ander beeldmateriaal van politici was. Kunsthistorica Eveline Koolhaas-Grosfeld (en redacteur van De Moderne Tijd) onderzocht eerder achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlandse politieke prentkunst en historica Marij Leenders de beeldcultuur en perceptie van parlementen tijdens het interbellum. Zij stellen dat prenten in de periode tussen 1880 en 1919 bij uitstek de blik op de politiek stuurden en als unieke visuele bron inzicht bieden in veranderende percepties van de politiek.

In het bijzonder fraai vormgegeven en vlot geschreven boek passeren 82 prenten de revue. Een sterk punt is bovendien de conceptuele in plaats van chronologische indeling. Hierdoor staan juist prenten en percepties centraal, en niet politici en gebeurtenissen. Vier hoofdstukken bespreken achtereenvolgens de ontwikkeling van geïllustreerde tijdschriften, prenten van de Tweede Kamer en individuele Kamerleden, een case study van kunstenaar Pieter de Josselin de Jongs onconventionele prenten van politici, en ten slotte hoe spotprenten over kiesrechtuitbreiding ‘het volk’ verbeelden.

Pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw ontwikkelde zich geleidelijk een geïllustreerde satirische pers evenals een visuele verslaglegging van het parlement via prenten, mede door vernieuwingen in printtechniek. De vroegste geïllustreerde tijdschriften waren alle (progressief) liberaal, antisocialistisch en antiklerikaal. Rond 1900 ontstonden de eerste socialistische satirische bladen en enkele jaren later ook katholieke. De agency van spotprenttekenaars was beperkt: op de sociaaldemocratische tekenaar Albert Hahn na, bepaalde vooral de redactie de inhoud en toon van prenten. Bij de bespreking van de oplagecijfers en de ‘impact’ van de verschillende tijdschriften ontbreekt alleen een vergelijking met bijvoorbeeld krantenoplages om deze cijfers in een breder perspectief te plaatsen.

Deze opkomst van de geïllustreerde pers gebeurde tegen de achtergrond van een groeiend politiek geïnteresseerd publiek. De auteurs schetsen een ‘caleidoscopisch beeld’ van hoe tekenaars de Tweede Kamer en haar leden verbeeldden. Zij stellen dat de cartoons als ‘representatief geheel’ (p. 12) zijn geselecteerd, maar het wordt niet geheel duidelijk hoe representatief de gekozen prenten en motieven zijn voor het bredere bronnencorpus. In liberale tijdschriften verschenen karikaturen van confessionele en socialistische parlementaire nieuwkomers, maar ook behoudende liberalen werden mikpunt van een nieuwe, pittigere karikatuurstijl. Hiernaast is er ook aandacht voor de distributie van meer ‘neutrale’, waarheidsgetrouwe prentportretten van politici om te analyseren hoe burgers een beeld kregen van hun volksvertegenwoordigers.

De als historieschilder opgeleide Josselin de Jong portretteerde een heel ander beeld van de politiek. Hij toonde de informele kant van de Tweede Kamer; zijn prent van de parlementaire koffiekamer bood een ongekend intiem kijkje in het politieke bedrijf. Er is ook aandacht voor hoe hij te werk ging als parlementair prententekenaar: juist zijn schetsmatige stijl wist de persoonlijkheid van individuele Kamerleden te pakken. In deze symbiose van kunst- en politieke geschiedenis betogen de auteurs dat Josselin de Jong de afstand tussen politiek en publiek verkleinde tijdens heftige debatten over kiesrechtuitbreiding.

De kiesrechtstrijd vanaf de jaren 1880 biedt het kader voor de analyse van hoe prententekenaars begonnen ‘het volk’ te verbeelden. In liberale tijdschriften werd de afstand tussen de gevestigde politiek en het stemloze gepeupel vaak spottend uitvergroot. Katholieken werden weggezet als on-Nederlandse jezuïeten en protestanten als dwaze puriteinen. Een interessant historiografisch punt is dat de liberale pers de afstandelijke houding van liberale volksvertegenwoordigers tegenover de gepolitiseerde openbaarheid wel degelijk bekritiseerde; veel cartoons zijn te interpreteren als een ‘soort wake-up call’ (p. 93) voor liberalen om zich beter te profileren. Zowel progressief-liberale als sociaaldemocratische en confessionele tijdschriften hadden expliciet de popularisering van de politiek als doel, zij het uit politiek eigenbelang.

Het visuele weerwoord van de socialisten droeg een heel andere vorm van politiek uit. Tekenaars als Hahn brachten de tegenstelling tussen de arrogantie van de zittende macht en de macht van het getal van protesterende burgers op straat treffend in beeld. Spotprenten over vrouwenkiesrecht tonen hoe liberalen met dedain neerkeken op vrouwen, maar ook hoe de vrouwenkiesrechtbeweging zelf prenten inzette als wapen in de politieke strijd. Het is echter jammer dat de auteurs alleen aandacht hebben voor gender bij cartoons die expliciet over vrouwen gaan: wat zeggen prenten bijvoorbeeld over veranderende noties van burgerlijke mannelijkheid of überhaupt mannelijkheid in de politiek?

Tot sloten tonen Koolhaas-Grosfeld en Leenders overtuigend zowel de functie van prenten als brug tussen politiek en publiek en als opinievormende factor van belang in een tijd van grote politieke veranderingen. Dat blijkt wel uit hoezeer bijvoorbeeld Kuyper het gemis van een ‘eigen’ tekenaar als Hahn beklaagde, of het Amsterdamse verbod op het ophangen van politieke prenten bij kiosken vanwege te veel onrust.

Geregeld gaan de auteurs de vergelijking aan met Britse spotprenten, maar een internationale reflectie in de inleiding of nabeschouwing op – de rol van spotprenten en visuele media in – de veranderende percepties van de verhouding tussen politiek en electoraat rond 1900 had de Nederlandse casus verdiept en in een breder kader geplaatst. Dit terzijde biedt Tussen politiek en publiek innovatief inzicht in hoe nieuwe interpretaties vanuit verschillende hoeken over ‘de’ politiek, ‘het’ volk en relaties daartussen eind negentiende eeuw opkwamen. Het boek nodigt uit tot nader onderzoek naar ideeën en percepties over de afstand tussen Den Haag en burgers aan de hand van (visueel) bronmateriaal in andere periodes. Alleen al vanwege de prachtige, op groot formaat gedrukte spotprenten is dit boek bovendien het lezen meer dan waard.

Paul Reef, promovendus Cultuurgeschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen