Boekrecensie: Belgen, zijt gij ten strijde gereed? Militarisering in een neutrale natie, 1890-1914

Nel de Mûelenaere

Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2019. 266 p.
ISBN 978 94 6270 175 5
€49,50

In deze bewerking van haar gelijknamige proefschrift uit 2016 gaat Nel de Mûelenaere een hardnekkige mythe over het België aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog te lijf. Dat België zou een land zijn zonder militaire traditie en zonder militaire cultuur; kortom, een land waarin het militaire in het openbare leven geen enkele rol speelde. Het was daarmee in alles de tegenhanger van het wilhelminische Duitsland zijn dat het in 1914 binnenviel en daarmee de Eerste Wereldoorlog ontketende. In de Geallieerde propaganda uit die oorlog wordt België vaak afgebeeld als een vrouw of een kind, weerloos tegen de strak in het uniform gestoken, met piekhelm en martiale snor uitgeruste Pruis. Maar dat beeld, van een door en door verburgerlijkt België waarin “het militaire” op veilige afstand werd gehouden, moet dringend op de schop, betoogt de Mûelenaere in haar vlot geschreven boek. Want in de decennia voor 1914 speelde ook in België de militaire organisatie en daarmee militaire normen, waarden, cultuur en intellectuele kaders een steeds grotere rol.

Kernbegrip voor de Mûelenaere is ‘militarisering’. Dat is een nogal pejoratieve term, en bovendien één die doorgaans weinig houvast biedt: ‘militarist’ werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw te pas en te onpas gebruikt als scheldwoord voor hen die zouden ijveren voor een grotere rol van militairen en hun ideeën in de burgerlijke samenleving. Zo werd het in de Mûelenaeres onderzoeksperiode ook gebruikt, en daarmee lijkt het analytisch waardeloos. De Mûelenaere stelt daarom een herdefinitie voor, die meer recht doet aan de wederzijdse doordringen van krijgsmacht en maatschappij die eind negentiende, begin twintigste eeuw een belangrijk constituerend element van Europese samenlevingen wordt. Van een uniek-burgerlijke Belgische Sonderweg is geen sprake, stelt de Mûelenaere. Voor het eerst laat zij zien dat ook daar de samenleving ‘militariseerde’, oftewel “een reeks multidimensionale processen en praktijken [onderging] waarbij een individu gaandeweg meer gecontroleerd wordt door het militaire instituut of de militaire cultuur. Hoe meer een persoon gemilitariseerd is, hoe meer hij/zij militaire eisen, waarden en gedragsnormen als normaal en terecht beschouwd” (p. 9).

Om die processen te analyseren, kijkt de Mûelenaere naar drie verschillende vormen van ‘militarisering’, elk met eigen actoren in de hoofdrol. Allereerst werd er in deze periode in België, net als overigens in Nederland, nagedacht over de vorm van krijgsmacht. De overwinning van het Pruisische leger van goed getrainde dienstplichtigen op het Franse leger van lang dienende vrijwilligers onder leiding van adellijke officieren tijdens de oorlog van 1870-71 riep overal in Europa de vraag op of, en zo ja in hoeverre, het Pruisische voorbeeld gevolgd kon en moest worden. Al snel gingen er ook in België stemmen op om het systeem van lotingen, waarbij elk jaar een deel van de mannelijke bevolking aan een loterij moest deelnemen en alleen de ‘winnaars’ hun legerdienst moesten vervullen – tenzij ze rijk genoeg waren om iemand anders dat voor hen te laten doen – te vervangen door een systeem van persoonlijke dienstplicht. Dat zou niet alleen een grotere krijgsmacht als resultaat hebben, maar ook één waarvan alle lagen van de bevolking (en niet alleen de armsten) deel uit zouden maken. Dat was des te belangrijker, omdat in deze periode, met name uit Frankrijk, ideeën overwoeien waarbij werd gepleit om de diensttijd te gebruiken als periode van nationale hereducatie, waarin mannelijke, nationale waarden op de dienstplichtigen dienden te worden overgebracht.: Deze opvattingen werden ook in België steeds populairder.

Hoezeer (oud-)officieren zo’n dienstplichtleger ook zagen zitten, het kwam er niet. Desondanks hadden zij een militariserend effect, ook op hen die niet in de barakken hun opvoeding van peasants into Belgians genoten. Dat kwam door de eindeloze stroom propaganda die door voorstanders van persoonlijke dienstplicht in pamfletvorm over de Belgische natie werd uitgestrooid, aldus de Mûelenaere. Daarin en daardoor werd de legerkwestie steeds hechter verbonden met onder andere de internationale veiligheidssituatie, vaderlandsliefde en de angst voor de “binnenlandse vijand” (in de vorm van degeneratie en politiek extremisme). Hun acties hadden indirect ook effect op de (katholieke) regeringen van België. Zij vreesden dat een dienstplichtleger een corrumperend effect zou hebben op katholieke jonge mannen, die in de kazernes zouden bezwijken voor de verlokkingen van drank en prostitutie.

Om toch een groter leger te creëren – de regering was ook beducht voor de toenemende internationale spanning tussen Frankrijk en Duitsland – werd in 1902 een vrijwilligerssysteem ingevoerd. Maar om dat systeem te laten slagen moesten er wel vrijwilligers worden aangetrokken, en dus moest het leger niet zozeer een opvoeder (dat werd hun niet toevertrouwd), maar wel een aantrekkelijke werkgever worden. En dus werden gages verhoogd, de militaire rechtspraak hervormd en verburgerlijkt, en er kwam meer aandacht voor de (geestelijke) levensomstandigheden van de soldaten, met als gevolg meer vrijwilligers. Een mooi voorbeeld van militarisering als “meer een praktisch dan [een] ideologisch gedreven proces” (p. 119).

Een derde belangrijk element in de Mûelenaeres militariserings-these is de rol van de krijgsmacht in de openbare ruimte. Daar lijkt de auteur zich toch wat te verslikken in de al te ingewikkelde dynamiek tussen allerlei factoren en actoren, en tussen oorzaken en gevolgen. Zij stelt, niet onterecht, dat het Belgische leger, vanaf 1890 langzamerhand een steeds grotere rol kreeg in allerlei publieke vieringen van de natie, maar dat noch de nationale overheid noch, interessant genoeg, de krijgsmacht daarin bijzonder geïnteresseerd was. Het initiatief kwam van het maatschappelijk middenveld, hetzelfde middenveld dat zich vanaf de eeuwwisseling bezig ging houden met de verspreiding van het evangelie van de ‘Zweedse’ gymnastiek, die de jeugd gezonde lichamen en een gezonde geest moesten meegeven.

Dat is allemaal niet onwaar, maar welke effecten dit nu heeft gehad op de manieren waarop de krijgsmacht controle kreeg over individuen of militaire eisen, waarden en gedragsnormen werden genormaliseerd, blijft onduidelijk. Wellicht komt dat omdat de Mûelenaere wel erg veel wil – ook haar definitie van militarisering is erg, wellicht te, breed – maar ook omdat zij allerlei onderwerpen behandelt die raken aan de geschiedenissen van (banaal) nationalisme, kolonialisme, maar ook van nationale identiteit en van neutraliteit, en het daardoor onduidelijk is wat nu precies wat veroorzaakt of beïnvloedt, en welke (groepen) actoren nu op welke manier betrokken raken bij deze wel erg diverse en complexe processen.

Dit doet overigens niets af aan het belang van de Mûelenaeres boek, niet alleen voor de geschiedenis van het Belgische belle epoque en de rol van de krijgsmacht daarin, maar juist ook voor de studie naar ‘het militaire’ in de Europese samenleving en cultuur: die heeft, zo laat zij in dit uitzonderlijk vlot geschreven maar helaas niet geïllustreerde boek zien, een opvallend complexer geschiedenis dan tot nu toe, zeker in de Lage Landen, verondersteld.

Samuël Kruizinga, docent Contemporaine en Militaire Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam

Boekrecensie: De revolutie die niet doorging. De tragedie van Troelstra, november 1918

Rob Hartmans

Utrecht: Omniboek, 2018. 216 p.
ISBN 978 94 0191 340 9
€20,-

Wanneer op 11 November 1918 de leider van de Nederlandse sociaaldemocraten, Pieter Jelles Troelstra, de arbeiders oproept tot revolutie, zijn in Duitsland alle grote steden al in handen van arbeiders en soldaten. De Duitse keizer vond de dag daarvoor in Nederland zijn toevluchtsoord. Troelstra’s oproep werd vanuit de Nederlandse arbeidersklasse vooral beantwoord met een oorverdovende stilte. Hier en daar waren opstootjes en rellen, maar de door Troelstra gewenste – en door de heersende klasse gevreesde – massale opstand bleef uit. Niet in de laatste plaats door tegenwerking vanuit de bureaus van zijn eigen SDAP, wist de socialistenleider zijn eigen achterban niet te mobiliseren – om van het confessionele smaldeel der arbeiders nog maar te zwijgen. De roerige ‘Rode Week’ eindigde met een schoorvoetende Troelstra die ontkende ooit over een staatsgreep te hebben gesproken, en met een massabijeenkomst op het Malieveld ter ere van het huis Oranje.

In De revolutie die niet doorging schetst Rob Hartmans een levendig beeld van de Nederlandse samenleving tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog en toont hij de hoop op en vrees voor ‘Duitse toestanden’ die het land in november 1918 in zijn greep hielden. Daarbij sluit de teleologische titel niet geheel aan bij de strekking van zijn betoog: van een daadwerkelijk revolutionaire situatie is in deze periode in Nederland eigenlijk geen sprake. In het slotwoord, waarin de schijnbaar onvermijdelijke ‘wat-als’-vraag uitgebreid aan bod komt, blijkt de ‘tragedie van Troelstra’ uit de ondertitel vooral te slaan op diens verkeerde zelf-inschatting: ‘Troelstra was veel en kon veel, maar hij was niet de man om leiding te geven aan een revolutie.’

Het boek is gericht op een breed publiek en steekt als zodanig prima in elkaar. Zoals we van Hartmans gewend zijn, kleedt hij zijn goed leesbare verhaal aan met mooie anekdotes, aansprekende passages en fraaie afbeeldingen. Lezers die al bekend zijn met de gebeurtenissen van november 1918 zullen alleen niet veel nieuwe inzichten opdoen. Hartmans heeft geen nieuwe bronnen geraadpleegd, en baseert zich voornamelijk op bestaande literatuur en enkele kranten. Ook van nieuwe perspectieven is geen sprake: er is weinig oog voor de rol van gender, geen aandacht voor de ontwikkeling van ideeën in deze al dan niet revolutionaire periode, en de gebeurtenissen worden vooral verteld vanuit het oogpunt van de grote mannen (ministers, burgermeester, partijleiders), en een incidentele grote vrouw in de persoon van Henriette Roland Holst. Het perspectief van Nederlandse arbeiders, soldaten, huisvrouwen, werklozen of vakbonds- en partijleden blijft grotendeels buiten beschouwing.

Verder valt op dat de relatie tussen de situatie in Nederland en de revolutie in Duitsland weinig aandacht krijgt. Hartmans beschrijft weliswaar regelmatig de invloed van de gebeurtenissen in Duitsland op de publieke opinie of ervaren dreiging in Nederland, maar over wederzijdse contacten tussen SDAP en SPD – of Spartakus en SDP – wordt nergens gerept. Ook over de toch niet onbelangrijke rol van Nederlandse theoretici als Anton Pannekoek en Herman Gorter voor de radenbeweging die tijdens de revolutie in Duitsland ontstond geen woord. Een nadere blik op de gebeurtenissen in Duitsland zou laten zien dat Troelstra’s hoop op een geweldloze revolutie niet geheel onrealistisch was – zoals Hartmans stelt.

Bovendien zou een uitgebreidere ideeëngeschiedkundige vergelijking met ons buurland een extra dimensie hebben kunnen toevoegen aan Hartmans’ analyse van de ‘vergissing’ van Troelstra: wanneer de socialistenleider stelt dat er snel raden van arbeiders zullen worden opgericht door de SDAP, beseft hij niet dat dit het tegenovergestelde is van de meeste Duitse arbeiders- en soldatenraden die spontaan en vaak in zelfs weerwil van partijen en vakbonden worden opgericht. Enkele zinnen uit het ‘revolutionaire’ manifest van Troelstra’s SDAP schetsen een beeld van hun begrip van revolutie: ‘Wacht af en houdt u bereid voor het parool, dat het congres u zal geven! Toont u waardig den grooten tijd waarin gij leeft!’ In plaats van een revolutiebegrip waarin een geëmancipeerde arbeidersklasse het heft in eigen hand neemt, zoals in Duitsland, schemert in deze zinnen vooral een opvatting door van volgzame en dociele partijleden die geduldig toekijken hoe hun de revolutie gebracht wordt door de partijleiding.

Hartmans laat zien hoe contrarevolutionaire krachten vanaf het begin beter georganiseerd waren dan de verschillende linkse groepen, en dat van een echt revolutionaire stemming nooit sprake is geweest, niet in de laatste plaats omdat de Nederlandse sociaaldemocratische arbeiders binnen hun gebureaucratiseerde partij elke neiging tot eigen initiatief werd ontmoedigd. De tragedie van Troelstra is dat hij dit zelf nooit in de gaten heeft gehad.

Gaard Kets, promovendus Politicologie, Radboud Universiteit Nijmegen