August Friedrich Siegert, Der kleine Kunstfreund, olieverf op doek, 1859 (particulier bezit).

Tentoonstelling: August Friedrich Siegert

August Friedrich Siegert: de kleine wereld in de grote

De grote en de kleine wereld – op z’n laatst sinds deze lente hebben we een geheel nieuwe betrekking tot beide. Het zich terugtrekken in de privacy ruimte heeft sinds Corona voor ons huidige tijdgenoten een nieuwe dimensie. Dat dat tweehonderd jaar geleden al eens zo was, in de tijd van het Biedermeier, daarvan verhaalt de vanaf 5 juli in het B.C.Koekkoek-Huis te bezichtigende tentoonstelling.

August Friedrich Siegert (Neuwied a. Rh. 1820-1883 Düsseldorf) werd tweehonderd jaar geleden geboren en was een voorvader van de in Kleef nog steeds bekende bedrijfsleider van de schoenfabriek Hoffmann, Dr.Walther Siegert. Hij was niet alleen als professor aan de Akademie Düsseldorf een erkend kunstenaar, bovendien werd hij docent aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Net als B.C.Koekkoek vormde ook deze schilder van de Düsseldorfer Malerschule een verbinding tussen Duitsland en Nederland.

August Friedrich Siegert kwam uit een Neuwieder ondernemersfamilie en mocht op voorspraak van Friedrich Wilhelm von Schadow aan de Düsseldorfer Akademie studeren (1835-1845, met een onderbreking wegens militaire dienst). Na ettelijke reizen verbleef hij van 1848 tot 1850 in Neuwied (schilderde daar voornamelijk portretten) en verhuisde daarna definitief naar Düsseldorf. Als professor aan de Akademie (sinds 1872) en schilder met eigen atelier verwierf hij al gauw een zeer goede naam. Eerst waren het portretten, dan werden het ook historische taferelen en uitbeeldingen van sociaalkritische thema’s, beroemd werd hij tenslotte met zijn genre-schilderijen. In openbare verzamelingen bleven werken van Siegert in Neuwied, in Hannover en in Amsterdam behouden, verbluffend veel tevens in de wijdvertakte familie Siegert. Deze tentoonstelling zal nu, na een eerste expositie in het Düsseldorfer Stadtmuseum, in de historische ruimtes van het B.C.Koekkoek-Huis te zien zijn.

De familie Siegert beschikt nog over een sinds kort weer ontdekt boek met zakelijke aantekeningen en brieven, die in de catalogus, geschreven door de beide curatoren Drs. Guido de Werd en Dr. Annegret Stein, worden voorgesteld.
De expositie werd voorbereid door de kleindochter van Dr. Walther Siegert, Dr. Annegret Stein, Berlijn, en de langjarige vroegere directeur van het Städtische Museum Haus Koekkoek en van Museum Kurhaus Kleve, Drs. Guido de Werd, Keulen.
De tentoonstelling zal in het B.C.Koekkoek-Huis op 5 juli 2020 zonder officiële openingsceremonie worden geopend en is dan tot 1 november te zien.

Uitgeverij Wienand heeft een catalogus gepubliceerd, te betrekken in de museumsshop voor 34,- €.

Verzamelrecensie Nederlandse schildersdorpen

De schilders van Dongen
Ron Dirven, Monique Rakhorst en Helma van der Horst

Zwolle: WBOOKS, 2019, 180 p.
ISBN 978 94 625 8361 0
€ 22,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

De schilders van de Veluwezoom
Ulbe Anema, Jeroen Kapelle en Dick van Veelen

Zwolle: WBOOKS, 2019, 240 p.
ISBN 978 94 625 8336 8
€ 22,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

Barbizon van het Noorden.
De ontdekking van het Drentse landschap, 1850-1950
Annemiek Rens

Zwolle: WBOOKS, 2019, 240 p.
ISBN 978 94 625 8346 7
€ 25,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

In 2015 lanceerde WBOOKS (voorheen Uitgeverij Waanders) in samenwerking met diverse musea een reeks boekjes over kunstenaarskolonies en -dorpen. Tot nu toe verschenen Schilderkunst in Laren (2015), De schilders van De Ploeg (2016), Rondom de Bergense School (2016), De schilders van Drenthe (2017), De schilders van Domburg (2018), De schilders van Staphorst (2018) en ten slotte in 2019 De schilders langs de IJssel, Nunspeet Schildersdorp, en de drie hier besproken deeltjes.

De aanduiding ‘boekjes’ en ‘deeltjes’ komt misschien wat neerbuigend over. Dat is niet de bedoeling, maar komt voort uit het formaat (20 bij 20 centimeter) en de opzet ervan. Het gaat om publieksvriendelijke plaatjes- dan wel bladerboekjes, waarbij de begeleidende teksten niet meer dan de meest noodzakelijke informatie bevatten. Voor diepgravend kunsthistorisch onderzoek naar de kunstenaarskolonies is men aangewezen op eerdere publicaties, monografieën of tentoonstellingscatalogi, die in de boekjes in de respectievelijke literatuuropgaves zijn vermeld.

Tussen 1840 en 1940 moeten er zo’n tachtig kunstenaarsdorpen in Nederland zijn geweest. Honderden kunstenaars kwamen vanuit het hele land om er tijdelijk te bivakkeren of om er zich zelfs te vestigen. Ze zochten er motieven die in drukke steden ontbraken: de ongerepte natuur en het primitieve plattelandsleven. In 2004 verscheen het door Saskia de Bodt samengestelde Schildersdorpen in Nederland (Terra Lannoo BV), gekoppeld aan een tentoonstelling in Singer Laren. Hierin wordt ingegaan op het hoe en waarom kunstenaars samenschoolden in bepaalde streken of dorpen. Als gebruikelijk wordt de omstreeks 1840 gevormde schildersgroep in het Franse Barbizon genoemd als het voorbeeld voor het werken en plein air, dat mogelijk werd dankzij de uitvinding van de verftube. De Bodt gaat in op de Veluwezoom, Noorden en Kortenhoef, Katwijk, Nunspeet, Hattem, Heeze, Laren, Bergen, Domburg en Veere, Spakenburg, Staphorst en Volendam.

De reeks van WBOOKS overlapt deels met Schildersdorpen en vele andere publicaties die over de afzonderlijke pleisterplaatsen verschenen. Kennelijk is het thema nog steeds actueel. Ook de stedelingen van nu zoeken nog steeds schilderachtige plekjes op, hetzij fysiek, hetzij in de luie stoel, bladerend in de boekjes waarin te zien is hoe mooi het vroeger was.

Mijn uitgangspunt bij de bespreking van de drie deeltjes was dat ik in ieder geval de eraan gelinkte tentoonstellingen heb bezocht. Dat was zeer de moeite waard, en soms zelfs verrassend. Want hoe fraai reproducties ook mogen zijn, ze blijven hoe dan ook tweedimensionaal. Dan is er ook nog het punt van de formaten, die weliswaar bij de afbeeldingen zijn vermeld, maar desondanks niet à la minute in te schatten zijn.

De schilders van Dongen

De uitgave over het Noord-Brabantse, nabij Breda gelegen Dongen, bevat 144 afbeeldingen, verdeeld over zo’n dertig kunstenaars. De hoofdrollen zijn weggelegd voor de Amsterdammer August Allebé (1838-1927), de Groningse Hagenaar Jozef Israëls (1824-1911), de Duitser Max Liebermann (1874-1935) en de Haagse, maar in tal van andere plaatsen werkzame Suze Robertson (1855-1922).

De indeling is thematisch, beginnend met ‘De ontdekking van Dongen’, via onder meer ‘De heks van Dongen’ en ‘Van Goghs inspiratie’, eindigend met ‘Modernisering’. Het meest fascinerend is de ontdekking van het dorp. Hoe kwam het dat Dongen met zijn eenvoudige boeren- en arbeidersbevolking zo’n aantrekkingskracht had? Het antwoord ligt in het pittoreske van de stilstand, waardoor lange tijd alles bleef zoals het was: de oude boerderijen, de heidevelden, de machtige bossen, de zandduinen en de lokale bevolking.

Een andere vraag is waarom nou juist Dongen een van de vroegste kunstenaarsdorpen van Nederland was. Dat hing samen met de Belgische Opstand van 1830. Gevreesd werd dat ook Noord-Brabant zich zou afscheiden van Holland, met als gevolg een toestroom van militairen om de provincie te beschermen. Zo kwam het dat de Bredase kunstenaar Constant Huijsmans (1810-1886) zijn studie aan de academie in Antwerpen onderbrak om deel te nemen aan de grensbewaking. Tijdens zijn tochten door Brabant kwam hij in de omgeving van Dongen terecht, waar het onderwerp van soldaten op bivak op zijn pad kwam. In 1833 vervolgde Huijsmans zijn studie in Parijs, waarna hij in 1836 zijn vader opvolgde als tekenleraar aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Het spreekt voor zich dat hij met zijn leerlingen naar het door hem ontdekte Dongen trok. In 1866 werd hij leraar aan de HBS in Tilburg, waar Vincent van Gogh een van zijn leerlingen was. Het is voorstelbaar dat de leraar de liefde die Van Gogh koesterde voor het arme boerenleven heeft aangewakkerd.

Na Huijsmans volgden velen die tijdelijk in Dongen werkten. Van een echte schilderskolonie was geen sprake, het was een komen en gaan. Er is hier geen ruimte om op al die kunstenaars in te gaan, maar om de hierboven genoemde representanten kunnen we niet heen. August Allebé, de latere hoogleraar-directeur aan de Rijksacademie te Amsterdam, bezocht Dongen voor het eerst in 1865. Hij voelde zich in de schaduw gesteld van Josef Israëls, en zocht naar een uitweg. Zijn vader had als militair in Brabant gediend en hem waarschijnlijk op Dongen gewezen, wat goed uitpakte. Tien jaar lang kwam hij elke zomer terug om er schetsen te maken die de basis vormden voor zijn in het atelier geschilderde genretaferelen met een sterk verhalend, soms een beetje sprookjesachtig karakter. Een van zijn vaste modellen was ‘Vrouw Muskens’. Zij was de waardin van de herberg van de familie Muskens, waar de meeste schilders onderdak genoten. Ook een van haar dochters, Mina, heeft model gestaan voor Allebé. Hij tooide zijn modellen bij voorkeur met de kenmerkende witte Dongense muts.

Het was ook Allebé die postuum verantwoordelijk is geweest voor de titel van de tentoonstelling De heks van Dongen. Op het Brabantse platteland werd bijgeloof destijds nog serieus genomen. Het spookte, en er waarden heksen rond. Allebé noemde de regio een ‘Heksenland’ en beeldde een oude vrouw af als een toverkol. Ook andere kunstenaars zochten haar op en lieten haar poseren terwijl ze kousen stopte, koffie maalde, aan een spinnenwiel zat, hout sprokkelde of aardappels at. Op den duur sprak men van ‘de heks van Dongen’. Allebés toverkol was in werkelijkheid de bejaarde, zonderlinge Petronella Verhoeven, bijgenaamd Piet of Pietje Verhoef uit de Biezen.

Jozef Israëls, de nestor van de Haagse School, was gepreoccupeerd met de levens van minder bedeelden – zo staat hij te boek als de uitvinder van het vissersgenre. Op de tentoonstelling in Breda imponeerde een enorm schilderij, Schoenmakersfamilie aan het middagmaal (karig maal) uit 1876, in bruikleen van Glasgow Museums. Er heerst een stemming van berusting. De licht-donkerwerking is zo kunstig toegepast, dat meerdere onderdelen van het geheel blikvangers zijn. In het boek is nog een dergelijke voorstelling opgenomen, Boerengezin aan de maaltijd uit 1882, een slag kleiner, in bezit van het Van Gogh Museum.

In de publicatie wordt terecht een directe link gelegd tussen Israëls’ maaltijd-taferelen en De aardappeleters van Vincent van Gogh uit 1885. Vincent bewonderde de oudere Haagse Scholer en noemde hem ‘de boerenschilder van de eeuw’. Na in 1882 een versie van Israëls’ aardappelpikkers te hebben gezien, voltooide hij in 1885 in Nuenen het beroemde schilderij De aardappeleters, waarop anders dan bij Israëls de niets ontziende rauwe werkelijkheid in al haar facetten wordt getoond. Israëls liet zich op zijn beurt door Van Gogh inspireren, al is zijn versie van De aardappeleters uit 1903 (Den Haag, Kunstmuseum) geromantiseerd vergeleken bij het voorbeeld.

Veel aandacht is ingeruimd voor Max Liebermann, de Duitse schilder die zo ongeveer in alle publicaties over de Haagse School en de Tachtigers opduikt. Liebermann bezocht van 1871 tot 1913 ons land bijna jaarlijks en raakte bevriend met onder anderen Jan Veth en Jozef Israëls. Waarschijnlijk heeft Allebé hem de weg naar Dongen gewezen. In ieder geval was hij er meermalen aan het begin van de jaren tachtig en maakte er luchtige, impressionistische olieverfstudies van spinsters, sokken stoppende vrouwen (met Pietje als model) en kantwerksters.

Suze Robertson was en is een algemeen bewonderde kunstenares met een unieke stijl. Ze werkte met donkere, aardse kleuren, zwarte contourlijnen en een pasteuze, ruige verfopbreng. Haar onderwerpen ontleende Robertson aan het dagelijks leven en de ambachten van eenvoudige mensen, zoals ze die in Laren, Leur, Heeze en Dongen heeft gezien. Het is niet bekend hoe vaak Robertson Dongen bezocht, maar ze was er in ieder geval in 1883. Twee binnen haar oeuvre zeer belangrijke schilderijen voeren terug naar Dongen, aangezien Pietje ervoor model heeft gestaan: De kaartlegster en Oude vrouw met takkenbos. Op beide schilderijen zijn de oude vrouwen te interpreteren als geheimzinnige, heksachtige verschijningen.

Kort na 1880 moderniseerde Dongen in een rap tempo. De ambachtelijke manier van werken maakte plaats voor fabrieksmatige productie, Dongen verwerd tot een industriedorp, met vervuilende leerlooierijen (de meeste van Nederland!), schoenmakerijen en stinkende schoorstenen. De schilders die er voorheen kwamen vanwege het natuurlandschap en de authenticiteit van het dorp, hadden er niets meer te zoeken.

Als onderdeel van De heks van Breda was in het Vincent van GoghHuis in Zundert de bescheiden tentoonstelling Suze Robertson & Marenne Welten – naast Van Gogh te zien. De directeur-conservator Ton Dirven, die medeverantwoordelijk was voor de opzet van de tentoonstelling in Breda, selecteerde hiervoor veertien indrukwekkende schilderijen van Robertson. Opmerkelijk zijn twee portretten van Pietje, zittend in een bruin gewaad, de ogen half geloken, met een opengeslagen boek op haar schoot. Bijzonder is dat in een van de twee werken bladgoud is verwerkt (Gustav Klimt avant la lettre), nonchalant rondom het hoofd van het model gestrooid. Bij deze tentoonstelling is in eigen beheer de gelijknamige brochure uitgegeven (gratis), samengesteld door Ton Dirven en Anna van Leeuwen, waarin alle veertien tentoongestelde werken zijn afgebeeld.

In de beknopte literatuurlijst in De schilders van Dongen wordt de uitvoerige, wetenschappelijke oerversie van het hier besproken platenboek genoemd: Ron Dirven, Hanna Klarenbeek en Saskia de Bodt, Schilders van Dongen (Schiedam: Scriptum Art, 2008, 160 p. ISBN 978 90 5594 597 9).

De schilders van de Veluwezoom

Gemeten aan de hoeveelheid publicaties die over de Veluwezoom met de schildersdorpen Oosterbeek en Wolfheze zijn verschenen, is deze Gelderse streek veruit de meest bekende pleisterplaats voor kunstenaars die er sinds 1840 massaal in de open lucht kwamen werken. Beginnend met Schilders van den Veluwezoom van Johan Wesselink uit 1943 beslaat het onderwerp (inclusief monografieën) ruim een meter in mijn boekenkast – iets waar ik zelf met een klein aantal centimeters debet aan ben. Daar is nu dit deel uit de serie van WBOOKS aan toegevoegd.

De schilders van de Veluwezoom is in meerdere opzichten uitgebreider dan De schilders van Dongen: het telt meer pagina’s, heeft meer dan tweehonderd afbeeldingen, de tekst is uitvoeriger en de literatuuropgave veelomvattender. In eerste instantie is men geneigd te denken dat het zoveelste boek over de Veluwezoom niets nieuws te bieden heeft. De clichés over het Nederlandse Barbizon en de Wodanseiken zijn niet te vermijden, maar de drie gespecialiseerde auteurs hebben voor compacte samenvattingen gekozen, met goed resultaat.

Na de inleiding ‘Het landschap en de zes dorpen van de Veluwezoom’ volgen Deel 1, ‘De Veluwezoom ontdekt 1840-1890’, onderverdeeld in drie hoofstukken en Deel 2, ‘Blijvende bewondering, een nieuwe generatie kunstenaars 1900-1949’ waarin wordt ingegaan op de kunstenaarskolonie Renkum-Heelsum.

De inleiding, over het ontstaan van het landschap en de dorpen Oosterbeek, Wolfheze, Renkum, Doorwerth en Heelsum leest als een prettig resumé van alles wat er over deze materie bekend is. Hetzelfde geldt voor de eerste twee hoofdstukken in Deel 1, waarin voor hen die thuis zijn in het onderwerp alles weer eens op een rijtje wordt gezet.

Van de landschapschilders van het eerste uur die de Veluwezoom aandeden, Fredrik Hendrik Hendriks (1808-1865) en Johannes Warnardus Bilders (1811-1890), verdient de laatste speciale aandacht. In 1842 besloot hij om met zijn gezin vanuit Utrecht voor drie maanden naar Oosterbeek te gaan. Het werden drie jaar; daarna pendelde hij op en neer tussen Utrecht en Oosterbeek. Daar was hij de spil van een groot aantal jongere kunstenaars, onder wie zijn jong gestorven zoon Gerard (1838-1865), Anton Mauve (1838-1880) en P.C.J. Gabriël (1828-1903). Mede hierdoor geldt hij als een van de wegbereiders van de Haagse School. Ook worden de legendarische, door Bilders geïnitieerde rituelen aan de beek onder de Wodanseiken in het kort aangestipt.

Moeilijk voor hen die aan logica hechten, is het derde hoofdstuk van Deel 1, ‘Kunstenaressen in Oosterbeek’. Daarin passeren Swanida Wildrik, Maria Vos, Adriana Haanen, Anna Abrahams, Anna Wolterbeek, Sientje Mesdag-van Houten, Marie Bilders-van Bosse en Catharina Kool de revue. Maar ook komen tussen de dames door Remigius en George Gilles Haanen (als ‘broers van’), H.W. Mesdag (als ‘echtgenoot van’) en uit het niets Johannes Gijsbert Vogel, Marinus Heijl, Piet Meiners, Louis Apol en Théophile de Bock aan de orde. Deel 1 eindigt zo met Théophile de Bock in het hoofdstuk ‘Kunstenaressen’, terwijl Deel 2 met hem begint. Hoewel ik er zelf niet zwaar aan til (ik blader lekker verder) is het toch een beetje vreemd.

Deel 1 van De schilders van de Veluwezoom is een geminimaliseerde, compacte versie van het door Jeroen Kapelle (en anderen) samengestelde standaardwerk De Magie van de Veluwezoom (Arnhem: Uitgeverij Terra Lannoo BV, 2006, 255 p. ISBN 978 90 5897 470 9).

In Deel 2 wordt een nieuwe generatie kunstenaars behandeld, werkzaam in de periode 1900-1940. Dat zorgt voor verrassingen. Het verhaal begint met de Hagenaar Théophile de Bock (1851-1904), die ik altijd rekende tot de Haagse School, onder meer door zijn bijdrage aan Panorama Mesdag. Maar hij was meer dan louter schilder. De Bock was onder meer de oprichter van de Haagsche Kunstkring in 1891, die in 1892 de eerste Van Gogh-tentoonstelling organiseerde. Van 1895 tot 1902 woonde De Bock in Renkum, waar hij zich omringde met andere kunstenaars als Alexander van Ingen, Cornelis Kupers, Xeno Münninghoff, Derk Wiggers, Piet van Walcheren en Sieger Bauke.

Behalve aan deze hierboven genoemde kunstenaars wordt in De schilders van de Veluwezoom ook aandacht besteed aan een aantal bekende en minder schilders die in de twintigste eeuw al dan niet tijdelijk in de omstreken van Renkum neerstreken. Deze tweede fase van de Veluwezoom-schilders was voor mij een eyeopener, ze kwamen als zodanig nooit op mijn pad. Om een handjevol namen te noemen: Geert Grauss, Bernard Jansen, Andries Verleur, Gert Stegeman en Willem Jan Willemsen. Opmerkelijk is een Veluwelandschap van Jan Schonk (1889-1976), heel breed (39x100cm), een voorstelling die iets weg heeft van een Japanse prent. Rechts staat een grillige boom met luchtwortels, waarvan de kruin ook de linkerhelft van de compositie gedeeltelijk beslaat.

Jan Toorop (1858-1928) is er ook geweest, in Oosterbeek. In 1912 leerde hij er Miek Janssen kennen, de dochter van de eigenaar van Hotel Schoonoord. Miek was behept met de wens kunstenares te worden en was diepgelovig. Zij introduceerde Toorop in de door haar serieus beleden katholieke leer en zo kwam het dat hij in de jaren 1916-1918 een serie Kruiswegstaties voor de nabijgelegen Sint Bernulphuskerk maakte. Veel Toorop-liefhebbers haken af als op het repertoire van de kunstenaar die kon toveren met impressionisme en pointillisme, de stijve katholieke voorstellingen verschijnen. Eerder had hij prachtig werk gemaakt, ook als graficus. Een voorbeeld van zijn Whistler-achtige etstechniek zien we in een verbeelding van zijn dochtertje Charley, schelpen zoekend op het strand.

In De schilders van de Veluwezoom krijgen ook minder bekende kustrenaars een plaats. Het is ondoenlijk die nu op te sommen. De bekendste onbekende is Simon Moulijn (1866-1948), die prachtige, dromerige litho’s heeft gemaakt.

Barbizon van het Noorden. De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950.

Dit laatste van de drie door mij besproken boekjes van WBOOKS is een feestje. De tentoonstelling in Assen en het bijbehorende boekje hebben veel te bieden. Eigenlijk dacht ik dat ik het wel wist, met in het achterhoofd Egbert van Drielst (1745-1818) – de zogenaamde Drentse Hobbema –, Jan van Ravenswaay (1789-1869), Hendrikus van de Sande Bakhuysen (1795-1860) en de jongere Willem Roelofs (1822-1897), George Hendrik Breitner (1857-1923) en de Duitser Max Liebermann (1847-1935). Maar de tentoonstellingsmakers en de auteur van het boekje (Annemiek Rens) hebben evident verder gekeken dan de gebaande paden.

Alvorens naar Assen af te reizen bekeek en las ik een en ander in Schilders van Drenthe door Roel Sanders (Zuidwolde: Stichting Het Drentse Boek, 2001, 255 p. ISBN 90 6509 604 3) en was al enigszins overrompeld door het grote aantal schilders dat naar Drenthe is afgereisd om er in de vrije natuur te werken. Een stuk of wat bekende namen, maar ook schilders van wie ik nog nooit had gehoord. Het boek bleek een encyclopedie te zijn waarin meer dan driehonderd kunstenaars worden behandeld die voor korte of langere tijd in Drenthe vertoefden. Vervolgens, na Assen bezocht te hebben, kreeg ik het deeltje van WBOOKS in handen, ook weer vol verrassingen. Bovendien is ook in Barbizon van het Noorden een uitgebreide literatuurlijst opgenomen.

Het boekje bevat ruim 180 afbeeldingen, waarvan vele van kunstenaars van wie ik nog nooit had gehoord. Het was een lang gekoesterde wens van het Drents Museum om een overzicht te tonen van de ontdekking van het Drentse landschap. Dat is goed gelukt, in samenwerking met De Stichting Het Drentse Landschap. Op de tentoonstelling en in het boek komen te veel kunstwerken en namen langs om er een samenvatting van te geven. Dat zou van de lezer te veel gevraagd zijn. Dus zocht ik één nogal voorspelbaar onderwerp uit. De hunebedden.

In het besproken boekje zijn de hunebedden ondergebracht onder de noemer ‘Sporen uit het verleden’. Er zijn, zoals bekend, tientallen hunebedden in Drenthe te vinden. Dat maakt de provincie uniek. Schilders zagen het ook, de geheimzinnig op elkaar gestapelde keien die voor niets en niemand wijken. Ooit vormden de grafmonumenten een geliefd onderwerp onder wetenschappers die zich het hoofd braken over de vraag hoe men die zware stenen vervoerde en op elkaar plaatste. In de negentiende eeuw gingen schilders met het fascinerende onderwerp aan de haal. De mooiste verbeeldingen van de hunebedden, liefst met een zwerm kraaien erboven, zijn van Alexander Mollinger (1836-1867), een leerling van Willem Roelofs. Realistisch geschilderd, maar met een zweem van geheimzinnigheid.

Toen de tentoonstelling in Assen net geopend was, kwam er een Van Gogh tevoorschijn, een vroeg schilderij dat door het Van Gogh Museum samen met het Drents Museum is aangekocht. Het gaat om Onkruid verbrandende boer, geen hoogstandje in het oeuvre van Van Gogh. Het werd uiteraard meteen geïntegreerd in de tentoonstelling in Assen. Helaas moest het daar afleggen tegen de vier werken van Van Gogh die daar al hingen, te weten een tekening Veenstammen (Boston, Museum of Fine Arts), de aquarel Heide met kruiwagen (Cleveland, Museum of Art), de schilderijen Twee vrouwen in het veen en Boerderij met turfhopen (beide in Amsterdam, Van Gogh Museum).

De tentoonstellingen in Breda en Doorwerth zijn helaas voorbij, maar in Assen kan men nog tot en met 22 maart terecht.

Wiepke Loos, onafhankelijk onderzoeker en voormalig conservator Rijksmuseum
H.W. Koekkoek, de witte vlag, 1893 olieverf op doek, Stichting B.C. Koekkoek-Huis, Kleef

Tentoonstelling en boek H.W. Koekkoek

Hermanus Willem Koekkoek

Schilder en illustrator van oorlog en vrede

Tentoonstelling 10 maart t/m 30 juni 2019
B.C. Koekkoek-Haus, Kleve (Duitsland)

De voorjaarstentoonstelling in het B.C. Koekkoek-Haus toont het werk van de in de vergetelheid geraakte militair schilder H.W. Koekkoek (Amsterdam 1867- 1929 Amsterdam), een achterneef van de beroemde landschapsschilder, de in Kleve werkzame Barend Cornelis Koekkoek. Herman schilderde eigentijdse militaire voorstellingen, zowel gevechtsscenes als het kampleven, en militaire typen in hun kleurrijke uniformen uit vooral West-Europese legers. De cavalerie en artillerie, waar het paard een belangrijke plaats inneemt, hadden zijn voorkeur. Als illustrator van zich wereldwijd voordoende militaire gebeurtenissen bracht hij de tussen 1900 en 1920 afspelende oorlogen in beeld. Hij beschikte over een groot voorstellingsvermogen. Een oorlog had hij niet van nabij meegemaakt.

Zijn van hoge kwaliteit getuigende schilderijen bevinden zich in internationale particuliere en museale collecties, waaronder het Nederlandse en Britse koninklijk huis.

H.W. Koekkoek, die door zijn vader Willem Koekkoek, bekend om zijn geromantiseerde Hollandse stadsgezichten was opgeleid, woonde tot 1903 in Amsterdam, tot 1920 in Londen en tot zijn overlijden in 1929 weer in Amsterdam.

Zowel het B.C. Koekkoek-Haus als het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (Den Haag) bewaren zijn uitgebreide nalatenschap, die zijn dochter Hermie aan deze instellingen had geschonken. De tentoonstelling is gebaseerd op het onderzoek van drs Jos W.L. Hilkhuijsen, oud-conservator van het Nationaal Militair Museum (Soest, Nederland). Als eerste onderzocht hij beide archieven, waarop zijn monografie is gebaseerd.

Koekkoeks oorlogsillustraties verschenen in het weekblad The Illustrated London News. Hij bracht onder meer de Boerenoorlog, de Russisch-Japanse oorlog, de Bokser opstand en de Eerste Wereldoorlog in beeld. Voor de maandbladen Pearson’s Magazine en The Royal Magazine illustreerde hij de korte verhalen (fictie en non-fictie). Zijn vóór 1895 vervaardigde schilderijen hebben in hoofdzaak betrekking op de Frans-Pruisische oorlog (1870-1871). De nadruk op militaire typen lag tussen 1895 en 1900. Na 1920 vervaardigde hij vreedzame Hollandse waterlandschappen en geromantiseerde Hollandse stadsgezichten in de stijl van zijn vader.
De tentoonstelling laat aan de hand van niet eerder aan het publiek getoonde schilderijen en archiefmateriaal alle aspecten van Koekkoeks werk zien. De schilderijen komen hoofdzakelijk uit Nederlandse particulier bezit en uit de collecties van het Nationaal Militair Museum, Museum Jan Cunen (Oss) en het B.C. Koekkoek-Haus.
H.W. Koekkoek’s werk valt op door de natuurgetrouw weergegeven ensceneringen en de zorgvuldige uitwerking van wapenrusting. Zowel als kunstenaar en als getuige van eigentijdse gebeurtenissen zijn hij en zijn werk van grote betekenis.

Bij de tentoonstelling verschijnt de Nederlandstalige monografie Hermanus Willem Koekkoek (1867-1929). Schilder en illustrator van oorlog en vrede van drs Jos W.L. Hilkhuijsen (Uitgeverij Vantilt: Nijmegen)

Tentoonstelling J. W. Bilders in Kleef

Johannes Warnardus Bilders: Bezield landschap

19 februari t/m 25 juni 2017 in het B.C. Koekkoek-Huis te Kleef.

De in Utrecht geboren Johannes Warnardus Bilders (Utrecht 1811-1890 Oosterbeek) geldt als voorloper van de zogenoemde Haagse School van het vroege Nederlandse impressionisme. In 70 schilderijen, tekeningen en grafiek zal het oeuvre van deze tijdgenoot van Koekkoek uit Nederland voor het eerst in Duitsland worden gepresenteerd.

Bilders kreeg zijn eerste tekenlessen aan de stedelijke Tekenschool en werd lid van de kunstvereniging „Kunstliefde“. Les in schilderen heeft hij nooit gehad, hij leerde het vak door zijn contacten met collega-schilders en het bestuderen van de toonaangevende kunstenaars van zijn tijd, zoals bijvoorbeeld B.C.Koekkoek. In 1839 ondernam hij een reisje naar Duitsland en ontdekte, samen met een bevriend kunstenaar, het rivierlandschap van Rijn en Ahr. Tot 1859 volgden er nog vele verdere studiereizen naar het buurland, aan de Rijn, naar Wiesbaden (waar hij koning Willem III bezocht) en naar het Zwarte Woud.

Vanuit Utrecht ging hij ook vaak naar Gelderland om er te werken, zoals in het jaar 1840 in de omgeving van Beek en 1841 voor het eerst naar Oosterbeek bij Arnhem. Hij was zo ingenomen van die plaats met zijn heidevelden en oeroude bomen, dat hij al in het daaropvolgende jaar besloot zich hier te vestigen. Hier werd hij na verloop van tijd tot een centrale vaderfiguur voor de jonge kunstenaars die eveneens naar Oosterbeek kwamen. In navolging van de Franse kolonie van kunstenaars die in de buitenlucht schilderden werd Oosterbeek later het „Nederlandse Barbizon“ genoemd. Het late werk van Bilders weerspiegelt iets van het voorbeeld van deze Franse schilderkunst, ook al is Bilders nooit in Frankrijk geweest. Met zijn zoon Gerard samen zonden zij hun werk in naar verschillende wereldtentoonstellingen.

1858 verhuisde Bilders met zijn familie naar Amsterdam. Daar werkte hij mee aan de totstandkoming van de Galerie in Arte et Amicitiae, de belangrijkste Nederlandse kunstvereniging. Uit zijn laatste jaren dateren tekeningen in groot formaat, gemaakt met houtskool of wit en zwart krijt. Na de dood van zijn eerste vrouw en van zijn zoon Gerard leerde Bilders 1880 de schilderes Maria van Bosse kennen, die al langer van hem les had gehad, en keerde in dat jaar terug naar Oosterbeek. Samen ontdekten ze nu de aangrenzende landschappen van de Achterhoek en van de provincies Drente en Groningen. Op 79-jarige leeftijd stierf Bilders in Oosterbeek aan een longontsteking.

Deze tentoonstelling werd mogelijk gemaakt door de samenwerking met het Museum Veluwezoom, Kasteel Doorwerth en het RKD (Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis) in Den Haag. Er verschijnt een catalogus van Jeroen Kapelle en Manon van der Mullen met rijke illustraties en een samenvatting van de tekst in het Duits.