Doof, Blind, Kreupel, Krank: themadossier Jaarboek De Achttiende Eeuw 2023

Themadossier Jaarboek De Achttiende Eeuw
Deadline voorstellen: 1 augustus 2022

Met het themadossier ‘Doof, Blind, Kreupel, Krank’ wil het Jaarboek De Achttiende Eeuw in 2023 aandacht geven aan achttiende-eeuwers met een beperking. In de achttiende eeuw veranderde de beeldvorming over beperkingen en mensen met een beperking immers aanzienlijk. Enerzijds namen filosofen doofheid en blindheid als uitgangspunt voor intellectuele overdenkingen over kennis en taal, specialiseerden medici zich in aangeboren afwijkingen en schreven auteurs over de geestelijke en morele waardigheid van personages met een beperking. Anderzijds geeft de toenemende populariteit van (auto)biografieën inzicht in de ervaringen en opvattingen van mensen zelf. Sommigen leden een openbaar leven, vertelden hun verhaal en zochten gerechtigheid voor henzelf en anderen die door armoede of sociale status werden gemarginaliseerd.

We nodigen auteurs uit bijdragen te leveren die ingaan op de achttiende-eeuwse lichamelijke of zintuiglijke beperkingen vanuit historisch, literair, artistiek of filosofisch perspectief. Mogelijke onderwerpen zijn atypische lichamen, mobiliteitsbeperking, chronische pijn en ziekte, blindheid, doofheid, taal- en leermoeilijkheden en verstandelijke beperking. Hoe werden dergelijke beperkingen beleefd, bekeken en beoordeeld door achttiende-eeuwers? In welke mate en waarom werden ze herzien en verbeeld in wetenschappelijke teksten, brieven, romans, juridische documenten en visuele cultuur? Teksten dienen de lange achttiende eeuw te behandelen (1670–1830), maar er is geen geografische beperking. Stuur dus uw bijdrage in en help mee om nieuw licht te werpen op disability in de achttiende eeuw!

Geïnteresseerden kunnen tot 1 augustus 2022 een kort abstract (max. 300 woorden) insturen naar ruben.e.verwaal@durham.ac.uk en jaarboek@18e-eeuw.nl. Voordien informeel aftoetsen wordt aangemoedigd. Van de geselecteerde voorstellen worden de volledige artikelen van maximaal 6.000 woorden verwacht tegen 1 februari 2023. De artikelen worden aan redactionele peer review onderworpen.

CfP – Oorlog op afstand: de Lage Landen tussen neutraliteit en betrokkenheid

Congres Werkgroep De Moderne Tijd
Amsterdam, vrijdag 9 december 2022
Deadline voorstellen: 1 juni 2022

Ary Scheffer, De overgeblevenen van het garnizoen van Mesolonghi op het moment dat de mijn waardoor ze zullen omkomen, aangestoken wordt (1826 – Dordrechts Museum)

De Russische inval in Oekraïne veroorzaakte begin dit jaar een schokgolf in Europa. Ook in Nederland en België riepen de beelden van gewonde burgers, gebombardeerde huizen en eindeloze rijen vluchtelingen ontzetting, angst en medeleven op. Wat volgde waren solidariteitsbetuigingen, liefdadigheidsacties, huizen opengesteld voor vluchtelingen. Een enkeling vertrok zelfs vrijwillig naar het front.

Ook in de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw waren er veel ‘oorlogen op afstand’ die Nederlanders en Belgen met grote belangstelling en betrokkenheid volgden: van de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog (1821-1829) tot de Krimoorlog (1853-1856) en van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) tot de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Formeel gebeurde dit vanaf de zijlijn. Sinds de onafhankelijkheid van België in 1839 voerden beide landen immers een strikte neutraliteitspolitiek. De gedachte dat de Lage Landen een missie hadden als onpartijdige vredesbemiddelaars en voorvechters van het internationaal recht werd zelf bepalend voor hun nationale zelfbeeld. Dat er in de koloniën wél oorlogen werden gevoerd, deed overigens geen afbreuk aan deze gedachte – veel tijdgenoten beschouwden als ‘binnenlandse aangelegenheden’. Voor België kwam er een met de Eerste Wereldoorlog een abrupt einde aan de neutraliteit, voor Nederland duurde dit tot mei 1940.

Dat de regeringen van Nederland en België in de grote Europese conflicten geen partij kozen, betekende echter niet dat oorlogen op afstand de bevolking van beide landen onverschillig lieten. Integendeel, dit congres laat zien hoe formele afzijdigheid gepaard kon gaan met een sterke publieke betrokkenheid. Op welke manieren werd door diverse groepen aan dit engagement vorm gegeven? Wat waren de beweegredenen van burgers om zich in te zetten voor humanitaire hulp? Hoe beïnvloedde ‘de oorlog van anderen’ het publiek debat en hoe werd het verbeeld in de populaire cultuur? Door op deze vragen een antwoord te geven beoogt het programma niet alleen de veelzijdigheid en veranderlijkheid van de publieke betrokkenheid bij ‘oorlogen op afstand’ in kaart te brengen, maar tevens inzicht te krijgen in de rekbaarheid van het neutraliteitsbegrip in de Lage Landen.

Subthema’s die in de bijdragen mogelijk aan bod kunnen komen zijn:

  • De verbeelding van de oorlog op afstand in kunst en literatuur
  • Humanitaire hulp en opvang van vluchtelingen (Rode Kruis, opvang van Belgische vluchtelingen tijden de Eerste Wereldoorlog, liefdadigheidsacties)
  • Nederlanders in buitenlandse krijgsdienst en oorlogsvrijwilligers (Zouaven, Internationale Brigades Spaanse Burgeroorlog)
  • ‘De oorlog van anderen’ in de pers (propaganda, oorlogscorrespondentie)
  • Het spanningsveld tussen publieke partijdigheid en politieke afzijdigheid (Transvaalnationalisme, internationale boycots)
  • Economische en militaire reacties op ‘oorlogen op afstand’ (rantsoenering, mobilisatie)
  • Engagement van pacifisten en antimilitaristen
  • De angst voor oorlog in de pers en populaire cultuur (toekomstscenario’s, radio, film, fotografie)
  • De impact van oorlog op afstand op nationale zelfbeelden

Papervoorstellen over deze en andere binnen het congresthema passende onderwerpen zijn welkom. Belangstellenden kunnen een voorstel van max. 300 woorden en een (beknopte) biografische beschrijving indienen tot en met 1 juni 2022. In de tweede helft van juni wordt uitsluitsel gegeven over de selectie. Abstracts kunnen worden gezonden aan: Marjet Brolsma (m.brolsma@uva.nl)

Jaarboek Achttiende Eeuw

CfP Jaarboek De Achttiende Eeuw

Call for Papers

Themadossier Jaarboek De Achttiende Eeuw
Kennis tot Nut van ‘t Algemeen

‘Wanneer de kennisse der Natuurlyke Historien, der Schepzelen, der Konsten en Ambachten in malkander verknocht, gemeender en meer bekent waren, welk een vrucht de hooge Regenten des Lands tot welstand van haare ingezetenen daar uit zouden konnen trekken […],’ aldus Willem van Ranouw in 1719 in één van zijn tijdschriften. De overtuiging dat kennis de sleutel is tot maatschappelijke voorspoed en vooruitgang werd gemeengoed in de achttiende eeuw. Geleerde professoren, geletterde vrouwen, vernuftige ambachtslieden, innovatieve ondernemers en ambitieuze bestuurders zochten naar nieuwe kennis om de samenleving te verbeteren. ‘Nut’ werd hierbij breed begrepen—niet alleen in een economische zin, maar ook in de culturele zin van geestelijke vorming. De moderne burger ontwikkelde zich door te lezen en in genootschapsverband.

Dit themadossier gaat over de achttiende-eeuwse honger naar kennis in de breedste zin van het woord. We zijn op zoek naar artikelen over allerlei vormen van kennis en wetenschap—van medische ontwikkelingen en technische vondsten tot literaire, artistieke en religieuze kennis. We nodigen ook uitdrukkelijk bijdragen uit die kijken naar achttiende-eeuwse opvattingen óver kennis, inclusief kritische en satirische reacties op boeken- en waanwijsheid.

Geïnteresseerden kunnen tot 1 juli 2021 een kort abstract (max. 300 woorden) insturen naar f.j.dijksterhuis@utwente.nl en jaarboek@18e-eeuw.nl. Voordien informeel aftoetsen wordt aangemoedigd. Van de geselecteerde voorstellen worden de volledige artikelen van maximaal 6.000 woorden verwacht tegen 1 februari 2022. De artikelen worden aan redactionele peer review onderworpen.

Afbeelding: Ontwerp voor de decoratie Kunsten en Wetenschappen op de Noordermarkt, Jurriaan Andriessen (1795). Amsterdam: Rijksmuseum.

Toverlantaarn (Amsab-ISG)

CfP themanummer: de magische lantaarn

Call for papers

Themanummer De Moderne Tijd

Sociaal medium avant-la-lettre?
Sociale interactie met de magische lantaarn in de lage landen (1780-1940)

De magische lantaarn is een projectieapparaat dat vanaf de zeventiende eeuw ontwikkeld werd en uiteindelijk het hoogtepunt van populariteit bereikt aan het einde van de negentiende eeuw met de projectie van talloze handgemaakte, gedrukte en fotografische lichtbeelden.

Dankzij de grote verspreiding van commerciële speelgoedlantaarns wordt de magische lantaarn veelal gereduceerd tot een ontspannende vorm van huiselijk vermaak. Toch is dit slechts een topje van de ijsberg aangezien de lantaarn naast vermaak ook een populair hulpmiddel was in educatieve, propagandistische en wetenschappelijke contexten en frequent werd ingezet als informatie-, instructie-, en propagandamiddel bij uiteenlopende sociale groeperingen. Zo werden lichtbeelden op grote schaal ingezet door scholen, universiteiten, religieuze groeperingen, werkliedenverenigingen, politieke bewegingen en wetenschappelijke genootschappen. De sociale impact van dit visuele massamedium kan dan ook moeilijk worden onderschat.

Zorgvuldig samengestelde reeksen van beelden werden voorzien van bijpassende retoriek. Op die manier werden idealen en ideologieën zoals het patriarchaat, nationalisme, kolonialisme, hygiëne etc. gepromoot en dit zelfs in schijnbaar neutrale projecties van huiselijk vermaak of wetenschappelijk onderzoek. Dit themanummer wil dan ook bijdragen verzamelen die unieke collecties of diverse beeldstrategieën bespreken waarin niet louter de amusements-, informatie- of instructiewaarde van de toverlantaarn wordt aangetoond, maar ook de specifieke ideologieën en interacties die de toeschouwer mee ‘ontwikkelden’. Met aandacht voor interactieprocessen zoals ‘Bildung’, ‘civilisatie’, ‘propaganda’ of ‘zelfrepresentatie’ (self-fashioning) kan de sociale en psychologische impact van een lantaarnvoorstelling worden nagegaan.

Daarbij onderzoekt dit themanummer hoe de lantaarn voor interactie zorgde door middel van zelfontwikkeling, zelfsturing, propaganda, manipulatie, sociaal protest, verspreiding van leugens (‘fake news’)… in allerhande domeinen van de samenleving (school, ontspanningsleven, professioneel leven, politiek, gezondheid, lifestyle, marketing etc.). Zo wordt de rol van de toverlantaarn als een vroege voorloper van de huidige sociale media onderzocht.

Enkele voorbeelden van mogelijke onderwerpen met betrekking tot de lantaarn en sociale interactie zijn:

  • Personal branding van politieke leiders met behulp van de toverlantaarn;
  • Recuperatie van populaire projecties over de Franse Revolutie voor het aanwakkeren van de sociale strijd;
  • Rol van geografische educatie met lantaarnplaten in nationale identiteitsontwikkeling;
  • Promotie van het patriarchaat aan de hand van jongensstreken in slides bij de speeldgoedlantaarn;
  • Oproep tot deelname aan missiewerk aan de hand van koloniale lezingen;
  • Impact van geïllustreerde lezingen bij participatie heropbouw na de oorlog.

Abstracts van max. 300 woorden kunnen tot 15 maart 2021 worden ingestuurd naar evelien.jonckheere@uantwerpen.be. Indieners krijgen kort hierna een bericht. Volledige artikelen van max. 4.000 woorden verwacht tegen 1 juli 2021. Ook Engelstalige bijdragen zijn welkom en kunnen in overleg met de redactie naar het Nederlands vertaald worden. De artikelen worden aan redactionele en externe peer review onderworpen. Illustraties zijn meer dan welkom.

Afbeelding: Amsab-ISG

Vincent van Gogh, Nettenboetsters in de duinen, 1882. Privécollectie.

CfP themanummer: Bodem en streek in de Lage Landen

Call for papers

Themanummer De Moderne Tijd

Grond van Verbeelding. Bodem en streek in de Lage Landen

In de negentiende eeuw was er een toenemende belangstelling voor regionale cultuur en, zowel in
literatuur als beeldende kunst, voor het verbeelden van couleur locale. Het platteland vormde een
belangrijke voedingsbodem voor verschillende kunstvormen, van schilderkunst tot literatuur en
architectuur. Regionale kunstvormen, met name de regionale literatuur, werden in latere jaren echter
geassocieerd met de nazistische ‘Blut und Boden’-ideologie, waarin een relatie wordt gelegd tussen
ras en geboortegrond. De zogenaamde Heimatkunst, waarin de verhoudingen tussen mens en
omgeving vaak centraal staan, heeft hier vanzelfsprekend een slechte reputatie aan overgehouden.
Er is echter ook ruimte van een positieve interpretatie van deze relatie, waarin de nadruk wordt
gelegd op de verbintenis met de bodem als ervaring in plaats van als ideologie. Ook vandaag de dag
is er nog aandacht voor (gebrek aan) verbintenis met de grond en wordt er gepleit voor groene steden
en kringlooplandbouw: bodem blijft van politiek, cultureel en economisch belang. Wat maakte de
relatie met de (eigen) bodem voor mensen en gemeenschappen van ca. 1780-1940 betekenisvol?

De verwantschap tussen mens en grond fungeerde in de regionale kunst lang niet altijd als ideologie,
maar vormde wel regelmatig onderdeel van de beleving en verbeelding van de streek. Dit
themanummer onderzoekt de interesse in couleur locale vanuit een materieel perspectief en legt de
nadruk hierbij letterlijk op de representatie van ‘bodems’ in de Lage Landen, eventueel in comparatief
perspectief. Welke rol speelt (het idee van) de bodem in de culturele verbeelding van ca. 1780-1940?
Wat bepaalt de verhouding tussen mensen of gemeenschappen en de (lokale) grond? (Hoe) verschilt
deze verhouding tussen stad en platteland? Wordt regionale grond gezien als maakbaar,
bijvoorbeeld door droogleggen? Wat is de relatie tussen regionaal en nationaal belang bij bodem,
bijvoorbeeld wanneer regionale grond wordt ingezet als nationaal product voor het bouwen van
huizen, het bedekken van daken en de aanleg van wegen? En in hoeverre bepalen bodems en
grondsoorten, van moeras tot veenlandschappen en van zand en duingebieden tot rietvelden en
rivierklei, de verbeelding en beleving van stad en streek?

Voor dit themanummer van De Moderne Tijd zijn we op zoek naar artikelen vanuit verschillende
disciplines waarin de beleving van bodem en de relatie tussen grondsoorten en lokale en regionale
identiteit centraal staan.

Enkele voorbeelden van mogelijke onderwerpen zijn:

  • Verbeeldingen van bodem in beeldende kunst en illustratie
  • Perspectieven op bodem in wetenschap en politiek
  • Geluid van eigen bodem in (streek)muziek
  • Belevingen van (vreemde) grond in reisverhalen
  • Perspectieven op bodembescherming
  • Maakbaarheid van bodem
  • Verbanden tussen grondsoorten en regionale identiteit
  • Bodem en folklore
  • Regionale grond en nationaal belang
  • Literaire verbeeldingen van lokale grond
  • Grondsoorten en regionale architectuur
  • Verbanden tussen grond en klederdracht
  • Bodemsoorten en economische ontwikkeling
  • Grondsoorten over nationale grenzen heen
  • Bodemsoorten en cartografie

Abstracts van max. 300 woorden kunnen tot 15 januari 2021 worden ingestuurd naar Anneloek Scholten (a.scholten@let.ru.nl). Indieners krijgen hierna zo snel mogelijk bericht over de selectie. Van de
geselecteerde voorstellen worden de volledige artikelen van 4000 woorden verwacht tegen
1 mei 2021. De artikelen worden aan redactionele en externe peer review onderworpen.

Einde van de adelscultuur?

CfP: Einde van de adelscultuur?

Einde van de adelscultuur? Adellijke strategieën om te overleven (1918-1950)

Op 29 en 30 oktober 2020 houdt de Nederlands-Duitse Kring voor Adelsgeschiedenis op kasteel Doorwerth een symposium over het thema ‘Einde van de adelscultuur? Adellijke strategieën om te overleven (1918-1950)’.

De troonsafstand van de keizer in 1918 en zijn vlucht naar Nederland stortten de Duitse adel in een diepe crisis. De nieuwe grondwet van Weimar betekende zelfs de afschaffing van de adel als publieke institutie. Ook in Nederland, waar edelen sinds 1848 nauwelijks nog formele privileges genoten, had het einde van de Eerste Wereldoorlog aanzienlijke gevolgen. Adellijke families behoorden hier rond 1900 weliswaar nog altijd tot de politieke, sociale en culturele elite, maar de invoering van algemeen kiesrecht en democratisering op bijna alle maatschappelijke terreinen, de institutionele ontvlechting van adel, monarchie, kerk en leger, de crisis in de landbouw en de invoering van nieuwe belastingen leidden net als in Duitsland in de jaren 1920 en 1930 tot een ‘identiteitscrisis’ die een heroriëntatie noodzakelijk maakte. Sommige Nederlandse edellieden toonden zich sceptisch over de nieuwe democratische maatschappij. In Duitsland waren antidemocratische opvattingen onder de adel veel heftiger en ook veel wijder verbreid. De relatie tussen adel en nationaalsocialisme is nog altijd een gevoelige kwestie in de Duitse en Nederlandse geschiedschrijving.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 betekende een tweede keerpunt in de adelsgeschiedenis van de 20e eeuw. In de DDR kregen adellijke families te maken met onteigeningen en verbanningen. Veel minder bekend is de onteigening van Duitsers in Nederland op grond van een besluit uit 1944 van de regering in ballingschap met betrekking tot de confiscatie van vijandelijke vermogens. Na de oorlog bleken Nederlandse adellijke grootgrondbezitters nog nauwelijks in staat hun landgoederen bijeen te houden. De meesten van hen besloten hun kastelen en landhuizen te verkopen, onder te brengen in een stichting of over te dragen aan monumenten- of natuurbeschermingsorganisaties. De eerste initiatieven voor het behoud van kastelen en landgoederen dateren uit de periode vóór de oorlog, maar na 1945 versnelde dit proces aanzienlijk. Betekenden al deze ontwikkelingen het einde van de adelscultuur in Duitsland en Nederland?

Traditioneel richtte het adelsonderzoek zich op de periode vóór 1918. In het laatste decennium is de wetenschappelijke belangstelling voor de adelsgeschiedenis van de 20e eeuw echter sterk toegenomen. Het 6e symposium van de Duits-Nederlandse Kring voor Adelsgeschiedenis wil de positie van de adel in een ‘ontadellijkte samenleving’ vanuit een interdisciplinair en vergelijkend perspectief benaderen. Welke strategieën volgden adellijke personen, families en organisaties in Duitsland en Nederland om sociaal, politiek en cultureel te overleven ná de Eerste Wereldoorlog (de ‘Grote Catastrofe’ van de 20e eeuw)? De thematiek van het symposium beperkt zich nadrukkelijk niet slechts tot mensen en instituties. Ook de zorg voor het culturele en materiële erfgoed van de adel is een belangrijk aandachtsgebied.

Voordrachten tijdens het symposium kunnen worden gehouden in het Duits, Nederlands of Engels. Wilt u een presentatie verzorgen, dan nodigen wij u van harte uit om vóór 22 april a.s. een korte samenvatting (max. 250 woorden) te sturen naar een van onderstaande adressen. U kunt hier ook terecht voor nadere inlichtingen over het symposium.

Johan Seekles
Archivaris
Historisch Centrum Overijssel
Eikenstraat 20
8021 WX Zwolle
j.seekles@historischcentrumoverijssel.nl

Dr. Conrad Gietman
Wetenschappelijk Medewerker
Hoge Raad van Adel
Nassaulaan 2b, Den Haag
2514 JS Den Haag
gietman@hogeraadvanadel.nl

Dr. Gunnar Teske
LWL-Archivamt für Westfalen
Jahnstr. 26
D-48147 Münster
gunnar.teske@lwl.org

Voor meer informatie over de Nederlands-Duitse Kring voor Adelsgeschiedenis, zie hier.