Belgen, zijt gij ten strijde gereed? Militarisering in een neutrale natie, 1890-1914

Nel de Mûelenaere

Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2019. 266 p.
ISBN 978 94 6270 175 5
€49,50

In deze bewerking van haar gelijknamige proefschrift uit 2016 gaat Nel de Mûelenaere een hardnekkige mythe over het België aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog te lijf. Dat België zou een land zijn zonder militaire traditie en zonder militaire cultuur; kortom, een land waarin het militaire in het openbare leven geen enkele rol speelde. Het was daarmee in alles de tegenhanger van het wilhelminische Duitsland zijn dat het in 1914 binnenviel en daarmee de Eerste Wereldoorlog ontketende. In de Geallieerde propaganda uit die oorlog wordt België vaak afgebeeld als een vrouw of een kind, weerloos tegen de strak in het uniform gestoken, met piekhelm en martiale snor uitgeruste Pruis. Maar dat beeld, van een door en door verburgerlijkt België waarin “het militaire” op veilige afstand werd gehouden, moet dringend op de schop, betoogt de Mûelenaere in haar vlot geschreven boek. Want in de decennia voor 1914 speelde ook in België de militaire organisatie en daarmee militaire normen, waarden, cultuur en intellectuele kaders een steeds grotere rol.

Kernbegrip voor de Mûelenaere is ‘militarisering’. Dat is een nogal pejoratieve term, en bovendien één die doorgaans weinig houvast biedt: ‘militarist’ werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw te pas en te onpas gebruikt als scheldwoord voor hen die zouden ijveren voor een grotere rol van militairen en hun ideeën in de burgerlijke samenleving. Zo werd het in de Mûelenaeres onderzoeksperiode ook gebruikt, en daarmee lijkt het analytisch waardeloos. De Mûelenaere stelt daarom een herdefinitie voor, die meer recht doet aan de wederzijdse doordringen van krijgsmacht en maatschappij die eind negentiende, begin twintigste eeuw een belangrijk constituerend element van Europese samenlevingen wordt. Van een uniek-burgerlijke Belgische Sonderweg is geen sprake, stelt de Mûelenaere. Voor het eerst laat zij zien dat ook daar de samenleving ‘militariseerde’, oftewel “een reeks multidimensionale processen en praktijken [onderging] waarbij een individu gaandeweg meer gecontroleerd wordt door het militaire instituut of de militaire cultuur. Hoe meer een persoon gemilitariseerd is, hoe meer hij/zij militaire eisen, waarden en gedragsnormen als normaal en terecht beschouwd” (p. 9).

Om die processen te analyseren, kijkt de Mûelenaere naar drie verschillende vormen van ‘militarisering’, elk met eigen actoren in de hoofdrol. Allereerst werd er in deze periode in België, net als overigens in Nederland, nagedacht over de vorm van krijgsmacht. De overwinning van het Pruisische leger van goed getrainde dienstplichtigen op het Franse leger van lang dienende vrijwilligers onder leiding van adellijke officieren tijdens de oorlog van 1870-71 riep overal in Europa de vraag op of, en zo ja in hoeverre, het Pruisische voorbeeld gevolgd kon en moest worden. Al snel gingen er ook in België stemmen op om het systeem van lotingen, waarbij elk jaar een deel van de mannelijke bevolking aan een loterij moest deelnemen en alleen de ‘winnaars’ hun legerdienst moesten vervullen – tenzij ze rijk genoeg waren om iemand anders dat voor hen te laten doen – te vervangen door een systeem van persoonlijke dienstplicht. Dat zou niet alleen een grotere krijgsmacht als resultaat hebben, maar ook één waarvan alle lagen van de bevolking (en niet alleen de armsten) deel uit zouden maken. Dat was des te belangrijker, omdat in deze periode, met name uit Frankrijk, ideeën overwoeien waarbij werd gepleit om de diensttijd te gebruiken als periode van nationale hereducatie, waarin mannelijke, nationale waarden op de dienstplichtigen dienden te worden overgebracht.: Deze opvattingen werden ook in België steeds populairder.

Hoezeer (oud-)officieren zo’n dienstplichtleger ook zagen zitten, het kwam er niet. Desondanks hadden zij een militariserend effect, ook op hen die niet in de barakken hun opvoeding van peasants into Belgians genoten. Dat kwam door de eindeloze stroom propaganda die door voorstanders van persoonlijke dienstplicht in pamfletvorm over de Belgische natie werd uitgestrooid, aldus de Mûelenaere. Daarin en daardoor werd de legerkwestie steeds hechter verbonden met onder andere de internationale veiligheidssituatie, vaderlandsliefde en de angst voor de “binnenlandse vijand” (in de vorm van degeneratie en politiek extremisme). Hun acties hadden indirect ook effect op de (katholieke) regeringen van België. Zij vreesden dat een dienstplichtleger een corrumperend effect zou hebben op katholieke jonge mannen, die in de kazernes zouden bezwijken voor de verlokkingen van drank en prostitutie.

Om toch een groter leger te creëren – de regering was ook beducht voor de toenemende internationale spanning tussen Frankrijk en Duitsland – werd in 1902 een vrijwilligerssysteem ingevoerd. Maar om dat systeem te laten slagen moesten er wel vrijwilligers worden aangetrokken, en dus moest het leger niet zozeer een opvoeder (dat werd hun niet toevertrouwd), maar wel een aantrekkelijke werkgever worden. En dus werden gages verhoogd, de militaire rechtspraak hervormd en verburgerlijkt, en er kwam meer aandacht voor de (geestelijke) levensomstandigheden van de soldaten, met als gevolg meer vrijwilligers. Een mooi voorbeeld van militarisering als “meer een praktisch dan [een] ideologisch gedreven proces” (p. 119).

Een derde belangrijk element in de Mûelenaeres militariserings-these is de rol van de krijgsmacht in de openbare ruimte. Daar lijkt de auteur zich toch wat te verslikken in de al te ingewikkelde dynamiek tussen allerlei factoren en actoren, en tussen oorzaken en gevolgen. Zij stelt, niet onterecht, dat het Belgische leger, vanaf 1890 langzamerhand een steeds grotere rol kreeg in allerlei publieke vieringen van de natie, maar dat noch de nationale overheid noch, interessant genoeg, de krijgsmacht daarin bijzonder geïnteresseerd was. Het initiatief kwam van het maatschappelijk middenveld, hetzelfde middenveld dat zich vanaf de eeuwwisseling bezig ging houden met de verspreiding van het evangelie van de ‘Zweedse’ gymnastiek, die de jeugd gezonde lichamen en een gezonde geest moesten meegeven.

Dat is allemaal niet onwaar, maar welke effecten dit nu heeft gehad op de manieren waarop de krijgsmacht controle kreeg over individuen of militaire eisen, waarden en gedragsnormen werden genormaliseerd, blijft onduidelijk. Wellicht komt dat omdat de Mûelenaere wel erg veel wil – ook haar definitie van militarisering is erg, wellicht te, breed – maar ook omdat zij allerlei onderwerpen behandelt die raken aan de geschiedenissen van (banaal) nationalisme, kolonialisme, maar ook van nationale identiteit en van neutraliteit, en het daardoor onduidelijk is wat nu precies wat veroorzaakt of beïnvloedt, en welke (groepen) actoren nu op welke manier betrokken raken bij deze wel erg diverse en complexe processen.

Dit doet overigens niets af aan het belang van de Mûelenaeres boek, niet alleen voor de geschiedenis van het Belgische belle epoque en de rol van de krijgsmacht daarin, maar juist ook voor de studie naar ‘het militaire’ in de Europese samenleving en cultuur: die heeft, zo laat zij in dit uitzonderlijk vlot geschreven maar helaas niet geïllustreerde boek zien, een opvallend complexer geschiedenis dan tot nu toe, zeker in de Lage Landen, verondersteld.

Samuël Kruizinga, docent Contemporaine en Militaire Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam

Showcasing science. A history of Teylers Museum in the nineteenth century

Martin P. Weiss

Amsterdam: Amsterdam University Press, 2019. 368 p.
ISBN 978 94 6298 224 6
€105,-

Het oudste museum van Nederland, Teylers Museum in Haarlem uit 1784, biedt tegenwoordig een levendige aanblik: een schitterend gerestaureerde achttiende-eeuwse ‘Ovalen Zaal’, een samenstelsel van gebouwen uit verschillende stadia van de negentiende eeuw –alle met authentieke collecties – en daar omheen transparante, respectvolle nieuwbouw uit de jaren 1990 met moderne publieksvoorzieningen en kleine, maar zorgvuldig samengestelde wisseltentoonstellingen die de soms meer dan 200 jaar aanwezige collectiestukken extra reliëf geven.

In de jaren 50, 60 en (grotendeels) 70 van de vorige eeuw ademde het museum een andere sfeer. Menig Haarlems kind (zoals ondergetekende) heeft het toen wel eens met z’n ouders bezocht op een regenachtige zondagmiddag. Het was er stil en wat somber, gevuld met rijen geheimzinnige skeletten en stenen en onbegrijpelijke instrumenten; hoogtepunt was het verduisterde kabinetje met lichtgevende stenen. Er was geen elektrische verlichting, dus op zo’n regenachtige middag moest je weer vroeg weg, want de openingstijden waren aan de daglichtvoorziening aangepast. In de twee grote schilderijenzalen was al om een uur of drie, vier niet veel meer te onderscheiden.

Dat was ook niet zo’n bezwaar: de waardering voor negentiende-eeuwse schilderkunst bevond zich toen op een dieptepunt. De slechte financiële situatie waarin de stichting die het museum beheerde zich bevond verhinderde moderniseringen en reorganisaties, wat toen het publiek weghield maar voor de huidige museumbezoeker een geluk is. Toen in 1982 Teylers Museum een nationale status verwierf en van overheidswege financiële ondersteuning kreeg, was inmiddels het denken over (het bewaren van) musea en collecties veranderd en kreeg het museum erkenning als een uniek ‘gemusealiseerd museum’.

Maar vóór die tijd had Teylers Museum dus een periode van noodgedwongen stabiliteit gekend. Die periode was eigenlijk al begonnen in 1928, toen directeur –conservator Hendrik Lorentz overleed, of eigenlijk nog daarvóór, toen door de Eerste Wereldoorlog en het verlies van Russische aandelen door de Oktoberevolutie, Teylers’ geldmiddelen drastisch waren ingekrompen. Over de geschiedenis van het museum tot 1928 handelt het boek van Martin Weiss, een bewerking van zijn proefschrift uit 2013.

De groeiende belangstelling voor collectiegeschiedenis had al tot een aantal gedegen publicaties over Teylers Museum geleid, onder andere ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van de instelling (‘Teyler’ 1778-1978, 1978) en in 2006, toen het 250 jaar geleden was dat Pieter Teyler van der Hulst het testament ondertekende waaruit dit alles is voortgekomen (De idealen van Pieter Teyler. Een erfenis uit de verlichting, 2006). Daaruit was al bekend, dat Pieter Teyler totaal geen museum voor ogen heeft gehad als bestemming voor zijn vermogen – daar zou in 1756 ook nog niemand aan gedacht hebben – maar een studie- en collectiecentrum, in zijn eigen woonhuis, voor twee op te richten geleerde genootschappen die door een Stichting met vijf regenten of ‘Directeuren’ bestuurd werden. Weiss knoopt daar bij aan, en laat zien hoe stap voor stap dit concept verschoof.

Na de dood van Pieter Teyler in 1778 werden de genootschappen opgericht, één voor Godgeleerdheid en één voor Kunsten en Wetenschappen. Deze bestaan nog steeds. In het laatste, zogeheten Tweede Genootschap, had ook arts en natuurwetenschapper Martinus van Marum zitting als lid. Hij zou daar een dominante positie krijgen. Toen in 1784 achter het huis van Teyler de Ovale Zaal gereedkwam, oorspronkelijk bedoeld als ‘boekzaal’ voor de bibliotheekcollectie van de Stichting, was hij het die de Directeuren overtuigde om hiervoor ook een collectie fossielen en mineralen aan te kopen. Vervolgens kreeg hij voor elkaar dat er een verzameling werd aangelegd van natuurwetenschappelijke instrumenten, waarmee demonstraties voor een publiek gegeven konden worden (en waarmee hij zelf onderzoek kon doen!). In 1784 werd Van Marum benoemd als ‘Directeur’, belast met het toezicht op de wetenschappelijke collecties, naast een ‘kastelein’ als conservator van de collectie prenten en tekeningen.

Deze inhoudelijke en institutionele verschuivingen ziet Weiss weerspiegeld in de manier waarop de instelling in de archiefstukken werd aangeduid: eerst als musaeum, dat wil zeggen een plaats van samenkomst van beoefenaars van kunsten en wetenschappen, vervolgens als museum, wat meer zou verwijzen naar (ver)tonen van zaken voor een publiek. In de loop van de negentiende eeuw zou de betekenis van museum verder verschuiven naar die van ‘publieke instelling’ en voornamelijk verbonden worden met de Schone Kunsten. Dit proces, en de consequenties daarvan voor Teylers Museum, met name voor de positie van de instrumentencollectie, vormt een rode draad in het boek. Een tweede leidraad is de ontwikkeling van de natuurwetenschappen: van sociale bezigheid van bemiddelde liefhebbers naar wetenschappelijk, voor leken niet te volgen specialisme. De focus ligt op het wedervaren van de instrumentencollectie, met af en toe als bijzonder accent de ‘grote electriseermachine’, aangeschaft door Van Marum in 1784 en nog steeds beschouwd als een topstuk.

Weiss onderscheidt in de geschiedenis van het museum van 1778 tot 1928 drie hoofdperiodes, die gekarakteriseerd worden door het beleid van drie directeuren die tevens het beheer hadden over de collectie wetenschappelijke instrumenten: Martinus van Marum (1784-1837), Volkert Simon Maarten van der Willigen (1865-1878) en Hendrik Antoon Lorentz (1912-1928). Deze indeling werkt nogal verwarrend, omdat in de verschillende hoofdstukken ook uitvoerig aandacht wordt besteed aan de ‘tussenpausen’ of aan beheerders van andere collecties. Die waren vaak net zo goed interessant, bijvoorbeeld Tiberius Cornelis Winkler die Darwins On the Origin of Species in het Nederlands vertaalde. Van Marum was de grondlegger en verwoed gebruiker van de natuurkundige instrumentencollectie.

Desalniettemin was hij een diep religieus man die vond dat door wetenschappelijke experimenten meer inzicht verkregen kon worden in Gods schepping. Voorts vond hij dat wetenschapsbeoefening dienstbaar moest zijn aan het algemeen nut en de kwaliteit van het dagelijks leven moest kunnen bevorderen. Zijn religieuze overtuiging stond hem ook niet in de weg bij de vorming van de fossiele en geologische collectie, wat hij met evenveel energie gedaan schijnt te hebben als het natuurwetenschappelijk experimenteren. Deze kant van Van Marums verzamelactiviteit is overigens belicht in het proefschrift uit 2017 van Bert Sliggers (De verzamelwoede van Martinus van Marum (1750-1837) en de ouderdom van de aarde, digitaal te raadplegen).

Van der Willigen deed ook experimenteel onderzoek, maar net iets anders georiënteerd. Zijn belangstelling ging uit naar precisiemetingen, onder andere op het gebied van de optica en de astronomie. Hij deed zijn onderzoekingen ook niet, zoals Van Marum, in het museum met stukken uit de collectie, maar in een apart gebouwtje, het ‘observatorium’ dat hij in de tuin had laten oprichten. De regenten van Teylers Stichting wisten eigenlijk niet precies wat hij daar uitvoerde, en Weiss ziet dit als een teken van verdergaande professionalisering en specialisering van de natuurwetenschappen.

Veel van de instrumenten van Van Marum waren niet meer van nut voor de onderzoekingen van Van der Willigen; gelukkig had zijn voorganger Jacob Gijsbert Samuel van Breda (1839-1864) als beleid geformuleerd, dat ook ‘gedateerde’ instrumenten bewaard moesten blijven als relicten van de geschiedenis van de wetenschap. Dat was maar goed ook, want voor Hendrik Lorentz’ theoretisch onderzoek naar elektronen – waarvoor hij een speciaal laboratorium kreeg van de Teylers Stichting – hadden deze oude instrumenten totaal geen betekenis meer. Enkele ervan liet hij voor eigen doeleinden aanpassen, maar verder lijkt hij zich niet met die collectie bemoeid te hebben. Weiss gaat uitgebreid in op de motieven die deze Nobelprijswinnaar gehad kan hebben om een positie bij Teylers te aanvaarden. In elk geval toonde dit volgens hem aan dat de instelling nog steeds een zekere status had op onderzoeksgebied. Maar de instrumentencollectie was definitief een historische collectie geworden.

Haaks op dit toenemend isolement van de natuurwetenschappelijke collectie staat de groei van de kunstcollectie van Teylers Museum, die meer en meer een publiek van kunstliefhebbers en toeristen trok. In 1826-29, 1839 en 1893 werden er speciale zalen voor ingericht of bijgebouwd. Weiss relateert de museale omgang met dit groeiende nieuwe publiek aan theoretische noties van Tony Bennett (The Birth of the Museum: History, Theory, Politics, 1995) en Carol Duncan (Civilising Rituals: Inside Public Art Museums, 1995); zij gaan uit van de disciplinerende werking van (kunst)musea. De bezoeker wordt ingewijd in burgerlijke esthetische codes en daarmee in gewenst maatschappelijk gedrag. Vooral de rijke neobarokke ingangspartij en de statige vormgeving van de nieuwe museumvleugel uit 1885 worden hiermee in verband gebracht.

Wat betreft de natuurwetenschappelijke collecties kan Weiss toch niet veel anders noemen dan de inzet van ordebewakende suppoosten en het uitgeven van publieksgidsjes. Ook vernemen we weinig over het eigenlijke ‘showcasing’, de presentatie van objecten, waarschijnlijk omdat er behalve uit afbeeldingen weinig over bekend is. Uit dat beeldmateriaal zouden we kunnen afleiden dat er, met uitzondering van de schilderijenzalen, in principe weinig veranderingen plaats hebben gevonden sinds 1885. De nieuwe gemusealiseerde status van het museum brengt met zich mee, dat dat ook niet de bedoeling is en dat het verleden, in de vorm van behoud en restauratie (of reconstructie) vooralsnog de toekomst zal bepalen. Onderzoeken als deze naar de beweegredenen van negentiende-eeuwse museumconservatoren zijn daarbij een belangrijke steun.

Lieske Tibbe, onafhankelijk onderzoeker

De strijd voor vrouwenkiesrecht: verzamelrecensie

De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht
Fleur de Beaufort en Patrick van Schie

Amsterdam: Boom, 2019. 270 p.
ISBN 978 90 2442 7178
€ 25,-

Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922
Mineke Bosch

Hilversum: Verloren, 2019. 390 p.
ISBN 978 90 8704 7740
€ 35,-

De viering in 2019 van honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland heeft tot veel nieuw historisch onderzoek geïnspireerd. Dat is erg welkom, want tussen het grote aantal publicaties over de geschiedenis van de Nederlandse vrouwenbeweging die de afgelopen decennia zijn verschenen was vrouwenkiesrecht onderbelicht gebleven. Zowel De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht als Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 zijn bedoeld voor een breder publiek, dus prettig leesbaar en aantrekkelijk vormgegeven. Tegelijkertijd zijn beide boeken wel degelijk (deels) gebaseerd op nieuw onderzoek en voorzien van een notenapparaat en literatuurlijst waarop andere onderzoekers kunnen voortbouwen.

De achtergrond van de auteurs van de twee werken loopt wel uiteen. Terwijl Mineke Bosch is gespecialiseerd in de gendergeschiedenis is dat voor Fleur de Beaufort en Patrick van Schie duidelijk een nieuw terrein. De laatste twee historici zijn werkzaam bij de TeldersStichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, en hebben tot nu toe voornamelijk gepubliceerd over liberalen en liberalisme. Hun boek, blijkens het voorwoord tot stand gekomen op verzoek van het Liberaal Vrouwennetwerk van de VVD, heeft dan ook veel weg van een eerste verkenning. De auteurs willen laten zien hoe liberalen in het verleden dachten over vrouwenkiesrecht. Niet alleen in Nederland maar ook in Europa, omdat zij ook willen nagaan of het liberale denken over vrouwenkiesrecht hier afweek van wat er in de ons omringende landen gaande was. Alles bij elkaar een nogal ambitieuze doelstelling voor een werk van slechts 270 pagina’s.

Tegelijkertijd wordt in dit boek ook veel beschreven waarvan het verband met liberalen en/of liberalisme niet zo duidelijk is. Dat is meteen al het geval met het eerste hoofdstuk, dat een schets geeft van het denken over vrouwenrechten vanaf de Verlichting tot het midden van de negentiende eeuw. Het perspectief daarbij is internationaal: een aantal bekende Franse en Engelse denkers komen langs, zoals Nicolas de Condorcet, Olympe de Gouges, Mary Wollstonecraft en John Stuart Mill, met speciale aandacht voor hun ideeën over kiesrecht. Ook het bekende pamflet Ten betooge, dat de vrouwen behooren deel te hebben aan de regeering van het land (1795) van de anoniem gebleven Nederlandse auteur P.B. v. W. passeert de revue, naast de vroege Duitse feministes Luise Otto-Peters en Hedwig Dohm. Voor enigszins in de materie ingevoerde lezers is dat allemaal weinig verrassend. Maar belangrijker: de auteurs leggen niet uit wat er specifiek liberaal is aan de besproken denkbeelden over vrouwenrechten.

Een verwante vraag wordt opgeroepen door hoofdstuk twee, dat gaat over de discussies over vrouwenkiesrecht in Nederland in de periode vanaf de jaren 1880 tot 1919. De auteurs stellen dat in Nederland niet de socialisten, laat staan de confessionelen, maar de liberalen samen met de vrijzinnig-democraten de politieke groepering vormden die ‘het meest consequent’ naar vrouwenkiesrecht streefde (p. 15). De beschreven ontwikkelingen laten echter zien dat juist de rol van leden van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) (de partij die zich in 1901 afsplitste van de Liberale Unie) bij de totstandkoming daarvan groot is geweest. Was de VDB op dit punt dan misschien nog net iets liberaler dan de ‘echte’ liberale partijen (Liberale Unie en Bond van Vrije Liberalen)? Van een heldenrol van liberale politici blijkt slechts af en toe sprake, zodat ‘de liberale strijd voor vrouwenkiesrecht’ van de boektitel niet echt wordt waargemaakt. Het siert de auteurs dat ze vermelden dat zelfs in de jaren 1910 veel liberalen nog niet enthousiast waren voor vrouwenkiesrecht, maar daarmee ondergraven ze wel hun eigen stelling.

Uiteraard moet in een boek van zo’n bescheiden omvang veel worden weggelaten, maar de gemaakte keuzes zijn niet altijd goed verdedigbaar. Zo had het voor de hand gelegen om in hoofdstuk twee meer aandacht te besteden aan de debatten over kiesrechtuitbreiding in de periode tot 1885. Zoals de auteurs aanstippen (p. 46) kwam vrouwenkiesrecht in dat verband toen nauwelijks aan de orde, maar dat roept juist vragen op. Zou het zo zijn dat – ondanks die mooie (liberale?) ideeën over vrouwenrechten die in hoofdstuk een worden opgesomd – politiek tot laat in de negentiende eeuw als vanzelfsprekend werd gezien als een terrein waar vrouwen niets te zoeken hadden? Ook in de ogen van de meeste liberalen, zelfs de vooruitstrevenden onder hen, lijkt dat het geval te zijn geweest. Zij stonden op dat punt op één lijn met de grote voorman Thorbecke, die wel op termijn ‘algemeen kiesrecht’ verwachtte, maar vrouwenkiesrecht daar expliciet geen deel van zag uitmaken (zie hierover Ulla Jansz, ‘Vrouwenkiesrecht als omstreden kiesrecht onder feministen, 1870-1900’, DMT 1, nr. 3-4 (2017).

In hoofdstuk drie plaatsten de auteurs de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in Nederland in een Europese context. Eerst stellen ze de vraag of Nederland een buitenbeentje was met het tijdstip van de invoering van vrouwenkiesrecht, namelijk 1919. Ons land blijkt een middenmoter: er waren staten die er vroeger bij waren, met name in Noord-Europa, maar toch ook landen waar vrouwen tot na de Tweede Wereldoorlog moesten wachten (bijvoorbeeld Frankrijk 1944, België 1948 en Zwitserland 1971). De meerderheidsreligie in de verschillende landen (katholiek of protestants) blijkt daarbij bovendien geen doorslaggevende rol te spelen.

Verder inventariseren de auteurs de omstandigheden waaronder het vrouwenkiesrecht tot stand kwam, zoals een streven naar meer autonomie van een land, revolutiedreiging of een andersoortige crisis. Dit alles levert een informatief overzicht op, maar voert weg van het eigenlijke onderwerp van het boek, namelijk de liberale strijd voor vrouwenkiesrecht. Die komt pas weer in beeld bij een overzicht van de bondgenoten die de vrouwenkiesrechtbeweging in de parlementen van de verschillende landen wisten te krijgen. De inventarisatie van de politieke kleur van die bondgenoten leert echter dat liberalen wel een belangrijke rol speelden bij de invoering van vrouwenkiesrecht, maar in veel landen toch wel degelijk in samenwerking met socialisten. Dat laatste wijkt af van de situatie in Nederland, waar de sociaaldemocratie er het liefst zo lang mogelijk mee wachtte.

Hoofdstuk drie is gebaseerd op bestaande literatuur en dat geldt ook voor het laatste hoofdstuk, dat kort ingaat op de activiteiten van liberale vrouwen in het parlement vanaf 1918. Alleen aan hoofdstuk twee ligt eigen onderzoek ten grondslag, daar waar de auteurs per liberale partij (respectievelijk Liberale Unie en Bond van Vrije Liberalen) de verschuivende standpunten beschrijven aan de hand van partijperiodieken en vergaderverslagen. Dat is het gedeelte waarmee zij een originele bijdrage leveren aan de geschiedenis van de invoering van vrouwenkiesrecht. Jammer dat die bijdrage niet goed onderbouwt wat de auteurs in hun slotbeschouwing menen te kunnen concluderen, namelijk dat vrouwenkiesrecht voor liberalen zo’n principieel punt was dat zij in meerderheid de invoering ervan steunden.

Het streven van De Beaufort en Van Schie om de door hen beschreven standpunten van liberalen niet alleen in een bredere Nederlandse, maar ook in een Europese context te plaatsen contrasteert met de veel beperktere aanpak van Bosch. Zij beschrijft de vrouwenkiesrechtstrijd chronologisch en vanuit het perspectief van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK), de grootste en belangrijkste vrouwenkiesrechtorganisatie in Nederland. Bij haar weergave van de Nederlandse politieke context én de internationale beweging voor hetzelfde doel laat Bosch zich leiden door de eigen publicaties van de vereniging (vooral het Maandblad), dus die is van binnenuit. Vergeleken met De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht biedt haar boek Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 een veel gedetailleerder verslag, maar dan wel in de vorm van een vrij traditionele organisatiegeschiedenis. De lezer krijgt weinig aanknopingspunten om de activiteiten van de vereniging in een breder kader te bekijken, bijvoorbeeld vanuit het perspectief van de politici die het in die veertig jaar in Nederland voor het zeggen hadden.

Dat wringt met wat Bosch in de inleiding schrijft te beogen, namelijk te laten zien hoe belangrijk de strijd voor het vrouwenkiesrecht is geweest voor de politieke geschiedenis van Nederland en daarmee waard om ‘te worden geïntegreerd in het standaardverhaal’ (p. 14). In de slotbeschouwing hekelt Bosch – terecht – een politieke geschiedenis waarin het vrouwenkiesrecht ‘slechts als een voetnoot’ wordt gezien, ‘als een supplement of onschuldige toevoeging bij de echte geschiedenis van de ”finale” beslechting van schoolstrijd en ”algemeen” kiesrecht’ (p. 371). De vraag is alleen of haar nogal uitgesponnen geschiedenis van de VvVK wel het goede middel is om dat beeld te veranderen, aangezien ze meningsverschillen en verwikkelingen eerder als interne kwesties behandelt dan in wisselwerking met bredere politieke ontwikkelingen.

Een voorbeeld is de discussie over de neutraliteit van de vereniging in de jaren 1912-1913. Dat was een cruciale periode voor het vrouwenkiesrecht, omdat na een langdurige patstelling in de Nederlandse politiek de machtsverhoudingen zodanig verschoven dat er eindelijk een grondwetswijziging in zicht kwam die uitbreiding van het bestaande kiesrecht mogelijk zou maken. Daarbij ging het in eerste instantie om de invoering van algemeen mannenkiesrecht, maar de uitsluiting van vrouwen zou bij die gelegenheid meteen uit de grondwet kunnen worden geschrapt. Probleem daarbij was wel dat de vier partijen die dat samen mogelijk zouden moeten maken, dus de twee liberale partijen (de Bond van Vrije Liberalen en de Liberale Unie), de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), geen van alle de invoering van vrouwenkiesrecht even belangrijk vonden als algemeen mannenkiesrecht. Maar de schuld voor het uitblijven ervan gaven ze maar al te graag aan de tegenstanders, de confessionele partijen.

Dat bleek toen de twee liberale partijen samen met de VDB voor de verkiezingen van 1913 een stembusakkoord sloten, de ‘vrijzinnige concentratie’. Het programma daarvan eiste geen gelijkstelling in de grondwet van mannen en vrouwen wat het kiesrecht betreft, maar slechts het wegnemen van de beletselen tegen vrouwenkiesrecht. Het kiesrecht van alle volwassen mannen moest wel meteen in de grondwet worden verankerd, maar vrouwenkiesrecht kon – eventueel in een beperkte vorm, dus niet meteen voor alle volwassen vrouwen – in een later stadium worden ingevoerd. Wanneer dat zou zijn, en voor welke groep vrouwen, werd in het concentratieprogram in het midden gelaten, zodat dat geen gelijkstelling van vrouwen met mannen beloofde.

Toch besloot het VvVK-bestuur onder leiding van Aletta Jacobs, zelf sinds jaar en dag VDB-lid, de concentratiepartijen in hun verkiezingsstrijd te steunen. Bosch, die ook hier sterk leunt op haar eigen biografie van Aletta Jacobs, Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid (2005), beschrijft deze keuze als vanzelfsprekend. Dat was die echter niet, want de VvVK was vanaf de oprichting politiek neutraal en had als doel kiesrecht voor vrouwen te krijgen op dezelfde voet als op enig moment voor mannen gold. Het concentratieprogram was in strijd met dat uitgangspunt, aangezien er géén gelijkstelling in werd bepleit. De steun voor de concentratiepartijen riep binnen de vereniging dan ook felle oppositie op. Bosch suggereert dat de VvVK wel degelijk reden had tevreden te zijn, nu vrouwenkiesrecht ‘een politiek issue van betekenis’ was geworden (p. 249). Ze ziet echter over het hoofd dat de vereniging de vier partijen (de SDAP nam geen deel aan de concentratie, maar steunde haar wel) zo liet wegkomen met een vage belofte in plaats van gelijkstelling in de grondwet. En dat had gevolgen, want de voorstellen over het kiesrecht in het concentratieprogram werden – in grote lijnen – in 1917 gerealiseerd bij de zogenaamde pacificatie.

Aletta Jacobs was in 1903 aangetreden als voorzitster en was vanaf dat jaar het boegbeeld van de VvVK. Maar hoe belangrijk zij ook was, er waren veel meer mensen bij de strijd voor het vrouwenkiesrecht betrokken. Dat wordt duidelijk uit de vele portretten en groepsfoto’s in het boek, dat schitterend is vormgegeven in het formaat van een tentoonstellingscatalogus. Dat is het in zekere zin ook, want veel van de afgebeelde foto’s, schilderijen, prenten en voorwerpen waren ook te zien op de gelijknamige tentoonstelling in het Groninger Museum in de zomer van 2019. Naast de verspreid door de tekst afgedrukte illustraties zijn er ook mooie afzonderlijke beeldessays. Dat heeft te maken met een tweede doelstelling van het boek, namelijk zoveel mogelijk tonen van het propagandamateriaal en van wat Bosch ‘het kiesrechtspektakel’ noemt, namelijk de demonstraties en propagandatochten met de daarbij gebruikte borden, spandoeken en vaandels. Door de na de eeuwwisseling opkomende persfotografie is daarvan veel in beeld gebracht en overgeleverd. Alleen al door die overweldigende hoeveelheid beeldmateriaal levert Strijd! een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving van de Nederlandse vrouwenbeweging.

Ulla Jansz, onafhankelijk onderzoeker

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830

Jan Wim Buisman

Nijmegen: Vantilt, 2019. 336 p.
ISBN 978 04 6003 417 5
€29,50

In 1992 promoveerde historicus Jan Wim Buisman, nu universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, op het tweedelige Tussen vroomheid en verlichting. Hierin onderzocht hij de maatschappelijke doorwerking van verlichte ideeën in Nederland in de late achttiende eeuw, met specifieke aandacht voor de invloed ervan op het religieuze denken. Hij koos er destijds voor rampen als kristallisatiepunten van deze ontwikkeling te beschouwen. Meer dan een kwart eeuw later richt hij zich in zijn nieuwste boek weer grotendeels op de relatie tussen Verlichting en religie. Ditmaal heeft hij één specifiek fenomeen gekozen om deze relatie vanuit cultuurhistorisch perspectief te bezien, namelijk onweer.

Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis, 1752-1830 valt uiteen in drie delen. De eerste twee delen, die betrekking hebben op respectievelijk ‘wetenschap en techniek’ en ‘religie’, zitten analytisch zeer goed in elkaar. Ze liggen dan ook het dichtst bij Buismans oorspronkelijke expertise. In het eerste deel staat met name de uitvinding en de popularisering van de bliksemafleider centraal. In 1752 vond de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin na experimenten met een sleutel aan een vlieger de eerste bliksemafleidende installatie uit. Buisman laat zien dat er vervolgens geen sprake was van een ‘lineair acceptatieproces’, maar dat voorstanders van de nieuwerwetse uitvinding eerst vooroordelen, terughoudendheid en vijandigheid moesten zien weg te nemen. Sceptici vroegen zich bijvoorbeeld af of het geleiden van elektriciteit niet slecht was voor de bodem of misschien zelfs tot aardbevingen zou kunnen leiden. Desondanks, en dit lijkt Buismans centrale punt te zijn, had de bliksemafleider uiteindelijk een grote impact op het denken over de relatie tussen mens, God en natuur.

In het tweede deel laat Buisman zien dat de opkomst van de bliksemafleider paste bij de ontwikkeling van een verlicht soort christendom in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van oudsher gold onweer als onheilsprofetie en vroegmoderne gelovigen ontwikkelden tal van ‘bijgelovige’ rituelen om dit onheil af te wenden. Katholieken kenden bijvoorbeeld de praktijk van het ‘weerluiden’: het luiden van de kerkklokken zou demonen verjagen en zo het onweer op afstand houden. Binnen andere, met name protestantse kringen was onweer vooral een uiting van Gods toorn en waren vroomheid en boetedoening de enige adequate reactie op donder en bliksem. In de loop van de achttiende eeuw werd het voor verlichte elites echter steeds minder gebruikelijk om onweer als een straf te zien en deed de notie van de vaderlijke, milde God zijn intrede. Middels rampspoed moedigde God ‘zijn kinderen’ aan om zich verder te ontwikkelen en toch vooral gebruik te maken van de middelen die ze geschonken werden om de natuur de baas te worden. Op deze manier werd het gebruik van de bliksemafleider theologisch gerechtvaardigd en hoefden vooruitgangsgeloof en voorzienigheidsdenken elkaar niet uit te sluiten.

In het derde deel van zijn boek, dat in tegenstelling tot de eerder delen uit slechts één hoofdstuk bestaat, gaat Buisman dieper in op de beeldvormende en artistieke aspecten van de omgang met onweer. Hij laat hij zien hoe onweer in de achttiende eeuw door kunstenaars werd ingezet als metafoor voor uiteenlopende zaken: seks, revolutie, autocratie, oorlog, artistieke inspiratie. Tegen het einde van de eeuw vond er volgens Buisman echter een overgang plaats van ‘metaforisering’ naar ‘esthetisering’ van onweer, met name door kunstenaars van de Romantiek. Ook hier speelde de bliksemafleider volgens Buisman weer een centrale rol. Om dit inzichtelijk te maken grijpt hij terug op Edmund Burke’s theorie over ‘het sublieme’, de esthetische verheerlijking van het ‘verhevene’, ofwel van onbevattelijke en angstaanjagende fenomenen. De bliksemafleider en de positieve gevolgen daarvan op risicobeheer zouden het volgens Buisman voor het eerst mogelijk maken dat het onheilspellende en overdonderende karakter van onweer beschouwd kon worden binnen een context van relatieve veiligheid.

Hoewel ik zelf geen kunsthistoricus ben, vermoed ik dat deze these iets te kort door de bocht is. Ik vraag me namelijk af hoezeer esthetisering van onweer – en rampzalige natuurfenomenen in het algemeen – specifiek gebonden was aan het tijdperk van de Romantiek. Ik denk bijvoorbeeld aan de ets van Caspar Luykens van de ontploffing van de kruittoren van Rheinberg uit 1698, waarin boven alles de overweldigende en vernietigende impact van de bliksem centraal staat. Een positieve bijkomstigheid van Buismans aandacht voor beeldvorming is evenwel dat het boek volstaat met tientallen prachtige afbeeldingen van onweer, waardoor het bij vlagen iets wegheeft van een koffietafelboek.

Onweerstaat bol van de kennis over de culturele omgang met onweer. Hierbij beweegt Buisman zich met ogenschijnlijk gemak tussen een nationaal en inter-/transnationaal perspectief, want hoewel zijn voornaamste aandacht uitgaat naar Nederland, houden de ontwikkelingen die hij beschrijft zich nauwelijks aan landsgrenzen. Hier en daar wordt de lezer wel op de proef gesteld door Buismans lange zinnen en vele bijzinnen. Bovendien verwacht hij mijns inziens een te specifieke voorkennis op het gebied van religiegeschiedenis, juist omdat Onweer een boek voor een breder publiek pretendeert te zijn. Niet iedere lezer zal meteen bekend zijn met begrippen als ‘theosofie’ en ‘piëtisme’. Daar staat gelukkig tegenover dat dit boek juist door Buismans expertise een zeer geslaagde en genuanceerde mentaliteitsgeschiedenis is geworden van één van de meest alledaagse, maar tegelijkertijd meest angstaanjagendste natuurverschijnselen die we kennen.

Fons Meijer, promovendus Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen
Koolhaas-Leenders-2019-2

Tussen politiek en publiek. Politieke prenten uit een opstandige tijd, 1880-1919

Eveline Koolhaas-Grosfeld en Marij Leenders

Schiedam: Scriptum, 2019. 136 p.
ISBN 978 94 6319 166 1
€24,99

Tegenwoordig halen politici alles uit de kast om in beeld te komen bij de kiezer, van talkshows en televisiedebatten tot persoonlijke interviews en online vlogs. Politicologen spreken ook wel van een toenemende ‘mediatisering’ van de politiek. Historici benadrukken daarentegen hoe veranderlijk de verhouding tussen media en politiek is, waarin de aanwezigheid van politiek in de publiciteit steeds andere vormen aanneemt en andere reacties oproept. Wat wél vaststaat, is dat de relatie tussen politiek, publiek en media rond 1900 fundamenteel veranderde (zie bijvoorbeeld Huub Wijfjes en Gerrit Voerman, Mediatization of politics in history, 2009).

Dit geldt zeker voor Nederland, waar het parlement lange tijd een besloten en elitair karakter had. De overwegend liberale parlementariërs waren extreem terughoudend in hun verhouding tot de openbaarheid en wensten het ‘algemeen belang’ te dienen zonder ruggespraak met de kiezer in krant of kiesdistrict. Anderzijds beperkte het censuskiesrecht het aantal stemmers tot ongeveer tien procent van de mannelijke bevolking. Deze starre verhouding tussen burgers en politiek sloeg om in de jaren 1880. Nieuwe confessionele en sociaaldemocratische partijen brachten een andere vorm van politiek en kwamen op voor belangen van achtergestelde sociale groepen. Abraham Kuyper of Pieter Jelle Troelstra – van wie een prent op de omslag prijkt – deden juist hun uiterste best om kiezers voor zich te winnen en het kiesrecht te verruimen.

Tussen politiek en publiek onderzoekt deze veranderende verhouding en de afstand tussen burgers en politiek en het parlement in het bijzonder. Prenten staan centraal als cruciale schakel tussen politiek en openbaarheid in roerige tijden, zeker in een periode dat er vrijwel geen ander beeldmateriaal van politici was. Kunsthistorica Eveline Koolhaas-Grosfeld (en redacteur van De Moderne Tijd) onderzocht eerder achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlandse politieke prentkunst en historica Marij Leenders de beeldcultuur en perceptie van parlementen tijdens het interbellum. Zij stellen dat prenten in de periode tussen 1880 en 1919 bij uitstek de blik op de politiek stuurden en als unieke visuele bron inzicht bieden in veranderende percepties van de politiek.

In het bijzonder fraai vormgegeven en vlot geschreven boek passeren 82 prenten de revue. Een sterk punt is bovendien de conceptuele in plaats van chronologische indeling. Hierdoor staan juist prenten en percepties centraal, en niet politici en gebeurtenissen. Vier hoofdstukken bespreken achtereenvolgens de ontwikkeling van geïllustreerde tijdschriften, prenten van de Tweede Kamer en individuele Kamerleden, een case study van kunstenaar Pieter de Josselin de Jongs onconventionele prenten van politici, en ten slotte hoe spotprenten over kiesrechtuitbreiding ‘het volk’ verbeelden.

Pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw ontwikkelde zich geleidelijk een geïllustreerde satirische pers evenals een visuele verslaglegging van het parlement via prenten, mede door vernieuwingen in printtechniek. De vroegste geïllustreerde tijdschriften waren alle (progressief) liberaal, antisocialistisch en antiklerikaal. Rond 1900 ontstonden de eerste socialistische satirische bladen en enkele jaren later ook katholieke. De agency van spotprenttekenaars was beperkt: op de sociaaldemocratische tekenaar Albert Hahn na, bepaalde vooral de redactie de inhoud en toon van prenten. Bij de bespreking van de oplagecijfers en de ‘impact’ van de verschillende tijdschriften ontbreekt alleen een vergelijking met bijvoorbeeld krantenoplages om deze cijfers in een breder perspectief te plaatsen.

Deze opkomst van de geïllustreerde pers gebeurde tegen de achtergrond van een groeiend politiek geïnteresseerd publiek. De auteurs schetsen een ‘caleidoscopisch beeld’ van hoe tekenaars de Tweede Kamer en haar leden verbeeldden. Zij stellen dat de cartoons als ‘representatief geheel’ (p. 12) zijn geselecteerd, maar het wordt niet geheel duidelijk hoe representatief de gekozen prenten en motieven zijn voor het bredere bronnencorpus. In liberale tijdschriften verschenen karikaturen van confessionele en socialistische parlementaire nieuwkomers, maar ook behoudende liberalen werden mikpunt van een nieuwe, pittigere karikatuurstijl. Hiernaast is er ook aandacht voor de distributie van meer ‘neutrale’, waarheidsgetrouwe prentportretten van politici om te analyseren hoe burgers een beeld kregen van hun volksvertegenwoordigers.

De als historieschilder opgeleide Josselin de Jong portretteerde een heel ander beeld van de politiek. Hij toonde de informele kant van de Tweede Kamer; zijn prent van de parlementaire koffiekamer bood een ongekend intiem kijkje in het politieke bedrijf. Er is ook aandacht voor hoe hij te werk ging als parlementair prententekenaar: juist zijn schetsmatige stijl wist de persoonlijkheid van individuele Kamerleden te pakken. In deze symbiose van kunst- en politieke geschiedenis betogen de auteurs dat Josselin de Jong de afstand tussen politiek en publiek verkleinde tijdens heftige debatten over kiesrechtuitbreiding.

De kiesrechtstrijd vanaf de jaren 1880 biedt het kader voor de analyse van hoe prententekenaars begonnen ‘het volk’ te verbeelden. In liberale tijdschriften werd de afstand tussen de gevestigde politiek en het stemloze gepeupel vaak spottend uitvergroot. Katholieken werden weggezet als on-Nederlandse jezuïeten en protestanten als dwaze puriteinen. Een interessant historiografisch punt is dat de liberale pers de afstandelijke houding van liberale volksvertegenwoordigers tegenover de gepolitiseerde openbaarheid wel degelijk bekritiseerde; veel cartoons zijn te interpreteren als een ‘soort wake-up call’ (p. 93) voor liberalen om zich beter te profileren. Zowel progressief-liberale als sociaaldemocratische en confessionele tijdschriften hadden expliciet de popularisering van de politiek als doel, zij het uit politiek eigenbelang.

Het visuele weerwoord van de socialisten droeg een heel andere vorm van politiek uit. Tekenaars als Hahn brachten de tegenstelling tussen de arrogantie van de zittende macht en de macht van het getal van protesterende burgers op straat treffend in beeld. Spotprenten over vrouwenkiesrecht tonen hoe liberalen met dedain neerkeken op vrouwen, maar ook hoe de vrouwenkiesrechtbeweging zelf prenten inzette als wapen in de politieke strijd. Het is echter jammer dat de auteurs alleen aandacht hebben voor gender bij cartoons die expliciet over vrouwen gaan: wat zeggen prenten bijvoorbeeld over veranderende noties van burgerlijke mannelijkheid of überhaupt mannelijkheid in de politiek?

Tot sloten tonen Koolhaas-Grosfeld en Leenders overtuigend zowel de functie van prenten als brug tussen politiek en publiek en als opinievormende factor van belang in een tijd van grote politieke veranderingen. Dat blijkt wel uit hoezeer bijvoorbeeld Kuyper het gemis van een ‘eigen’ tekenaar als Hahn beklaagde, of het Amsterdamse verbod op het ophangen van politieke prenten bij kiosken vanwege te veel onrust.

Geregeld gaan de auteurs de vergelijking aan met Britse spotprenten, maar een internationale reflectie in de inleiding of nabeschouwing op – de rol van spotprenten en visuele media in – de veranderende percepties van de verhouding tussen politiek en electoraat rond 1900 had de Nederlandse casus verdiept en in een breder kader geplaatst. Dit terzijde biedt Tussen politiek en publiek innovatief inzicht in hoe nieuwe interpretaties vanuit verschillende hoeken over ‘de’ politiek, ‘het’ volk en relaties daartussen eind negentiende eeuw opkwamen. Het boek nodigt uit tot nader onderzoek naar ideeën en percepties over de afstand tussen Den Haag en burgers aan de hand van (visueel) bronmateriaal in andere periodes. Alleen al vanwege de prachtige, op groot formaat gedrukte spotprenten is dit boek bovendien het lezen meer dan waard.

Paul Reef, promovendus Cultuurgeschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen

Mannen van de microscoop. De laboratoriumbiologie op veldtocht in Nederland en Indië, 1840-1910

Robert-Jan Wille

Nijmegen: Vantilt, 2019. 352 p.
ISBN 978 94 6004 379 6
€29,95

Tegen het einde van de negentiende eeuw groeide de Nederlandse botanische tuin in Buitenzorg op Java uit tot een internationaal gerenommeerd onderzoeksinstituut op het gebied van tropische planten en daarmee ook tot een object van nationaal prestige. De drijvende kracht achter de grootschalige uitbreiding van het biologische laboratoriumonderzoek in toenmalig Nederlands-Indië was Melchior Treub, één van Robert-Jan Wille’s (1979) ‘mannen van de microscoop’. Alhoewel Treubs succesvolle microscopisch onderzoek naar tropische planten een belangrijke reden voor de groei van het instituut vormde, was het volgens Wille eerder het resultaat van zijn kwaliteit om nieuwe geldbronnen aan te boren bij zowel de staat als particuliere plantage-eigenaren.

Wat Buitenzorg in tegenstelling tot vergelijkbare onderzoeksstations in Den Helder en Napels dan ook ‘een koloniaal exploitatie-instituut’ maakte, was volgens Wille niet alleen dat het gericht was op het vergaren van ‘toepasbare kennis’ in de plantagelandbouw, maar ook dat het ‘fundament’ van het onderzoek gebaseerd was op de ‘traditionele’ kennis (p. 270, 275) en het arbeidsintensieve taxonomische werk van talloze lokale Indonesiërs.

Het grootste gedeelte van Wille’s boek gaat echter niet over dit microbiologisch onderzoek in dienst van het koloniale rijk in Nederlands-Indië, maar over de ‘wortels’ hiervan in de institutionele wetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland. Deze keuze is, ondanks de ietwat suggestieve ondertitel, begrijpelijk. Zoals Wille zelf aangeeft, zijn er immers in de afgelopen jaren al verschillende uitgebreide studies verschenen van onder anderen Suzanne Moons (2007) en Wim van der Schoor (2012) waarin de verhouding tussen Treubs biologische onderzoek en het Nederlandse koloniale systeem is behandeld. Waar Van der Schoor in zijn proefschrift over particuliere proefstations in Nederlands-Indië de geneticus Hugo de Vries (1848-1935) aanwees als een belangrijke motor achter de koloniale biologie, stelt Wille echter Pieter Harting (1812-1885) centraal.

Volgens Wille was het Harting – de ‘belangrijkste ambassadeur van Darwins evolutietheorie in Nederland’ – die zowel een ‘inspiratiebron’ vormde voor latere biologen als wel als aan de wieg stond van de institutionalisering van de (laboratorium)biologie in Nederland en daarmee de ‘staatsbiologie’ in Indië. In navolging van wetenschapshistoricus Bert Theunissen, die naast Hugo de Vries ook Harting uitgebreid behandelde, neemt Wille bovendien Hartings ‘studenten’; de eerdergenoemde Treub, maar ook embryoloog Ambrosius Hubrecht en Paulus Hoek, als leidraad. Anders dan eerdere studies stelt Wille’s echter expliciet de ‘academische carrièredrang’ van deze mannen centraal.

In praktijk betekent dit dat Wille in Mannen van de Microscoop een, bij regelmaat nogal chronologische, wetenschapshistorische uiteenzetting geeft van de carrière van deze vier biologen. Naast hun lobbyactiviteiten voor financiële steun van de staat, staan dan ook de institutionele facultaire veranderingen en met name wetenschappelijke netwerken zoals genootschappen, vakverenigingen, tijdschriften en congressen centraal. Het daadwerkelijke onderzoek dat ze uitvoerden met hun microscoop wordt door Wille echter – op enkele interessante passages over bijvoorbeeld Hubrechts onderzoek naar Nemertina (snoerwormen) na – voornamelijk gereduceerd tot ‘proefjes in het lab’ (p. 103) en de ‘abstracte taal van formules’ (p. 79). Waar het bijvoorbeeld duidelijk wordt waarom Hubrecht zich zo actief inzette voor een Nederlandse ‘tafel’ in het internationale onderzoeksstation in Napels, blijft het betrekkelijk vaag wat er precies op zo’n tafel in een 19e-eeuws laboratorium gebeurde.

Alhoewel de eerste hoofdstukken over Harting wel ingaan op hoe deze de evolutietheorie van Darwin ‘vooral inbedde in zijn eigen ideeën’ (p. 61) en maatschappelijke en politieke visie, blijft zijn onderzoek als bioloog onderbelicht. Met name de expedities die Harting – in navolging van Duitse marine biologen – naar de Noordzee (p. 58) maakte, hadden een uitgebreidere beschrijving verdiend, al was om de leesbaarheid van het boek te vergroten. De focus op institutionele ontwikkelingen maakt Mannen van de Microscoop überhaupt al nogal langdradig en saai, maar het totale gebrek aan sfeervolle en gedetailleerde beschrijvingen maakt het echter vrijwel onmogelijk voor de lezer om zich in het leven van de vier biologen te verplaatsen. Dit is jammer, zeker gezien het boek bedoeld is voor het grotere publiek.

Dit neemt echter niet weg dat Wille’s overkoepelende argument dat deze vier biologen ‘sluipwespen’ waren die de ‘overheidsinstituten van binnenuit voertuigen maakten van hun eigen ambities’, overtuigend is. Marinebioloog Paulus Hoek maakte bijvoorbeeld gebruik van zijn positie als adviseur op het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid om een onderzoekslaboratorium in Den Helder te op te zetten en Treub zette zijn positie als directeur van het koloniale landbouw departement op vergelijkbare manier in voor de vergroting van ‘zijn’ onderzoeksinstituut in de botanische tuinen van Buitenzorg.

Wille’s suggestie dat de claim die deze biologen legden op maatschappelijke en politieke relevantie als ‘primaire doel’ de ‘structurele investering in klasse van experts’ was, is dan ook vernieuwend. Deze biologen zagen hun bijdrage dus met name als een technocratische en hadden niet zozeer overduidelijke politieke of in het geval van Treub (enkel) imperialistische ambities. Tegelijkertijd maakt Wille, enigszins in navolging van Maartje Jansen die in haar proefschrift De Afschaffers al schreef over Hartings bijdrage aan de totstandkoming van de leerplicht, duidelijk dat deze biologen wel degelijk de politieke fundamenten legden voor een nationaal wetenschapsbeleid of het koloniale beleid.

Waar Mannen van de Microscoop echter op zijn sterkst is, is de constante aandacht voor transnationale connecties en wederzijdse beïnvloeding. Niet alleen laat Wille overtuigend zien dat 19e-eeuwse biologen via nieuwe netwerken ideeën uitwisselden, maar toont hij ook aan dat er in periode een werkelijk internationale gemeenschap van biologen ontstond. Een gemeenschap die op stations samen onderzoek deed en daarna gezamenlijk naar de opera ging, maar bijvoorbeeld ook samenwerkte bij opkomende problemen als overbevissing.

Een ander sterk punt is dat Wille laat zien dat de staat gevoelig was voor de buitenlandse voorbeelden van biologisch onderzoek die door de biologen werden aangehaald en wetenschappelijk onderzoek in toenemende mate als een zaak van ‘nationaal prestige’ zag. Zoals Laura Molenaar in haar recensie op Biografieportaal al schreef, is het echter waarschijnlijk dat het voor de gemiddelde lezer uiteindelijk ‘lastig’ is om deze ‘vele interessante punten met elkaar te verbinden’. Dit wordt niet alleen bemoeilijkt door het nogal moeizame taalgebruik, maar ook omdat er geen overduidelijk overkoepelend narratief of structuur is.

Alhoewel thema’s als de internationale samenwerking tegen overbevissing en daarbij komende conflicten tussen nationale en wetenschappelijke belangen tot wetenschappelijke carrièredrang, concurrentie en lobby voor onderzoeksgeld en in een enkele alinea zelfs de positie van vrouwelijke biologen worden aangehaald, blijft het met name een geschiedenis van de carrière van vier, afzonderlijke, mannelijke biologen. Dit neemt echter niet weg dat de lezer de vele interessante en relevante punten die Wille aanstipt zelf met elkaar kan verbinden – of misschien beter nog, kan verbinden aan kwesties in het heden.

Wessel de Cock, researchmasterstudent Geschiedenis, Universiteit Leiden

De revolutie die niet doorging. De tragedie van Troelstra, november 1918

Rob Hartmans

Utrecht: Omniboek, 2018. 216 p.
ISBN 978 94 0191 340 9
€20,-

Wanneer op 11 November 1918 de leider van de Nederlandse sociaaldemocraten, Pieter Jelles Troelstra, de arbeiders oproept tot revolutie, zijn in Duitsland alle grote steden al in handen van arbeiders en soldaten. De Duitse keizer vond de dag daarvoor in Nederland zijn toevluchtsoord. Troelstra’s oproep werd vanuit de Nederlandse arbeidersklasse vooral beantwoord met een oorverdovende stilte. Hier en daar waren opstootjes en rellen, maar de door Troelstra gewenste – en door de heersende klasse gevreesde – massale opstand bleef uit. Niet in de laatste plaats door tegenwerking vanuit de bureaus van zijn eigen SDAP, wist de socialistenleider zijn eigen achterban niet te mobiliseren – om van het confessionele smaldeel der arbeiders nog maar te zwijgen. De roerige ‘Rode Week’ eindigde met een schoorvoetende Troelstra die ontkende ooit over een staatsgreep te hebben gesproken, en met een massabijeenkomst op het Malieveld ter ere van het huis Oranje.

In De revolutie die niet doorging schetst Rob Hartmans een levendig beeld van de Nederlandse samenleving tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog en toont hij de hoop op en vrees voor ‘Duitse toestanden’ die het land in november 1918 in zijn greep hielden. Daarbij sluit de teleologische titel niet geheel aan bij de strekking van zijn betoog: van een daadwerkelijk revolutionaire situatie is in deze periode in Nederland eigenlijk geen sprake. In het slotwoord, waarin de schijnbaar onvermijdelijke ‘wat-als’-vraag uitgebreid aan bod komt, blijkt de ‘tragedie van Troelstra’ uit de ondertitel vooral te slaan op diens verkeerde zelf-inschatting: ‘Troelstra was veel en kon veel, maar hij was niet de man om leiding te geven aan een revolutie.’

Het boek is gericht op een breed publiek en steekt als zodanig prima in elkaar. Zoals we van Hartmans gewend zijn, kleedt hij zijn goed leesbare verhaal aan met mooie anekdotes, aansprekende passages en fraaie afbeeldingen. Lezers die al bekend zijn met de gebeurtenissen van november 1918 zullen alleen niet veel nieuwe inzichten opdoen. Hartmans heeft geen nieuwe bronnen geraadpleegd, en baseert zich voornamelijk op bestaande literatuur en enkele kranten. Ook van nieuwe perspectieven is geen sprake: er is weinig oog voor de rol van gender, geen aandacht voor de ontwikkeling van ideeën in deze al dan niet revolutionaire periode, en de gebeurtenissen worden vooral verteld vanuit het oogpunt van de grote mannen (ministers, burgermeester, partijleiders), en een incidentele grote vrouw in de persoon van Henriette Roland Holst. Het perspectief van Nederlandse arbeiders, soldaten, huisvrouwen, werklozen of vakbonds- en partijleden blijft grotendeels buiten beschouwing.

Verder valt op dat de relatie tussen de situatie in Nederland en de revolutie in Duitsland weinig aandacht krijgt. Hartmans beschrijft weliswaar regelmatig de invloed van de gebeurtenissen in Duitsland op de publieke opinie of ervaren dreiging in Nederland, maar over wederzijdse contacten tussen SDAP en SPD – of Spartakus en SDP – wordt nergens gerept. Ook over de toch niet onbelangrijke rol van Nederlandse theoretici als Anton Pannekoek en Herman Gorter voor de radenbeweging die tijdens de revolutie in Duitsland ontstond geen woord. Een nadere blik op de gebeurtenissen in Duitsland zou laten zien dat Troelstra’s hoop op een geweldloze revolutie niet geheel onrealistisch was – zoals Hartmans stelt.

Bovendien zou een uitgebreidere ideeëngeschiedkundige vergelijking met ons buurland een extra dimensie hebben kunnen toevoegen aan Hartmans’ analyse van de ‘vergissing’ van Troelstra: wanneer de socialistenleider stelt dat er snel raden van arbeiders zullen worden opgericht door de SDAP, beseft hij niet dat dit het tegenovergestelde is van de meeste Duitse arbeiders- en soldatenraden die spontaan en vaak in zelfs weerwil van partijen en vakbonden worden opgericht. Enkele zinnen uit het ‘revolutionaire’ manifest van Troelstra’s SDAP schetsen een beeld van hun begrip van revolutie: ‘Wacht af en houdt u bereid voor het parool, dat het congres u zal geven! Toont u waardig den grooten tijd waarin gij leeft!’ In plaats van een revolutiebegrip waarin een geëmancipeerde arbeidersklasse het heft in eigen hand neemt, zoals in Duitsland, schemert in deze zinnen vooral een opvatting door van volgzame en dociele partijleden die geduldig toekijken hoe hun de revolutie gebracht wordt door de partijleiding.

Hartmans laat zien hoe contrarevolutionaire krachten vanaf het begin beter georganiseerd waren dan de verschillende linkse groepen, en dat van een echt revolutionaire stemming nooit sprake is geweest, niet in de laatste plaats omdat de Nederlandse sociaaldemocratische arbeiders binnen hun gebureaucratiseerde partij elke neiging tot eigen initiatief werd ontmoedigd. De tragedie van Troelstra is dat hij dit zelf nooit in de gaten heeft gehad.

Gaard Kets, promovendus Politicologie, Radboud Universiteit Nijmegen

Hirsch & Cie Amsterdam, (1882-1976). Haute couture op het Leidseplein

Femke Knoop

Hilversum: Verloren, 2018. 344 p.
ISBN 978 90 8704 728 3
€25,-

Voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van het modehuis Hirsch & Cie aan het Amsterdamse Leidseplein was 2018 een goed jaar. Eerst verscheen van Ivo Weyel, een nazaat van een van de oprichters van Hirsch-Amsterdam, een bundeling van zijn eerder in Het Parool verschenen persoonlijke herinneringen aan zijn familie en het familiebedrijf (Het verleden ruist voorbij). En niet lang daarna zag het voorbeeldig uitgegeven Hirsch & Cie Amsterdam (1882-1976) Haute couture op het Leidseplein van Femke Knoop het licht.

Het boek van Knoop heeft zijn oorsprong in een masterscriptie Geschiedenis, maar die is uitgewerkt tot een omvangrijke en zeer gedetailleerde studie naar het reilen en zeilen van de firma. Bij het onderzoek heeft de auteur inventief te werk moeten gaan, want er is van Hirsch & Cie geen bedrijfsarchief overgeleverd. Gelukkig figureert het iconische modehuis in tal van krantenartikelen, zijn er veel foto’s bewaard en ook de ongepubliceerde memoires van René Kahn, zoon van medeoprichter Sylvain Kahn. Tevens heeft de auteur oud-werknemers geïnterviewd en kledingstukken uit de modecollecties van Hirsch opgespoord. Met deze veelheid aan bronnen is zij er in geslaagd een veelzijdig beeld van dit familiebedrijf te schetsen.

De geschiedenis van Hirsch-Amsterdam begint als Sylvain Kahn en Sally Berg, twee joodse ondernemers uit respectievelijk de Elzas en Westfalen die bij Hirsch & Cie in Brussel hun opleiding hadden genoten, met een lening van Leo Hirsch in 1882 in Amsterdam een vestiging van Hirsch openen. Daar richten zij zich op de verkoop van haute couture voor de welgestelde elite in Amsterdam en elders in Nederland. En met groot succes. Vóór die tijd was de elite voor maatkleding naar de Franse mode immers aangewezen op modehuizen in Brussel en Parijs. De zaken gaan zo goed dat Leo Hirsch al snel uitgekocht kan worden en in 1912 verrijst aan het Leidseplein het imposante en nog altijd bestaande Hirsch-gebouw, waar nu overigens op de begane grond onder meer een Apple Store is gevestigd.

In veel opzichten vormt de Tweede Wereldoorlog een breukpunt in de geschiedenis van Hirsch. Veel joodse werknemers en ook twee directieleden worden omgebracht in de Duitse concentratiekampen, het bedrijf komt onder een Duitse Verwalter te staan en wordt in 1943 geliquideerd en ontmanteld. Na de oorlog wordt de draad weer opgepakt, maar de splitsing in twee afzonderlijke vennootschappen – een voor het gebouw waarvan delen afzonderlijk worden verhuurd, en een voor het modehuis – leidt tot een voortdurende onderkapitalisatie van het modehuis. In combinatie met stijgende personeelslasten, veranderende consumptiepatronen en een te behoudend beleid, leidt dat in 1976 tot sluiting van dit befaamde modepaleis.

In de korte inleiding stelt Knoop zich tot doel een ‘multiperspectief’ te bieden op Hirsch, waarbij zij tegenstellingen onderzoekt en bevraagt tussen (mannelijke) productie en (vrouwelijke) consumptie, economie en cultuur, elite en massa, modern en traditioneel, leisure class en werkende klasse, openbaar (het bedrijf) en privé (de families Kahn en Berg), en tussen mannen en vrouwen (p. 13). In de achter in het boek opgenomen historiografie en verantwoording plaatst zij het onderzoek ook expliciet in de traditie van vrouwen- en gendergeschiedenis (p. 280). Om het doel te realiseren is het boek in zes thematische hoofdstukken verdeeld waarin achtereenvolgens de geschiedenis van het familiebedrijf, het personeel, het Hirschgebouw, de kleding en andere producten, reclame, en de klanten aan bod komen.

In elk van die hoofdstukken vindt de lezer een schat aan feitelijke informatie, die goed wordt ondersteund en aangevuld door de vele prachtige afbeeldingen. Zo komen we te weten dat de klanten van Hirsch hun sociale positie niet alleen markeerden door de luxe materialen en pasvormen van de kleding, maar ook door de omvang van hun garderobe die hen in staat stelde meerdere keren per dag van kleding te wisselen om daarmee op ieder moment en bij iedere gelegenheid passend gekleed te zijn. Maar deze en andere wetenswaardigheden worden slechts af en toe en dan nog bijna terloops verbonden met de onderzoeksdoelen die de auteur zich heeft gesteld. En ook de zeer summiere conclusie blijft aan de oppervlakte en sluit maar zeer ten dele aan bij het na de conclusie geplaatste historiografische overzicht. Dat is jammer, want het boek bevat voor een diepgaandere analyse tal van aanzetten. Hier lijkt zich te wreken dat er geen duidelijke keuze is gemaakt tussen een aantrekkelijk publieksboek en een vraaggestuurde wetenschappelijke publicatie. Zoals het boek er nu ligt, is het vooral een gedegen, goed geschreven en prachtig geïllustreerde geschiedenis van Hirsch & Cie. Misschien kan de auteur zich op een ander moment nog een keer buigen over de tegenstellingen die zij in de inleiding noemt en die alle de moeite van een nadere analyse waard zijn.

Clé Lesger, docent Sociale en Culturele Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam

De publieke man. Dr. P.H. Ritter Jr. als cultuurbemiddelaar in het interbellum

Alex Rutten

Hilversum: Verloren, 2018. 281 p.
ISBN 978 90 8704 730 6
€29,-

In zijn proefschrift beschrijft en analyseert neerlandicus Alex Rutten de literatuur- en cultuuropvattingen van dr. P.H. Ritter Jr., een vergeten cultuurbemiddelaar en publieke man uit het interbellum. Qua vorm staat De publieke man op het spanningsveld tussen twee historiografische genres: Rutten poogde namelijk geen biografie te schrijven, maar schreef een cultuurgeschiedenis van historische benaderingen en schrijf- en spreekplatforms voor cultuurbemiddeling, waarbij zijn lens scherp gesteld stond op subject Ritter.

Thematische hoofdstukken maken het voor de auteur mogelijk de verschillende platforms waarop deze bemiddeling plaatsvond te behandelen. Ritter doet hierbij dienst als gids voor een historische rondleiding door de cultuurbemiddeling van het interbellum, waarbij andere cultuurcritici en -bemiddelaars als Menno ter Braak en A. M. de Jong tegen hem worden afgezet.

De publieke man bestaat uit een inleiding, vier hoofdstukken die elk een platform bespreken, een intermezzo en slotbeschouwingen. De vier hoofdstukken bespreken respectievelijk cultuurbemiddeling in dagbladen, lezingen aan volksuniversiteiten, boekenhalfuurtjes op de radio en uiteindelijk filminleidingen in de bioscoop en aan de volksuniversiteit. Elk hoofdstuk volgt hierbij eenzelfde structuur, waarin een inleidend woord, een voorgeschiedenis van het platform, Ritters opvattingen over het platform en zijn ‘praktijk’ steeds weer terugkomen.

Enerzijds is dit een sterke strategische zet. Het geeft Rutten de mogelijkheid om zowel de historische ontwikkeling van het respectievelijke platform uit te diepen als podium voor cultuurbemiddeling evenals de optie om Ritters ideeën en praktijken in deze historische context te plaatsen. Anderzijds doet het soms afbreuk aan de eenheid van het proefschrift, aangezien de voorgeschiedenissen op momenten te veel een geïsoleerd leven lijken te leiden. Zo wordt over de literatuurlezingen aan de volksuniversiteit een voorgeschiedenis verhaald die teruggaat tot in de achttiende eeuw, terwijl de volksuniversiteiten in hun vooroorlogse vorm pas in 1913 hun deuren openden. Dit is één van die momenten waarop de spanning tussen biografie en een overzichtswerk het grootst is, aangezien Ritter volledig uit het oog lijkt verloren.

Ruttens inspiratie voor het werk is de opkomende school van Middlebrow Studies, een nieuw literatuurwetenschappelijk perspectief op middenklassecultuur. Rutten is opzoek naar de verbinding tussen het literaire en het sociale. Het sociale richt zich op een opkomende middenklasse, bestaande uit onder anderen ambtenaren, docenten, kantoor- en winkelmedewerkers die zichzelf in een proces van opwaartse sociaaleconomische mobiliteit bevonden. De taak van de cultuurbemiddelaar was vervolgens deze nieuwe stand ook in culturele zin tot wasdom te brengen.

Rutten analyseert Ritter in deze context en beschrijft hoe deze bemiddelaar zelf op zijn taak reflecteerde en aan deze vorm gaf. De auteur laat hierbij zowel de verschillen als de gemene delers tussen de diverse platforms zien. Centraal in Ruttens analyse staat de spanning tussen Ritters ambities om een objectieve criticus te zijn en zijn maatschappelijke agenda. Zo probeerde de cultuurbemiddelaar zijn anonieme publiek enerzijds als eenheid aan te spreken en niemand uit te sluiten, onder andere aan de hand van een consequent repertoire retorische middelen om een gevoel van inclusiviteit te creëren, terwijl Ritter anderzijds een gevoel van nationale eenheid wilde propageren. In een land met een hard groeiende culturele output probeerde Ritter tot slot voor zijn publiek de sociale boodschap van boeken en films te ontsluiten, om op deze manier zijn passieve publiek aan te zetten tot reflectie op de maatschappij.

Naast deze spanning tussen objectieve bemiddelaar en gekleurde volksverheffer analyseert Rutten ook de tegenstellingen tussen Ritters streven om diepgaande recensies te verzorgen en zijn rol — aan hem opgelegd door zowel publiek als uitgeverij — om ook een behapbaar overzicht te geven van nieuwe uitgaven. Het zijn scherpe analyses van de auteur, die gebaseerd zijn op een grote hoeveelheid primair bronmateriaal, onder andere voortkomend uit de grote hoeveel publicaties die Ritter heeft nagelaten. Ten slotte heeft Rutten ook nog een paar biografische uitstapjes in het boek opgenomen, waaronder over Ritters familie, zijn ambities en zijn eergevoel.

Deze passages brengen ons weer naar de genrespanning van dit proefschrift. Naar Pierre Bourdieus waarschuwing voor biografische illusies probeert Rutten geen ‘totaalbeeld’ of ‘ware aard’ van Ritter te (re)construeren, maar probeert hij zich tot zijn hoofdvraag te beperken en de lezer slechts Ritters bemiddelaarsopvattingen mee te geven. De keerzijde van deze keuze is dat een helder beeld van Ritter als persoon niet ontstaat. In de leeservaring kan dit verwarrend zijn wanneer Rutten wel de vrijheid neemt om uit te wijden over Ritters relatie met zijn vader, zijn christendom, zijn politiek en zijn dood. Rutten licht hierbij echter steeds maar een tip van de sluier op, voor hij weer vlug terugkeert naar Ritters cultuurbemiddeling. Een voorbeeld van zo’n passage verhaalt over een schandaal waarbij ook Anton Mussert genoemd wordt, gesitueerd in het ‘intermezzo’, dat de ‘zwarte pagina’s’ van Ritters leven samenvat.

Het idee ontstaat dat er meer achter deze Ritter schuilt dan wij te weten komen; evenals een gevoel dat ofwel een traditionele biografie ofwel een uitgebreidere cultuurgeschiedenis meer bevredigend zou kunnen zijn geweest. Enerzijds blijft de lezer gissen naar Ritters persoonlijke facetten, naar een genuanceerd beeld van hoe zijn bemiddeling werd ontvangen, naar zijn jeugd en jaren op leeftijd na het interbellum. Anderzijds zou een algemenere bemiddelingsgeschiedenis de overeenkomsten en verschillen met andere cultuurbemiddelaars en hun ontvangst in een diverse en kritische maatschappij inzichtelijker hebben gemaakt.

Toch is Ruttens methode gerechtvaardigd, aangezien een consensus over wat wel een bevredigend evenwicht tussen individu en context is nooit bereikt zal worden, en, naar Bourdieus waarschuwing, een waar totaalbeeld van een persoon nimmer kan ontstaan. Rutten koos ervoor een overzichtelijk en gericht werk te schrijven, dat ook nog helder is verwoord en goed is onderzocht. Als een leven toch niet in één boek te vangen is, dan kiest Alex Rutten ervoor slechts één strak afgebakende onderzoeksvraag grondig te beantwoorden, zij het met biografische ornamenten. De Publieke Man is biografie noch cultuurgeschiedenis, maar een gedegen en gegronde analyse van dr. P.H. Ritter als cultuurbemiddelaar in het interbellum.

Ward de Kock, researchmasterstudent Geschiedenis, Universiteit Leiden