Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden. Stedelijk groen in Antwerpen 1859-1973

Bart Tritsmans

Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2016. 262 p.
ISBN 978 94 6270 082 6
€55,-

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen milieu en natuurbescherming stevig op de politieke agenda. Ook het Antwerpse stadsbestuur kreeg meer aandacht voor groen. Onder protagonisten uit die tijd werd dit beschouwd als de ommekeer in het denken over de stad en over de plek van groen in de stedelijke omgeving. Dat wil echter niet zeggen dat er vóór de jaren zeventig geen milieu was of dat er niet over groen werd nagedacht. In zijn proefschrift Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden gaat historicus en ingenieur Bart Tritsmans terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, wat volgens de internationale stadshistorische literatuur de bakermat is van het moderne stedenbeleid. Met Antwerpen als casus onderzoekt hij de veranderende betekenis van stedelijk groen in de moderne stad tussen 1859 en 1973. Zijn boek verbindt hiermee stadsgeschiedenis met ecologische geschiedenis en sluit zo aan bij de recente trend in de historiografie waarin deze historische onderzoeksdisciplines niet tegenover elkaar staan, maar juist toenadering zoeken – met (menselijke) actoren als verbindend element.

In zijn proefschrift toont Tritsmans de toegevoegde waarde van deze toenadering en focus op (menselijke) actoren aan, door te werken met drie dimensies, die in elk van de drie chronologische delen van het boek naar voren komen. In de eerste dimensie behandelt hij stedelijk groen vanuit het klassieke politiek-institutionele perspectief, namelijk de geplande stedelijke groenruimte. Vanuit de visie van het Antwerpse stedelijke beleid en de internationale stedenbouw bestudeert hij de plannen over natuur in de stad. Verschillende stedelijke actoren, van fietsverenigingen tot natuurbeschermingsverenigingen, ageerden echter tegen deze plannen. In de tweede dimensie onderzoekt Tritsmans daarom de onderhandelingsprocessen en conflicten die ontstonden over de inrichting van bijvoorbeeld parken, en laat zo zien dat actoren invloed hadden op, en een eigen idee hadden van, stedelijk groen. In de laatste dimensie geeft hij de ruimte aan de individuele beleving en het dagelijks gebruik van groen door stadsbewoners – een perspectief waarvoor in stadshistorisch onderzoek recent meer aandacht is gekomen, maar dat zeker op het gebied van stedelijk groen nog in de kinderschoenen staat. Door alle drie de periodes die het boek behandelt vanuit deze drie dimensies te benaderen, biedt Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden een driedimensionale kijk op de stedelijke groenruimte.

In het eerste deel van het boek staat de tweede helft van de negentiende eeuw centraal (1859-1906). In deze periode hield de Antwerpse gemeente zich voor het eerst bezig met het implementeren van groen in het stedelijk weefsel. Tritsmans laat zien dat ze dit vooral deed om als stad prestige te verwerven en zo internationaal mee te kunnen met wereldsteden als Parijs of Londen. Groen had hierdoor een decoratieve functie en was bovendien strikt gereglementeerd volgens de heersende burgerlijke maatstaven. Hoewel dit op veel conflict stuitte vanuit verschillende (maatschappelijke) groepen zoals fietsverenigingen of kaatsbalmaatschappijen die groen liever ter recreatie gebruikten, hield de gemeente vast aan haar burgerlijke idee van groen. Opvallend is dat de stadsbewoners in hun dagelijkse omgang met de stad geen tekort aan recreatief groen ervoeren. Door de burgerlijke regels naar hun hand te zetten en door ook officieuze groenruimtes, zoals braakliggende gronden, te gebruiken, ervoeren zij een groen Antwerpen.

In het tweede gedeelte van het boek, dat de periode van begin twintigste eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog beslaat (1906-1945), schenkt Tritsmans ruime aandacht aan de algemene trends binnen de internationale stedenbouw van voor de Eerste Wereldoorlog. Op internationale congressen werd gepleit voor een moderne, utopische stadsarchitectuur buiten de binnenstad met veel groen. Tuinsteden en hoogbouw vormden het antwoord op de onleefbaar geworden steden. Voor de Antwerpse gemeente ging dit te ver. Tritsmans laat zien hoe zij teruggreep op de negentiende-eeuwse bouw met decoratief groen – wat wederom voor conflict zorgde. Naast de stadsbevolking die recreatief groen eiste, kreeg de gemeente in het interbellum ook te maken met nieuwe natuurorganisaties, zoals de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon die streed voor natuurbescherming. Wat betreft de belevingsdimensie, kiest Tritsmans er in dit deel voor zich enkel te richten op de periode van de Tweede Wereldoorlog. Hij betoogt dat de beleving van groen de overkoepelende individuele beleving van de oorlog weerspiegelde. Zo werden groenzones voor de één een microkosmos voor het groeiende antisemitisme, voor de ander een militair oefenterrein en voor weer een ander juist een zone van ontspanning en het ontsnappen aan de oorlog.

Het laatste deel (1945-1973) bestaat, in tegenstelling tot voorgaande delen, uit slechts één hoofdstuk waarin Tritsmans de drie dimensies tegelijkertijd behandelt. Hij laat zien dat het Antwerpse stadsbestuur na de oorlog wél de internationale stedenbouwkundige trends volgde, wat resulteerde in een modernistische, functionalistische bouw gericht op pragmatische vooruitgang. Stedelijk groen moest hierdoor wijken voor verkeer, schaalvergroting en suburbanisatie. Niet alleen in het stadsbeeld, maar ook op de stedelijke agenda werd groen slechts een bijkomstigheid. Dit leidde echter tot steeds meer protest vanuit nieuwe actoren die zich samenschoolden als ‘nostalgici’ tegenover de gemeentelijke ‘pragmatici’. Niet alleen vanuit actiegroepen, maar ook vanuit de gemeente en de architectuur klonken kritische stemmen. Uiteindelijk gaf het Antwerpse stadsbestuur toe en zette groen in de jaren zeventig weer op de agenda. Deze papieren plannen zouden in de jaren tachtig eindelijk gerealiseerd worden.

Met zijn driedimensionale aanpak slaagt Tritsmans er niet alleen in om te laten zien hoe de betekenis van stedelijk groen evolueerde over de onderzochte periode, maar ook dat er in elke periode geen eenduidige betekenis aan groen werd toegekend. Juist door niet één, maar verschillende dimensies te onderzoeken, laat hij zien dat de stedelijke groenruimte veel gelaagder was dan in de officiële bronnen en de gangbare historiografie naar voren komt. Het kende een hybride en omstreden karakter. De drie dimensies kunnen hierdoor ook worden beschouwd als een reis door de historiografie: van de officiële actoren en plannen richting de persoonlijke beleving.

Toch voelt deze strakke structuur soms ook iets té rigide aan. In het eerste gedeelte komt de gelaagde benadering goed uit de verf, maar in het tweede gedeelte is de driedimensionale aanpak minder geslaagd, ook omdat Tritsmans ervoor heeft gekozen elke dimensie aan een periode binnen de eerste helft van de twintigste eeuw te koppelen. Dit wekt de indruk dat de dimensies eerder naast elkaar bestonden, dan dat ze in dezelfde periode op elkaar botsten of elkaar aanvulden. Bovendien lijkt de belevingsdimensie soms nog wat ondergesneeuwd. Zo behandelt Tritsmans in het tweede gedeelte de belevingsdimensie enkel voor de periode van de Tweede Wereldoorlog, wat vragen oproept over de beleving van groen buiten die vijf jaar.

Daarnaast is zijn gebruikte methode bij het onderzoek naar beleving soms ondoorzichtig. Tritsmans geeft aan onder meer herinneringen, afbeeldingen en kaarten te gebruiken, maar op welke manier wordt niet duidelijk. Hierdoor krijgt de lezer de indruk dat de afbeeldingen en kaarten eerder decoratief worden gebruikt dan dat ze onderdeel uitmaken van de bronanalyse. Tot slot valt de mate waarin Tritsmans de Antwerpse groenontwikkelingen in een internationaal kader plaatst te bekritiseren. Aan internationale trends op gebied van stadsplanning besteedt hij voldoende aandacht, maar het plaatsen van de reacties en beleving van Antwerpenaren in een internationaal kader is nog wat mager.

Desalniettemin biedt de driedimensionale aanpak interessante nieuwe inzichten aan de geschiedschrijving over stedelijk groen. Door het hanteren van een breed perspectief doet Tritsmans zelfs meer dan dat: hij verschaft ook inzicht in de betekenis van de stedelijke ruimte zelf en toont aan dat stedelijk groen een spiegel vormde voor de bredere ontwikkelingen in de maatschappij. Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden vormt daardoor zelf geen bijkomstigheid, maar een waardevolle aanvulling in de boekenkast van iedereen die geïnteresseerd is in groen, en meer dan groen.

Jenna The, research masterstudent Historical Studies, Radboud Universiteit

Eens ging de zee hier tekeer. Het verhaal van de Zuiderzee en haar kustbewoners

Eva Vriend

Amsterdam: Atlas Contact, 2020. 358 p.
ISBN 978 90 450 3631 1
€24,99

Het Zuiderzeeproject is een Nederlandse prestatie van wereldformaat. De Afsluitdijk beschermt het IJsselmeergebied al bijna negentig jaar tegen het geweld van de Noordzee. Bovendien heeft de droogmaking van grote stukken zeebodem Nederland verrijkt met landbouwgronden, steden, natuurgebieden, en zelfs een nieuwe provincie.

Het Zuiderzeeproject heeft echter ook zijn schaduwkanten, bijvoorbeeld het verdwijnen van een bijzonder ecosysteem. Ooit zwommen er tuimelaars voor de kust van Harderwijk, in plaats van in de bassins van het Dolfinarium. Ook op sociaal gebied kent het Zuiderzeeproject zijn keerzijden. In het boek Het nieuwe land (2013) belichtte de journalist en historicus Eva Vriend, afkomstig uit de Noordoostpolder, de soms trieste lotgevallen van kandidaat-polderpachters die niet voldeden aan de strenge toelatingseisen van de overheid. In Eens ging de zee hier tekeer vertelt Vriend het verhaal van een andere groep ‘verliezers’ van de Zuiderzeewerken: de duizenden vissers wier bestaan door dit immense project op zijn kop werd gezet. Zij doet dit aan de hand van de familiegeschiedenissen van vier inmiddels bejaarde mannen uit Spakenburg, Urk, Wieringen en Volendam, die door haar ‘erfzonen’ worden genoemd.

In het eerste deel van haar boek vertelt Vriend het verhaal van de voorouders van de vier erfzonen. Het gebied waar zij leefden werd in de tweede helft van de negentiende eeuw vaak afgeschilderd als weliswaar pittoresk, maar armoedig en cultureel achtergebleven. De Franse kunsthistoricus Henry Havard schreef in 1874 zelfs een boek over de ‘dode steden van de Zuiderzee’. Cultuurnationalisten konden het overigens wel waarderen dat de oude havensteden en vissersdorpen, in een tijd van ingrijpende technologische en maatschappelijke veranderingen, hun ‘authentieke’ karakter hadden behouden.

In werkelijkheid ging de Industriële Revolutie natuurlijk niet volledig aan het Zuiderzeegebied voorbij. De ontdekking van de ‘ongerepte’ volkscultuur van Volendam en Marken door toeristen en kunstschilders was immers te danken aan het feit dat zij met moderne trams en stoomboten naar deze vissersplaatsen konden reizen. Niet elk vissersdorp ontwikkelde zich echter tot toeristische trekpleister. De welvaart van veel dorpen hing af van de visstand, die per jaar kon veranderen. In slechte jaren heerste er in veel vissersgezinnen bittere armoede. Kinderarbeid was doodnormaal.

Dergelijke toestanden speelden de Zuiderzeevereeniging, die afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee bepleitte, in de kaart. In 1905 werd de Zuiderzeevisserij in een rapport van deze vereniging gekwalificeerd als een weliswaar sympathieke, maar ouderwetse bedrijfstak van beperkt economisch belang. Afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zouden niet alleen leiden tot vermindering van het overstromingsgevaar en vruchtbare akkers, maar ook tot betere scheepvaartverbindingen en herstel van de handel. Per saldo zou Nederland erop vooruitgaan.

In 1905 konden de vissers het rapport van de Zuiderzeevereeniging nog weglachen. Er werd immers al tientallen jaren over afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee gediscussieerd, zonder dat er ook maar een meter polderdijk was aangelegd. In 1918 nam het parlement echter de Zuiderzeewet aan, en in 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht. De vissers waren ‘hun’ Zuiderzee voorgoed kwijt.

Het tweede deel van Vriends boek behandelt de wijze waarop de vier erfzonen en hun generatiegenoten met deze omwentelingen zijn omgegaan. Sommigen bleven vissen op het steeds kleiner wordende IJsselmeer. Anderen monsterden in Scheveningen of Katwijk aan op haringloggers, of investeerden in een eigen schip dat de ruwe Noordzee kon trotseren. Een derde groep deed een beroep op de Zuiderzeesteunwet van 1925. Deze wet had tot doel vissers, nettenboeters en scheepsbouwers te helpen met omscholing of het opzetten van een eigen bedrijf buiten de visserij. De uitvoering ging gepaard met nogal wat bureaucratische rompslomp, tot frustratie van de rechthebbenden. Bovendien bleken lang niet alle vrijgevochten visserszonen geschikt voor het gereguleerde werk in schoenen- of sigarenfabrieken.

Ondanks deze obstakels wisten veel Zuiderzeedorpen zich opnieuw uit te vinden. De Spakenburger visserszoon Cees Hopman, één van de vier erfzonen, startte een bedrijf in cv-ketels en werd daarmee multimiljonair. De Urkers moderniseerden hun vissersvloot, bouwden een visafslag en namen vernieuwende methoden om vis in te vriezen over uit Denemarken. Volendam bouwde voort op zijn status van toeristische trekpleister. Ook kwamen er nieuwe bedrijfstakken op; kleinzonen van vissers werken nu als stukadoor.

Vriend meent dat de opmerkelijke wederopstanding van het Zuiderzeegebied is toe te schrijven aan een gemeenschappelijke cultuur. De Zuiderzeedorpen waren gesloten gemeenschappen met een sterke religieuze inslag en een egalitair karakter. Vissers hadden een diepe band met elkaar, hun dorpen en de Zuiderzee. Op basis hiervan ontwikkelden de dorpen een gezamenlijke identiteit die zo sterk was dat zij de gevolgen van de afsluiting te boven kwamen, aldus Vriend. Hierbij was weerstand tegen het overheidsbeleid een belangrijke vormende factor. Niet alleen verloren de vissers hun eigen ‘zeetje’, ook werden ze lastiggevallen met vergunningsbepalingen en vangstbeperkingen. Gevolg was volgens Vriend dat de bevolking van de vissersplaatsen de rug rechtte; zij zouden de boze buitenwereld wel eens laten zien wat zij waard waren!

Hierop valt wel wat af te dingen. Zo gaat Vriend in haar pogingen een gemeenschappelijke Zuiderzeecultuur te ontwaren wel wat kort door de bocht. Van religie als bindende factor is immers lang niet altijd sprake; waar Volendam een katholieke enclave is, is Urk al eeuwenlang een calvinistisch bolwerk. Ook op andere terreinen was de onderlinge band niet zo hecht als Vriend suggereert. In de late negentiende eeuw beschuldigden de vissers van de oostkust van de Zuiderzee, die doorgaans gebruik maakten van visserij met staand want, de kuilvissers uit Volendam ervan dat zij de binnenzee aan het leegvissen waren. De gedeelde Zuiderzee-identiteit lijkt dan ook eerder een romantische mythe uit de negentiende eeuw dan een reëel fenomeen.

Ook op de gehechtheid aan eigen dorp of regio waarover Vriend spreekt valt wel wat af te dingen. De overgrootvader van Urker erfzoon Jurie van den Berg verhuisde al midden negentiende eeuw naar Terschelling omdat zijn favoriete visgronden bij dat Waddeneiland lagen. Urk kon na 1932 snel overschakelen naar Noordzeevisserij, juist doordat veel Urkers al ervaring hadden opgedaan op Scheveningse of Katwijkse haringloggers.

Je kunt je bovendien afvragen of het beeld dat Vriend schetst helemaal compleet is. Tegenover het succesverhaal van Urk en Volendam staat het verdwijnen van de visserij in Blokzijl, Kuinre en Vollenhove. Waarom Vriends keuze op erfzonen uit Urk, Volendam, Wieringen en Spakenburg is gevallen, wordt niet duidelijk gemotiveerd. De keuze van Wieringen (of beter: Den Oever) is hoe dan ook merkwaardig, omdat dit voormalige eiland nog steeds een zeehaven heeft.

Eens ging de zee hier tekeer kan als familiegeschiedenis wel bekoren, maar is als cultuurgeschiedenis van het vroegere Zuiderzeegebied niet overtuigend. Hiervoor is Vriends betoog te onsamenhangend en zijn haar analyses te oppervlakkig.

Remco van Diepen, onderzoeker Erfgoedpark Batavialand te Lelystad

Willem Bastiaan Tholen, 1860-1931. Een gelukkige natuur

Marieke Jooren red., Helewise Berger, Rhea Sylvia Blok, Richard van den Dool, Ger Luijten, Quirine van der Meer Mohr, Adrienne Quarles van Ufford, Suzanne Veldink, Jaap Versteegh, Evelien de Visser, Gijsbert van der Wal en Menno Jonker (eindredactie catalogus).

Bussum: Uitgeverij Thoth, 2019. 320 p.
ISBN 9789024419814
€39,95

Verschenen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Dordrechts Museum, t/m 1 november 2020. Eerder, in het najaar van 2019, was de tentoonstelling te zien in Fondation Custodia, Parijs, onder de titel Un impressioniste néerlandais. Willem Bastiaan Tholen (1860-1931).

De bij de tentoonstelling in Dordrecht verschenen monografie – tevens tentoonstellingscatalogus – van Willem Bastiaan Tholen is een vuistdik boekwerk. Er hebben dan ook maar liefst elf auteurs een bijdrage aan geleverd. Naar mijn mening staat op de flaptekst ten onrechte vermeld dat de in de late negentiende en vroege twintigste eeuw werkzame impressionistische schilder tegenwoordig alleen bekend is in een kleine kring van liefhebbers. Iedereen die een beetje thuis is in de negentiende-eeuwse kunstgeschiedenis kent zijn naam en zijn werk. Wel is het een feit dat hij niet echt baanbrekend is geweest en zich geen opmerkelijke ontwikkelingen in zijn oeuvre openbaarden.

Hij ging met een zichtbaar plezier onverstoorbaar door op de ingeslagen weg. Een recensent van NRC Handelsblad gaf zijn commentaar op de tentoonstelling de kop mee: ‘In de schilderkunst van Willem Tholen schijnt altijd de zon’. Dat is niet zo, maar verwijst ontegenzeglijk naar de raak gekozen ondertitel van de tentoonstelling en het boek: ‘Een gelukkige natuur’. Want zo komt Tholen inderdaad over: nooit zoekend, broeierig of geëngageerd, maar immer aangenaam met een liefdevolle behandeling van zijn onderwerpen. Dramatiek was hem vreemd.

In alle publicaties over Tholen wordt benadrukt dat hij niet in het ‘hokje’ van de Haagse School past, noch in dat van de Amsterdamse Impressionisten. De conclusie is dan ook dat hij binnen beide stromingen een rol speelde. Qua schildertrant kan hij als representatief voor de Haagse School worden beschouwd, terwijl hij door zijn omgang met tijdgenoten tot de Tachtigers gerekend kan worden. Daarnaast sluiten zijn qua compositie meest verrassende schilderijen aan bij de modernere kunstenaars. Het zijn dan ook deze werken, gekenmerkt door afsnijdingen van het beeldvlak of uitsnijdingen van het onderwerp, die de meeste bekendheid genieten. Op een rijtje gezet zijn dat Molens bij Giethoorn (ca. 1882-1885), Schaatsenrijders in het Haagse Bos (1891), De gezusters Arntzenius (1895) en Landschap met schildersparasol (een ongedateerde olieverfschets).

In de omvangrijke publicatie volgen na de inleiding door Marieke Jooren acht essays, de catalogus, een biografie, een lijst met tentoonstellingen, een literatuuropgave en een onontbeerlijk register. Vanwege de tentoonstelling in Fondation Custodia is ook nog een Franstalige ‘Biographie’ opgenomen. Dit alles verklaart het aantal auteurs en heeft geleid tot een zeer complete biografie van Tholen, die ook wat inzichten en uitstapjes naar tijdgenoten betreft waarschijnlijk voor eeuwig een standaardwerk zal zijn.

De levensloop van Willem Bastiaan Tholen laat zich als volgt samenvatten. Hij werd in Amsterdam geboren als tweede van vijf kinderen (de andere vier waren meisjes) in een gegoed milieu. Zijn vader was kunsthandelaar. Toen de toekomstige schilder vijf jaar was, verhuisde het gezin naar Kampen. Met de daar wonende Jan Voerman (1857-1941) bezocht hij de Avondtekenschool. Onder de vrienden van de familie bevond zich de Haagse Schoolschilder Paul Gabriël (1828-1903). Deze woonde en werkte een groot deel van zijn leven in Brussel, waar de drie jaar jongere Tholen hem in 1878 kwam opzoeken. De kunstenaars raakten bevriend, en Gabriël kwam daarna regelmatig naar Kampen om met Tholen in de waterrijke omgeving en plein air olieverfschetsen op ‘plankjes’ te maken. Het Kamperveen werd een deel van zowel Gabriëls als Tholens repertoire. In het studiejaar 1876-1877 was Tholen naast Voerman en de latere Tachtiger Willem Witsen (1860-1923) leerling aan de Rijksacademie in Amsterdam. Met de laatste raakte hij nauw bevriend, wat hem in de kringen van de Tachtigers bracht die zich in Amsterdam rondom De Nieuwe Gids verenigden en veelvuldig samenkwamen in het buitenhuis Ewijkshoeve van de familie Witsen nabij Soest. Na de Rijksacademie voltooide Tholen zijn studie aan de Polytechnische School in Delft. Er volgden nog wat omzwervingen; zo was hij onder meer tekenleraar in Gouda, om in 1880 terug te keren naar Kampen, eveneens als leraar.

Uit de bijdragen over Tholens tekenkunst en grafiek komt naar voren dat hij over een soepele tekentrant beschikte, een gave die hij ook aanwendde bij het vervaardigen van zijn etsen. In 1885 werd hij dan ook uitgenodigd om lid te worden van de door onder anderen Willem Witsen opgerichte Nederlandsche Etsclub. Hoewel Tholen maar vier jaar lid is geweest en slechts drie etsen aan de verkoopportefeuilles heeft geleverd, is hij tot 1915 – zij het met grote tussenpozen – etsen blijven maken (zesentachtig in totaal). Daarnaast zijn er tientallen litho’s van zijn hand bekend.

Eveneens in 1885 logeerde Tholen voor het eerst bij Witsen op Ewijkshoeve, waar hij zijn latere vrouw Coba Muller ontmoette. Hij vestigde zich met haar in 1890 in de zogenaamde Kanaal Villa, gelegen bij de Witte Brug aan het Kanaal van Den Haag naar Scheveningen, waar ook het gezin van zijn vriend en collega Paul Arntzenius (1883-1941) kwam wonen. De laatste werd aanvankelijk opgeleid door Tholen.

Als gezegd kenmerkt het werk van Tholen zich door een zekere continuïteit. Hij werkte stug door in de losse stijl die hij zich eigen had gemaakt en vermeed rauwe of aanstootgevende onderwerpen. Bij Tholen oogt alles zonder meer vriendelijk. Juist omdat de eenvoudige taferelen en zijn stijl onveranderd bleven, lijkt het aantal hoofdstukken waarin ieder aspect van Tholens werk uitvoerig wordt belicht misschien wat te veel van het goede. De nadruk ligt op zijn originele standpunten en gevarieerde onderwerpskeuze. Mij bekoren vooral de kijkjes vanuit een raam, zoals Vogelvilla, een uitzicht vanuit een raam van Kanaal Villa, Landschap door een raam met hondje (1896), waarop men met het op een vensterbank gezeten hondje meekijkt over een bosgezicht en Een gezicht vanuit Hotel Van Diepen, Volendam, dat vanuit de naar binnen opengeslagen ramen via rode pannendaken een vergezicht biedt over de Zuiderzee en de lucht erboven. Door de totale afwezigheid van enige drang naar vernieuwing is Tholen bekritiseerd, maar tegelijkertijd werd hij door tijdgenoten bewonderd om zijn onafhankelijkheid en de sfeer van verstilling die zijn voorstellingen ademt.

In zijn persoonlijke leven betekende het overlijden van zijn vrouw Coba, in 1918, een groot verlies. Een jaar later hertrouwde hij met de zestien jaar jongere jonkvrouw Lita de Ranitz. Via haar kreeg hij veel portretopdrachten, onder andere uit hofkringen.

Zo kabbelde Tholens leven en werk zo’n beetje voort, zonder opzienbarende hoogtepunten. Het hoofdstuk ‘Tholen en de internationale kunstmarkt’ maakte mij nieuwsgierig. Dat de beroemde Haagse Scholers in Engeland, Schotland, de Verenigde Staten en Canada furore maakten via de gevestigde Nederlandse kunsthandel is algemeen bekend. Maar Tholen? Het vreemde is dat het grootste deel van deze uiteenzetting over de kunstmarkt in Nederland gaat, en hoe hij net als zijn tijdgenoten via de Amsterdamse handelaren Frans Buffa & Zonen en Van Wisselingh & Co zijn werk aan de man wist te brengen. Maar of de verkochte werken naar het buitenland gingen wordt niet vermeld, er worden voornamelijk Nederlandse klanten genoemd.

Er kwam kennelijk een kentering toen Tholen in 1886 een Paysage aan het Hongaarse Genootschap voor Schone Kunsten in Boedapest verkocht. Sindsdien ontfermde de Haagse kunsthandel Boussod, Valadon & Cie zich over de kunstenaar. Vervolgens werd Tholen vertegenwoordigd door de Engelse kunsthandel The French Company, bevoorraad door de Schot William Lawson Peacock. Hoe de verkoop naar Amerika en Canada verliep is een sappig verhaal, mede door het ongeloof en de jaloezie van vakgenoten als de Haagse Scholers die dezelfde afzetmarkt hadden. Geciteerd wordt de symbolist Johan Thorn Prikker (1868-1932), die naar aanleiding van een omslag van een tentoonstellingscatalogus van Tholen schreef: ‘Nou als je ooit van z’n leven zoo’n teekening maakt als op de bewuste catalogus dan ben je een aap van een vent en nog stom op de koop toe. […] Tholen is een lul geworden.’

Het is niet de bedoeling Tholens talent hier te gaan verdedigen. Ik kan me voorstellen dat zijn meer vooruitstrevende tijdgenoten hem wat oppervlakkig vonden. Het boek over hem is dat allerminst. Onvermijdelijk is dat de essays, waarin onder meer ook het huiselijk leven van de kunstenaar onder de loep wordt genomen, hier en daar wat overlap vertonen. Maar het is een fijn naslagwerk met een heleboel illustraties: honderd schilderijen, tachtig tekeningen en prenten in kleur, plus een groot aantal steunillustraties. Zeker is dat het oeuvre en de persoon van Willem Bastiaan Tholen dankzij de tentoonstelling en de hier besproken monografie een breder publiek dan alleen de kenners zullen bereiken.

Wiepke Loos, onafhankelijk onderzoeker en oud-conservator Rijksmuseum

De krant. Een cultuurgeschiedenis

Huub Wijfjes & Frank Harbers, red.

Amsterdam: Uitgeverij Boom, 2019. 368 p.
ISBN 9789024419814
€34,90

De recente digitalisering van veel Nederlandse kranten heeft een niet te onderschatten invloed op het historisch onderzoek in ons land. Miljoenen krantenpagina’s zijn online doorzoekbaar en met enkele muisklikken verschijnen historische bronnen op het computerscherm. Het is daarom niet toevallig dat een groeiend aantal scripties, dissertaties en boeken gebruik maakt van de op Delpher vindbare periodieken. Tijdens de Historicidagen van 2019 werd zelfs al gesproken van de ‘verdelpherisering’ van het historisch onderzoek. Met het toenemende gebruik van kranten als bronmateriaal neemt ook de noodzaak toe de geschiedenis van de krant zelf onder de loep te nemen. Toegankelijke interfaces en methoden verhogen immers het risico op het onzorgvuldig gebruik van de krant als historische bron. De krant. Een cultuurgeschiedenis komt daarom als geroepen. De bundel, geredigeerd door Huub Wijfjes en Frank Harbers, vormt de eerste in een reeks mediageschiedenissen die in de komende periode geschreven zullen worden in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Wijfjes is al lange tijd een van dé Nederlandse pleitbezorgers voor mediageschiedenis. Frank Harbers is verbonden aan de Universiteit Groningen, waar mediahistorisch onderzoek een prominente plek inneemt binnen de geschiedwetenschap. Ook buiten Groningen is mediageschiedenis inmiddels een volwaardige historische subdiscipline, met onderzoekers aan vrijwel iedere Nederlandse universiteit.

De auteurs voegen met deze prachtig vormgegeven bundel een nieuw hoofdstuk toe aan de lange traditie van perswetenschap en krantengeschiedenis. Zoals Wijfjes en Harbers in de inleiding beschrijven, verschenen de eerste bespiegelingen op de geschiedenis van de krant al in de late negentiende eeuw. Tot in de twintigste eeuw bleef de krantengeschiedenis vooral gericht op de financieel-institutionele ontwikkeling van de krant. Studies richtten zich op de vorming van professionele redacties, de groei van de krant als massamedium en zijn verhouding met de politiek. De persgeschiedenis werd hiermee gekenmerkt door het idee van een lineair groeiende persvrijheid, en doorlopend uitdijende oplagecijfers. In de late twintigste eeuw werd de krantgeschiedenis onderdeel van een breder veld van mediageschiedenis. Hierbij werd de krant steeds vaker het studieobject voor historici vanuit een cultureel perspectief, die het medium benaderden als historisch gewortelde cultuuruiting, maar tevens de inhoud van de krant gebruikten als raam op het verleden. De bundel bouwt op deze cultural turn in de (media)geschiedenis en bekijkt naast de institutionele ontwikkeling van het krantwezen ook de culturele conventies rondom het produceren, verspreiden en lezen van de krant.

De opzet van de bundel volgt de ontwikkeling van de krant van de zestiende eeuw tot in het afgelopen decennium. De hoofdstukken geven een overzicht van tijdvakken, maar richten zich ook op specifieke thema’s zoals persvrijheid (Hoofdstuk 2 en 3), de introductie van afbeeldingen (Hoofdstuk 5) en digitalisering (Hoofdstuk 8). De eerste hoofdstukken, geschreven door Esther Baakman, Michiel van Groesen (beiden verbonden aan de Universiteit Leiden als respectievelijk mediahistoricus en maritiem historicus) en Joop Koopmans (mediahistoricus in Groningen), beschrijven de geboorte van de krant in de zestiende eeuw en diens stormachtige groei in de zeventiende eeuw. Belangrijk is hier de fluïditeit van de grenzen tussen verschillende mediavormen. De eerste Nederlandse krant, de Courante uyt Italien Duytslant etc. uit 1618, verschilde weinig van de nieuwsbrieven die al langer de ronde deden en dienden als informatiebron voor handelaren en bestuurders. De eerste hoofdstukken laten tevens zien hoe repressie en liberalisering al sinds de zeventiende eeuw deel uitmaken van de geschiedenis van de krant. Zo wordt het kat-en-muisspel tussen individuele uitgevers en overheden, maar ook de wederzijdse afhankelijkheid tussen kranten en stedelijke besturen uitputtend beschreven door Koopmans.

De hoofdstukken vier tot en met zes beschrijven de stormachtige groei van de krant in de negentiende eeuw. Politiek historicus Remieg Aerts beschrijft hoe de krant de status van ‘koningin der aarde’ niet zonder slag of stoot verkreeg. De persvrijheid werd, ondanks haar in 1815 vastgelegde grondwettelijke basis, vaak beknot. Dit stond een groeiend publiek, en de opkomst van meer politieke kranten echter niet in de weg. Lokale ‘lilliputters’ en opkomende massakranten zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad leverden politiek commentaar en stimuleerden de vorming van een publieke sfeer.

Met de opkomst en verspreiding van het Nederlandse liberalisme omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd de roep om verdergaande liberalisering steeds groter. Frank Habers laat zien hoe echter pas in 1869 het zogenaamde “dagbladzegel” werd afgeschaft. Dit moment wordt doorgaans gezien als waterscheiding in de Nederlandse krantengeschiedenis. Harbers wijst op de schaalvergroting, technologische vooruitgang en professionalisering van het journaille die volgden op de afschaffing van het zegel. Vanaf de jaren zeventig en tachtig werd de krant een echt massamedium, en viel het krantenlandschap uiteen in verschillende zuilen met elk hun eigen kranten. Tegelijkertijd veranderde de inhoud van de krant aanzienlijk. Met kranten als De Telegraaf en Nieuws van den Dag als koploper werd steeds actiever ingespeeld op de wensen van het publiek. Mediahistoricus Thomas Smits’ hoofdstuk over de opkomst van afbeeldingen op de krantenpagina’s laat zien hoe ook afbeeldingen terrein wonnen op de krantenpagina’s.

De oorlogsjaren worden geanalyseerd door Mariëtte Wolf en Frank van Vree, beiden mediahistoricus en verbonden aan het NIOD. Indringend beschrijven zij hoe de verschillende redacties omgingen met de graduele doch effectieve nazificering van het perslandschap. Het beeld van de heldhaftige verzetskranten staat in schril contrast met de vele kranten die meebewogen met de eisen van de bezetter. De grondstructuur van het krantenlandschap veranderde desondanks niet ingrijpend tijdens de oorlog, aldus Wolf en Van Vree. Al met al was de Nederlandse krant na de oorlog zelfs professioneler en werkten kranten steeds meer samen.

De naoorlogse decennia vormden de hoogtijdagen van de krant. De oplagecijfers reikten tot in de hemel en de krant speelde een belangrijke rol in de culturele ontwikkelingen in de jaren zestig. Toch zag de krant zich al snel geconfronteerd met bijvoorbeeld de concurrentie van de televisie en hogere productiekosten, gevolgd door concentratie in het krantenlandschap en de groeiende macht van de pershuizen. Ook uit dit hoofdstuk blijkt hoe deze op het eerste oog bedreigende factoren innovatie en creativiteit stimuleerden. De opiniefunctie werd verbreed, de krant werd minder elitair en de pluriformiteit werd gewaarborgd ondanks de ‘persconcentratie’. De digitale revolutie, beschreven in het laatste hoofdstuk door Marcel Broersma (Hoogleraar Media en Journalistieke Cultuur in Groningen), vormde hierop geen uitzondering. Ondanks het crisisdiscours dat in de jaren nul postvatte, bleef de krant relevant en vond het medium zichzelf keer op keer, met wisselend succes, opnieuw uit.

Hoewel de verschillende hoofdstukken tezamen werken als een chronologisch overzicht wordt uit de bundel goed duidelijk hoe thema’s als technologische vooruitgang, nieuwe eisen van het lezende publiek en concentratie en fragmentatie in het krantenlandschap keer op keer terugkomen. Verschillende voorbeelden laten zien hoe de krant steeds geconfronteerd werd met politieke, technologische of financiële verandering. Hoewel verandering dikwijls en vaak terecht tegemoet werd getreden met zorg en pessimisme, dwong maatschappelijke verandering de krant ook tot aanpassing, creativiteit en innovatie. Wat dat betreft is het huidige pessimisme (waar de bundel niet geheel van gevrijwaard is) misschien niet helemaal terecht en zou je je kunnen afvragen of de huidige mediageschiedenis niet bedreigd wordt door een negatieve teleologie van onvermijdelijke krimp en degeneratie van de geschreven pers.

Ondanks dat deze bundel gaat over de ontwikkeling van de krant in Nederland, is een andere kanttekening de in sommige hoofdstukken beperkte aandacht voor internationale ontwikkelingen. Bijvoorbeeld de invloed van het buitenland in de uiterlijke vorm en commerciële strategie van de krant en de cruciale rol van grote persbureau’s als Reuters, Havas en Wolf blijven relatief onderbelicht, terwijl deze factoren juist voor Nederland relevant zijn.

Dit neemt niet weg dat De krant. Een cultuurgeschiedenis een uitstekend overzicht biedt van de Nederlandse krantengeschiedenis die zoveel meer omvat dan de institutionele ontwikkeling van dit (massa)medium. Het boek verdient een plek bij iedere historicus die bezighoudt met de geschiedenis van de krant of de eindeloze diepten van Delpher gebruikt voor onderzoek.

Ruben Ros, junior onderzoeker aan de Universiteit Utrecht en per September promovendus aan het Luxembourg Centre for Contemporary and Digital History (C2DH)

Dr. Hendrik Muller. Wereldreiziger voor het vaderland (1859-1941)

Dik van der Meulen

Amsterdam: Querido, 2020. 485 p.
ISBN 978 90 214 19305
€32,99

Voor iemand die hunkert naar eerbetoon en erkenning, graag verkeert in de hoogste kringen: voor zo iemand was ‘Muller’ wel een erg simpele achternaam. Hendrik (Henk voor intimi) Muller: zo zou een bakkersknecht kunnen heten, maar iemand die werd geboren in een vermogende Rotterdamse familie van kooplui en handelaren? De ijdele Hendrik probeerde de chique achternaam van zijn moeder, Van Rijckevorsel, aan Muller vast te plakken, maar dat werd niet toegestaan. In 1894 promoveerde hij in Duitsland op een lichtgewicht proefschrift over land en volk tussen de Zambezi en Limpopo, twee rivieren in Mozambique. Zo kon hij in elk geval de doctorstitel voor zijn naam zetten. Maar pas in 1916, 57 jaar oud, slaagde hij definitief. In dat jaar kocht hij in Zeeland een vroegere ambachtsheerlijkheid op: Werendijke. Voortaan heette hij dr. Muller van Werendycke. In zijn vriendenkring leidde dat tot vrolijkheid, noteert zijn biograaf Dik van der Meulen, die de strijd om een mooie achternaam met smaak vertelt.

Van der Meulen is een gelauwerd biograaf, met veelgeprezen levensbeschrijvingen van Multatuli en koning Willem III op zijn naam. Geen wonder dat het bestuur van Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds – een charitatief fonds dat Mullers vermogen na zijn dood beheert (hij stierf kinderloos) – bij hem uitkwam toen het een biograaf zocht. Van der Meulen stelt niet teleur: Dr. Hendrik Muller. Wereldreiziger voor het vaderland is een soepel geschreven en levendig portret van een man waarop veel etiketten te plakken zijn: koloniaal koopman, overtuigd patriot, conservatief-liberaal, weldoener, vrijgezel (hoewel hij wel vriendinnen had), diplomaat en vooral: reiziger – in eigen ogen zelfs een ontdekkingsreiziger. Hij trok als twintiger door voorheen door Europeanen niet of amper bezochte gebieden in Zuidoost-Afrika. Zijn familie en de Handels Compagnie Mozambique hoopten dat hij thuis zou komen met informatie over interessante handelsmogelijkheden, maar voor zakenman was hij niet in de wieg gelegd. Uiteindelijk accepteerde de HCM (omgevormd tot de Oost-Afrikaansche Compagnie) dat ook: hij zou jaarlijks 3000 gulden krijgen mits hij de OAC nooit concurrentie zou aandoen. Voortaan kon hij zich wijden aan reisboeken schrijven. Zijn eerste boek, Zuid-Afrika. Reisherinneringen (1889) kreeg een gunstig onthaal. Ook als spreker over zijn avonturen in exotische landen was hij geliefd.

Vermogend als Muller was, kon hij zich wijden aan zaken die hij belangrijk vond. Vooral Zuid-Afrika, dat hij kende uit zijn reizen, lag hem na aan het hart. Als een soort zelfbenoemde consul voor Oranje-Vrijstaat spande hij zich in voor de Boeren, destijds in oorlog verwikkeld met de Engelsen. Zonder veel succes overigens, en ook nauwelijks gewaardeerd door de Oranje-Vrijstaters. In de Eerste Wereldoorlog werd hij benoemd tot regeringscommissaris voor de opvang van Belgische vluchtelingen, en hij deed dat met veel inzet. In 1919 werd hij officieel gezant van Nederland in Boekarest. Eindelijk was hij af van de rang van consul, toch vooral een functie van eigen makelij. Als diplomaat kon hij nu koningen en presidenten ontmoeten: te lange leste de erkenning die hij naar zijn gevoel verdiende. Zijn laatste jaren in actieve dienst sleet hij als gezant in Praag. Hij stierf in 1941 in Den Haag, 81 jaar oud. Tevreden, mag men aannemen, met wat hij bereikt had. Thuis werd hij verzorgd door twee vriendinnen, die elkaar afwisselden. Zijn familie sprak van een Zomer- en een Wintervrouw, achterhaalde Van der Meulen. Van koningin Wilhelmina had hij het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau gekregen; in 1938 woonde hij nog de tewaterlating bij van de door hem betaalde reddingsboot van de NZHRM. De naam van de boot: President Steyn, de door hem zo hooggewaardeerde president van de voormalige Oranje-Vrijstaat. De boot deed twintig jaar in dienst in Egmond aan Zee.

Ben de Pater, universitair hoofddocent sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht

Boekrecensie: Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870

Pieter Huistra

Hilversum: Uitgeverij Vantilt, 2019. 384 p.
ISBN 978 94 6004 380 2
€24,50

In Bouwmeesters, zedenmeesters laat Pieter Huistra ons kennis maken met de milieus, waarden en praktijken van Nederlandse geschiedkundigen in het midden van de negentiende eeuw. Het eenvoudige gegeven dat vertegenwoordigers van de generaties voor Fruin er vaak bekaaid vanaf komen in de geschiedkundige reflectie op het verleden van de eigen discipline, biedt al een eerste goede reden om deze studie met interesse te lezen. Een tweede goede aanleiding om het boek te lezen, is de keuze van de auteur om zich voornamelijk te richten op ‘de middelmatige en daarom juist illustratieve vertegenwoordigers van een bredere tendens’ (p. 11). Deze insteek nodigt uit om slechts in beperkte mate in te gaan op de atypische levens en werken van illustere grootheden als Bilderdijk en Groen van Prinsterer, om in plaats daarvan de blik te richten op de gedeelde ervaringen en waarden van een groot aantal geschiedkundigen die vandaag de dag nauwelijks nog herinnerd worden.

Huistra werpt licht op deze ‘kleine mannen van de geschiedbeoefening’ door zowel aandacht te besteden aan de institutionele en intellectuele kaders waarbinnen zij werkten als aan de praktijken die zij zich hiertoe eigenmaakten (p. 274). In de sectie over kaders schetst hij eerst de instituties waarbinnen geschiedkundigen zich bewogen, zoals archieven, genootschappen, tijdschriften en universiteiten. Vervolgens onderzoekt hij zowel hun professionele netwerken als de sociaal-economische achtergrond van de geschiedvorsers en genootschapsleden, die een bont gezelschap van kleinburgers, grootburgers en adel vormden. In het slothoofdstuk van de sectie over kaders onderzoekt Huistra welke geschiedenis in het midden van de negentiende eeuw het onderzoeken waard werd geacht. Hij gaat hier zowel in op de complexe relatie tussen nationale en regionale geschiedschrijving in negentiende-eeuws Nederland als op het niet strikt af te bakenen onderscheid tussen geschiedenis en oudheidkunde.

De tweede helft van het boek is gewijd aan praktijken: welke activiteiten ontplooiden geleerde mannen in de negentiende eeuw nu daadwerkelijk in hun hoedanigheid als geschiedkundigen? Huistra bespreekt onder meer de immer blijvende aantrekkingskracht van de studie van primaire bronnen als toetssteen voor wetenschappelijkheid. Hij besteedt ook uitvoerig aandacht aan de politieke en morele beladenheid van geschiedschrijving. Met name de studie van de Opstand en de Tachtigjare Oorlog was in de ogen van velen geschikt om een licht te schijnen op de eigentijdse politieke verhoudingen en de nationale identeit. De levens van de helden uit die tijd waren daarnaast ook een lichtend voorbeeld voor de negentiende-eeuwse Nederlandse burger. Huistra onderzoekt in dit deel van het boek ook de waarden, idealen en praktijken die ten grondslag lagen aan het verzamelen van historische teksten en artefacten: hij laat zien hoe in musea en archieven zowel bescherming als betekenis aan verzamelingen werd geboden (p. 169). In het slothoofdstuk richt de auteur zijn aandacht vervolgens op een van de sappigste elementen van de wetenschapsgeschiedenis: het polemiseren.

De keuze om de laatste sectie van het boek af te sluiten met een bespiegeling op het polemiseren is in veel opzichten een goede beslissing. Zoals Huistra terecht stelt, raakt dit hoofdstuk aan veel van de thema’s die ook in eerdere hoofdstukken al aan bod zijn gekomen (p. 269). Hierdoor worden in dit hoofdstuk de verworven inzichten over verschillende onderwerpen, zoals de politieke en morele lading van geschiedschrijving, de sociale achtergrond van geschiedbeoefenaars en het belang van primaire bronnen en archieven, bij elkaar gebracht op een manier die hun onderlinge verwevenheid toont. Het hoofdstuk gaat voornamelijk (doch niet uitsluitend) in op één heftig debat: de polemiek tussen Maurits Cornelis van Hall en Guillaume Groen van Prinsterer over het leven en het karakter van Hendrik van Brederode. Juist door deze beperking is de auteur in staat om recht te doen aan het brede scala aan institutionele, professionele, sociale, politieke en persoonlijke factoren die in hun polemiek een rol speelden.

Als gevolg van de sterke gerichtheid op deze ene casus en de keuze om het hoofdstuk te gebruiken om elementen uit de eerdere hoofdstukken in onderlinge samenhang te presenteren, worden enkele vragen over het polemiseren echter minder uitputtend behandeld dan mogelijk. Deze vragen hebben met name betrekking op breder gedeelde waarden en resolutiemechanismen. Welke vormen van kritiek werden als toelaatbaar gezien? Op welke manieren beïnvloedden sociale en institutionele posities de mogelijkheden om kritiek te geven en de mate waarin iemand kon verwachten aan kritiek blootgesteld te worden? Waren er institutioonele mechanismen om te bemiddelen als een voortdurende polemiek de gemeenschap van geschiedkundigen dreigde te schaden? Het gedetailleerde verslag van de discussie tussen Van Hall en Groen van Prinsteren doet vermoeden dat hierover meer te zeggen is door andere polemieken met net zoveel aandacht uit te werken.

Deze openblijvende vragen doen echter niets af aan de sterke punten van het boek. Een punt wat hierbij met name in het oog springt, is dat de studie een waardevolle aanvulling biedt op een onderzoeksterrein dat de laatste jaren met recht steeds meer aandacht krijgt: de geschiedenis van de geesteswetenschappen. Het verschijnen van het eerste nummer van History of Humanities in het voorjaar van 2016 illustreert de toenemende interesse in dit onderwerp. Verschillende analytische benaderingen waar Huistra in Bouwmeesters, zedenmeesters voor kiest, zijn bij uitstek geschikt om bij te dragen aan een breed scala aan discussies die niet slechts binnen de geschiedenis van de geschiedkunde spelen maar relevant zijn voor een breder begrip van de ontwikkeling van de geesteswetenschappen. Analyses van, bijvoorbeeld, institutionele ontwikkelingen, opvattingen over wetenschappelijke deugdzaamheid, de politieke en morele lading van geesteswetenschappelijke studie en de rol van professionele netwerken kunnen bijdragen aan een beter begrip van de ontstaansgeschiedenis van alle geesteswetenschappelijke disciplines.

Tot slot: de titel van het boek suggereert dat de bouwmeesters van de Nederlandse negentiende-eeuwse geschiedwetenschap ook zedenmeesters waren. Huistra beschrijft nauwkeurig hoe de geschiedenis een ‘leermeesteres’ diende te zijn en verwacht werd bij te dragen aan ‘karaktervorming’ (p. 241). Hoewel ik niet zou willen betogen dat dergelijke karaktervorming het uitgangspunt dient te zijn van de hedendaagse geschiedschrijving, geloof ik dat menig eenentwintigste-eeuwse geschiedbeoefenaar er baat bij kan hebben om eens in de spiegel te kijken die Huistra ons in Bouwmeesters, leermeesters voorhoudt. Ondanks de vanzelfsprekende verschillen tussen toen en nu, zal de aandachtige waarnemer verbazingwekkend veel herkennen in de idealen en praktijken van de kleine mannen uit de Biedermeiertijd.

Christiaan Engberts, docent, Departement Cultuurgeschiedenis, Universiteit Utrecht

Boekrecensie: Landgoed als leerschool. Biografie van Philip Dirk baron van Pallandt van Eerde (1889-1979)

Joke Draaijer

Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019. 384 p.
ISBN 978 90 8704 800 6
€35,-

De godsdienstwetenschapper Joke Draaijer promoveerde in 2019 op dit proefschrift aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar boek over Philip Dirk baron van Pallandt van Eerde (1889-1979) is de biografie van een buitengewoon schilderachtig figuur. Van Pallandt bezocht nooit een middelbare school en volgde nooit een studie. Hij vervulde nooit een openbaar ambt en bedankte in 1928 per brief als gemeenteraadslid van Ommen. Hij legde nooit een rijexamen af, maar gold eind jaren vijftig als de langst (schadevrij!) rijdende automobilist van Nederland. Bij zijn internering in Buchenwald in 1940 bleek, tot ergernis van zijn medegevangenen, dat hij nooit eerder huishoudelijk werk had verricht. Van Pallandt erfde in 1913 het landgoed Eerde en werd daarmee in één klap één van de grootste grondbezitters van Nederland, maar gaf het landgoed in 1923 weg aan een stichting ten behoeve van ‘Maitreya, the Bodhisatva of our race’ en het werk van ‘wereldleraar’ Krishnamurti. Het zijn de ingrediënten van een bizar verhaal, een verfilming waardig.

De biografie volgt de levensloop van de hoofdpersoon en de ontwikkelingen op het landgoed Eerde grotendeels chronologisch. In het verlengde van het enorme spectrum van interesses, activiteiten en goede doelen in het leven van Van Pallandt, gaat Draaijer in op de meest uiteenlopende thema’s. Dat maakt het een heel rijk boek: iemand met interesse in bijvoorbeeld de geschiedenis van de adel in Nederland, moderne architectuur, reformpedagogiek of de verspreiding van Krishnamurti’s beweging in Nederland, vindt in Landgoed als leerschool een schat aan informatie. Hier worden de drie belangrijkste hoofdlijnen van activiteit in Van Pallandts leven nader toegelicht.

Ten eerste gaat Draaijer in op de vroegste geschiedenis van scouting in Nederland, vóór de oprichting van de vereniging De Nederlandsche Padvinders (NPV). In deze historiografie bestaan nog steeds vragen, hoe scouting in die allereerste periode naar Nederland kwam en waar en wanneer de eerste Nederlandse padvindersgroepen werden opgericht. Draaijers boek roept hierover helaas meer vragen op. Ze beschrijft bijvoorbeeld dat Van Pallandt in 1911 Baden-Powells boek Scouting for boys leerde kennen, en pas daarná ontdekte dat in zijn eigen woonplaats Den Haag al een padvindersgroep bestond. Deze groep, de ‘Jonge Verkenners’, werd opgericht na de fietstocht van een Britse padvinderspatrouille naar Nederland in 1910.

Het lijkt een zeldzaam toeval dat Van Pallandt eerst het Britse bezoek had gemist en pas daarna via Baden-Powells boek bij de scouting uitkwam, terwijl in dezelfde tijd en onafhankelijk daarvan de Haagse groep werd opgericht, die zich nota bene vanaf 1913 naar haar beschermheer de ‘Van Pallandtgroep’ noemde. Dit toeval wordt nog curieuzer met het oog op de verdeeldheid in de vroege Nederlandse scoutingbeweging. Van Pallandt bewonderde Baden-Powell en diens boek Scouting for boys, maar de ‘Jonge Verkenners’ hanteerden de voor Nederland aangepaste methode volgens het boek van Van Hoytema. Het kwam pas in 1915 tot een fusie van de concurrerende padvindersorganisaties, op aandringen van prins Hendrik.

Van Pallandts rol in deze geschiedenis blijft nogal onduidelijk. Maar zelfs als hij niet actief vorm gaf aan de inrichting en methodiek van scouting in Nederland, was hij vanaf het vroegste begin betrokken bij de beweging. Het is daarom erg jammer dat de biografie van dit centrale personage geen nadere details of nieuwe puzzelstukjes oplevert. Dit is overigens wél het geval voor de betrokkenheid van de Nederlandse koninklijke familie: hierbij speelde Van Pallandt volgens Draaijers boek zelfs een sleutelrol. Prins Hendrik was op het familielandgoed Duinrell, dat dankzij Philip voor de scouts was opengesteld, voor het eerst getuige van oefeningen van de ‘Jonge Verkenners’. De prins werd in 1915 beschermheer van de nieuwe NPV.

De tweede hoofdactiviteit van Van Pallandt, zijn godsdienstige ontwikkeling, wordt in de biografie breed uitgemeten. Via astrologie, spiritisme en theosofie werd hij een volgeling van Krishnamurti’s Order of the Star in the East. Eerde was van 1924 tot 1938 het toneel van de zogenaamde ‘sterkampen’ van die beweging. Toen Krishnamurti in 1929 verklaarde dat iedereen zelf de weg naar verlossing moest zoeken en zijn Orde ophief, kreeg Van Pallandt zijn landgoed terug, maar hij beschouwde Krishnamurti toch voor de rest van zijn leven als geestelijk leidsman.

Van Pallandts betrokkenheid bij de natuurbescherming, de derde hoofdlijn, loopt als een rode draad door de biografie. Toch blijft tot het eind van het boek onduidelijk, wat de baron nu echt bijdroeg aan organisaties als de Vogelbescherming of Natuurmonumenten. Bij Van Pallandts vijftigjarig jubileum als bestuurslid van Natuurmonumenten werd vooral zijn ‘trouwe aanwezigheid bij de vergaderingen’ gememoreerd (p. 331). Aan de andere kant beschermde hij Eerde als eigenaar tegen ontginningen of ontsiering van het landschap. Ondanks zijn voornemen om het landgoed als één geheel bij elkaar te houden, werd het in kleine stukken verkocht, weliswaar aan ideële kopers: Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Daarover mag niet te licht worden gedacht, zeker in de context vóór de jaren zestig, toen natuur en milieu nog niet in tel waren.

Het boek is mede tot stand gekomen op verzoek van Philip van Pallandts dochters. Draaijer heeft daarom gebruik kunnen maken van het familiearchief, van autobiografische notities die Van Pallandt zelf heeft geschreven, en van de herinneringen van zijn dochters. Ondanks deze rijke bronnenselectie blijven sommige vragen onbeantwoord, bijvoorbeeld die naar de financiële situatie van Van Pallandt. Het lijkt erop dat hij met zijn dure hobby’s, reizen over de hele wereld, ondersteuning van diverse goede doelen en mogelijk wanbeheer van het landgoed Eerde, zijn deel van het familievermogen er door heeft gejaagd. Daarin zit een onevenwichtigheid: Draaijer heeft wel uitgepluisd wie de kapper van Philips moeder in Den Haag was, maar kan niet toelichten of Philip zelf delen van zijn landgoed moest verkopen om het hoofd boven water te houden.

Wat ook ontbreekt in de biografie: een stukje agency. Het lijkt erop dat Draaijer in sterke mate Van Pallandts eigen bescheiden autobiografische notities volgt. In het boek is de hoofdpersoon geen zelfstandige historische actor, maar een zoeker, een volger van de geschiedenis, wiens idealisme door inspirerende leidersfiguren in bepaalde richtingen geleid werd. De wortels van dit idealisme blijven daardoor een mysterie.

Van Pallandt was vooral een netwerker, een bruggenbouwer tussen kapitaalkrachtige leden van de upper class en verschillende sociale, religieuze en natuurbeschermingsdoelen. Maar dat was niet onbelangrijk: hij legde bijvoorbeeld het cruciale contact tussen het koninklijk huis en de scouting, in de vroegste fase van die beweging in Nederland. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog was Van Pallandt misschien meer dan ‘een van de naamloze deelnemers aan de illegaliteit’ (p. 287), gezien het grote aantal onderduikers op Eerde. Dat maakt van hem nog geen “held” in de geschiedenis, maar maakt zijn levensverhaal wel interessanter om eventueel ooit te verfilmen.

Kristian Mennen, postdoc onderzoeker, Departement Geschiedenis, Kunstgeschiedenis & Oudheid, Radboud Universiteit Nijmegen

Verzamelrecensie Nederlandse schildersdorpen

De schilders van Dongen
Ron Dirven, Monique Rakhorst en Helma van der Horst

Zwolle: WBOOKS, 2019, 180 p.
ISBN 978 94 625 8361 0
€ 22,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

De schilders van de Veluwezoom
Ulbe Anema, Jeroen Kapelle en Dick van Veelen

Zwolle: WBOOKS, 2019, 240 p.
ISBN 978 94 625 8336 8
€ 22,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

Barbizon van het Noorden.
De ontdekking van het Drentse landschap, 1850-1950
Annemiek Rens

Zwolle: WBOOKS, 2019, 240 p.
ISBN 978 94 625 8346 7
€ 25,95 Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling De heks van Dongen. Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw, Breda, Stedelijk Museum Breda, van 12 oktober 2019 t/m 26 januari 2020.

In 2015 lanceerde WBOOKS (voorheen Uitgeverij Waanders) in samenwerking met diverse musea een reeks boekjes over kunstenaarskolonies en -dorpen. Tot nu toe verschenen Schilderkunst in Laren (2015), De schilders van De Ploeg (2016), Rondom de Bergense School (2016), De schilders van Drenthe (2017), De schilders van Domburg (2018), De schilders van Staphorst (2018) en ten slotte in 2019 De schilders langs de IJssel, Nunspeet Schildersdorp, en de drie hier besproken deeltjes.

De aanduiding ‘boekjes’ en ‘deeltjes’ komt misschien wat neerbuigend over. Dat is niet de bedoeling, maar komt voort uit het formaat (20 bij 20 centimeter) en de opzet ervan. Het gaat om publieksvriendelijke plaatjes- dan wel bladerboekjes, waarbij de begeleidende teksten niet meer dan de meest noodzakelijke informatie bevatten. Voor diepgravend kunsthistorisch onderzoek naar de kunstenaarskolonies is men aangewezen op eerdere publicaties, monografieën of tentoonstellingscatalogi, die in de boekjes in de respectievelijke literatuuropgaves zijn vermeld.

Tussen 1840 en 1940 moeten er zo’n tachtig kunstenaarsdorpen in Nederland zijn geweest. Honderden kunstenaars kwamen vanuit het hele land om er tijdelijk te bivakkeren of om er zich zelfs te vestigen. Ze zochten er motieven die in drukke steden ontbraken: de ongerepte natuur en het primitieve plattelandsleven. In 2004 verscheen het door Saskia de Bodt samengestelde Schildersdorpen in Nederland (Terra Lannoo BV), gekoppeld aan een tentoonstelling in Singer Laren. Hierin wordt ingegaan op het hoe en waarom kunstenaars samenschoolden in bepaalde streken of dorpen. Als gebruikelijk wordt de omstreeks 1840 gevormde schildersgroep in het Franse Barbizon genoemd als het voorbeeld voor het werken en plein air, dat mogelijk werd dankzij de uitvinding van de verftube. De Bodt gaat in op de Veluwezoom, Noorden en Kortenhoef, Katwijk, Nunspeet, Hattem, Heeze, Laren, Bergen, Domburg en Veere, Spakenburg, Staphorst en Volendam.

De reeks van WBOOKS overlapt deels met Schildersdorpen en vele andere publicaties die over de afzonderlijke pleisterplaatsen verschenen. Kennelijk is het thema nog steeds actueel. Ook de stedelingen van nu zoeken nog steeds schilderachtige plekjes op, hetzij fysiek, hetzij in de luie stoel, bladerend in de boekjes waarin te zien is hoe mooi het vroeger was.

Mijn uitgangspunt bij de bespreking van de drie deeltjes was dat ik in ieder geval de eraan gelinkte tentoonstellingen heb bezocht. Dat was zeer de moeite waard, en soms zelfs verrassend. Want hoe fraai reproducties ook mogen zijn, ze blijven hoe dan ook tweedimensionaal. Dan is er ook nog het punt van de formaten, die weliswaar bij de afbeeldingen zijn vermeld, maar desondanks niet à la minute in te schatten zijn.

De schilders van Dongen

De uitgave over het Noord-Brabantse, nabij Breda gelegen Dongen, bevat 144 afbeeldingen, verdeeld over zo’n dertig kunstenaars. De hoofdrollen zijn weggelegd voor de Amsterdammer August Allebé (1838-1927), de Groningse Hagenaar Jozef Israëls (1824-1911), de Duitser Max Liebermann (1874-1935) en de Haagse, maar in tal van andere plaatsen werkzame Suze Robertson (1855-1922).

De indeling is thematisch, beginnend met ‘De ontdekking van Dongen’, via onder meer ‘De heks van Dongen’ en ‘Van Goghs inspiratie’, eindigend met ‘Modernisering’. Het meest fascinerend is de ontdekking van het dorp. Hoe kwam het dat Dongen met zijn eenvoudige boeren- en arbeidersbevolking zo’n aantrekkingskracht had? Het antwoord ligt in het pittoreske van de stilstand, waardoor lange tijd alles bleef zoals het was: de oude boerderijen, de heidevelden, de machtige bossen, de zandduinen en de lokale bevolking.

Een andere vraag is waarom nou juist Dongen een van de vroegste kunstenaarsdorpen van Nederland was. Dat hing samen met de Belgische Opstand van 1830. Gevreesd werd dat ook Noord-Brabant zich zou afscheiden van Holland, met als gevolg een toestroom van militairen om de provincie te beschermen. Zo kwam het dat de Bredase kunstenaar Constant Huijsmans (1810-1886) zijn studie aan de academie in Antwerpen onderbrak om deel te nemen aan de grensbewaking. Tijdens zijn tochten door Brabant kwam hij in de omgeving van Dongen terecht, waar het onderwerp van soldaten op bivak op zijn pad kwam. In 1833 vervolgde Huijsmans zijn studie in Parijs, waarna hij in 1836 zijn vader opvolgde als tekenleraar aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Het spreekt voor zich dat hij met zijn leerlingen naar het door hem ontdekte Dongen trok. In 1866 werd hij leraar aan de HBS in Tilburg, waar Vincent van Gogh een van zijn leerlingen was. Het is voorstelbaar dat de leraar de liefde die Van Gogh koesterde voor het arme boerenleven heeft aangewakkerd.

Na Huijsmans volgden velen die tijdelijk in Dongen werkten. Van een echte schilderskolonie was geen sprake, het was een komen en gaan. Er is hier geen ruimte om op al die kunstenaars in te gaan, maar om de hierboven genoemde representanten kunnen we niet heen. August Allebé, de latere hoogleraar-directeur aan de Rijksacademie te Amsterdam, bezocht Dongen voor het eerst in 1865. Hij voelde zich in de schaduw gesteld van Josef Israëls, en zocht naar een uitweg. Zijn vader had als militair in Brabant gediend en hem waarschijnlijk op Dongen gewezen, wat goed uitpakte. Tien jaar lang kwam hij elke zomer terug om er schetsen te maken die de basis vormden voor zijn in het atelier geschilderde genretaferelen met een sterk verhalend, soms een beetje sprookjesachtig karakter. Een van zijn vaste modellen was ‘Vrouw Muskens’. Zij was de waardin van de herberg van de familie Muskens, waar de meeste schilders onderdak genoten. Ook een van haar dochters, Mina, heeft model gestaan voor Allebé. Hij tooide zijn modellen bij voorkeur met de kenmerkende witte Dongense muts.

Het was ook Allebé die postuum verantwoordelijk is geweest voor de titel van de tentoonstelling De heks van Dongen. Op het Brabantse platteland werd bijgeloof destijds nog serieus genomen. Het spookte, en er waarden heksen rond. Allebé noemde de regio een ‘Heksenland’ en beeldde een oude vrouw af als een toverkol. Ook andere kunstenaars zochten haar op en lieten haar poseren terwijl ze kousen stopte, koffie maalde, aan een spinnenwiel zat, hout sprokkelde of aardappels at. Op den duur sprak men van ‘de heks van Dongen’. Allebés toverkol was in werkelijkheid de bejaarde, zonderlinge Petronella Verhoeven, bijgenaamd Piet of Pietje Verhoef uit de Biezen.

Jozef Israëls, de nestor van de Haagse School, was gepreoccupeerd met de levens van minder bedeelden – zo staat hij te boek als de uitvinder van het vissersgenre. Op de tentoonstelling in Breda imponeerde een enorm schilderij, Schoenmakersfamilie aan het middagmaal (karig maal) uit 1876, in bruikleen van Glasgow Museums. Er heerst een stemming van berusting. De licht-donkerwerking is zo kunstig toegepast, dat meerdere onderdelen van het geheel blikvangers zijn. In het boek is nog een dergelijke voorstelling opgenomen, Boerengezin aan de maaltijd uit 1882, een slag kleiner, in bezit van het Van Gogh Museum.

In de publicatie wordt terecht een directe link gelegd tussen Israëls’ maaltijd-taferelen en De aardappeleters van Vincent van Gogh uit 1885. Vincent bewonderde de oudere Haagse Scholer en noemde hem ‘de boerenschilder van de eeuw’. Na in 1882 een versie van Israëls’ aardappelpikkers te hebben gezien, voltooide hij in 1885 in Nuenen het beroemde schilderij De aardappeleters, waarop anders dan bij Israëls de niets ontziende rauwe werkelijkheid in al haar facetten wordt getoond. Israëls liet zich op zijn beurt door Van Gogh inspireren, al is zijn versie van De aardappeleters uit 1903 (Den Haag, Kunstmuseum) geromantiseerd vergeleken bij het voorbeeld.

Veel aandacht is ingeruimd voor Max Liebermann, de Duitse schilder die zo ongeveer in alle publicaties over de Haagse School en de Tachtigers opduikt. Liebermann bezocht van 1871 tot 1913 ons land bijna jaarlijks en raakte bevriend met onder anderen Jan Veth en Jozef Israëls. Waarschijnlijk heeft Allebé hem de weg naar Dongen gewezen. In ieder geval was hij er meermalen aan het begin van de jaren tachtig en maakte er luchtige, impressionistische olieverfstudies van spinsters, sokken stoppende vrouwen (met Pietje als model) en kantwerksters.

Suze Robertson was en is een algemeen bewonderde kunstenares met een unieke stijl. Ze werkte met donkere, aardse kleuren, zwarte contourlijnen en een pasteuze, ruige verfopbreng. Haar onderwerpen ontleende Robertson aan het dagelijks leven en de ambachten van eenvoudige mensen, zoals ze die in Laren, Leur, Heeze en Dongen heeft gezien. Het is niet bekend hoe vaak Robertson Dongen bezocht, maar ze was er in ieder geval in 1883. Twee binnen haar oeuvre zeer belangrijke schilderijen voeren terug naar Dongen, aangezien Pietje ervoor model heeft gestaan: De kaartlegster en Oude vrouw met takkenbos. Op beide schilderijen zijn de oude vrouwen te interpreteren als geheimzinnige, heksachtige verschijningen.

Kort na 1880 moderniseerde Dongen in een rap tempo. De ambachtelijke manier van werken maakte plaats voor fabrieksmatige productie, Dongen verwerd tot een industriedorp, met vervuilende leerlooierijen (de meeste van Nederland!), schoenmakerijen en stinkende schoorstenen. De schilders die er voorheen kwamen vanwege het natuurlandschap en de authenticiteit van het dorp, hadden er niets meer te zoeken.

Als onderdeel van De heks van Breda was in het Vincent van GoghHuis in Zundert de bescheiden tentoonstelling Suze Robertson & Marenne Welten – naast Van Gogh te zien. De directeur-conservator Ton Dirven, die medeverantwoordelijk was voor de opzet van de tentoonstelling in Breda, selecteerde hiervoor veertien indrukwekkende schilderijen van Robertson. Opmerkelijk zijn twee portretten van Pietje, zittend in een bruin gewaad, de ogen half geloken, met een opengeslagen boek op haar schoot. Bijzonder is dat in een van de twee werken bladgoud is verwerkt (Gustav Klimt avant la lettre), nonchalant rondom het hoofd van het model gestrooid. Bij deze tentoonstelling is in eigen beheer de gelijknamige brochure uitgegeven (gratis), samengesteld door Ton Dirven en Anna van Leeuwen, waarin alle veertien tentoongestelde werken zijn afgebeeld.

In de beknopte literatuurlijst in De schilders van Dongen wordt de uitvoerige, wetenschappelijke oerversie van het hier besproken platenboek genoemd: Ron Dirven, Hanna Klarenbeek en Saskia de Bodt, Schilders van Dongen (Schiedam: Scriptum Art, 2008, 160 p. ISBN 978 90 5594 597 9).

De schilders van de Veluwezoom

Gemeten aan de hoeveelheid publicaties die over de Veluwezoom met de schildersdorpen Oosterbeek en Wolfheze zijn verschenen, is deze Gelderse streek veruit de meest bekende pleisterplaats voor kunstenaars die er sinds 1840 massaal in de open lucht kwamen werken. Beginnend met Schilders van den Veluwezoom van Johan Wesselink uit 1943 beslaat het onderwerp (inclusief monografieën) ruim een meter in mijn boekenkast – iets waar ik zelf met een klein aantal centimeters debet aan ben. Daar is nu dit deel uit de serie van WBOOKS aan toegevoegd.

De schilders van de Veluwezoom is in meerdere opzichten uitgebreider dan De schilders van Dongen: het telt meer pagina’s, heeft meer dan tweehonderd afbeeldingen, de tekst is uitvoeriger en de literatuuropgave veelomvattender. In eerste instantie is men geneigd te denken dat het zoveelste boek over de Veluwezoom niets nieuws te bieden heeft. De clichés over het Nederlandse Barbizon en de Wodanseiken zijn niet te vermijden, maar de drie gespecialiseerde auteurs hebben voor compacte samenvattingen gekozen, met goed resultaat.

Na de inleiding ‘Het landschap en de zes dorpen van de Veluwezoom’ volgen Deel 1, ‘De Veluwezoom ontdekt 1840-1890’, onderverdeeld in drie hoofstukken en Deel 2, ‘Blijvende bewondering, een nieuwe generatie kunstenaars 1900-1949’ waarin wordt ingegaan op de kunstenaarskolonie Renkum-Heelsum.

De inleiding, over het ontstaan van het landschap en de dorpen Oosterbeek, Wolfheze, Renkum, Doorwerth en Heelsum leest als een prettig resumé van alles wat er over deze materie bekend is. Hetzelfde geldt voor de eerste twee hoofdstukken in Deel 1, waarin voor hen die thuis zijn in het onderwerp alles weer eens op een rijtje wordt gezet.

Van de landschapschilders van het eerste uur die de Veluwezoom aandeden, Fredrik Hendrik Hendriks (1808-1865) en Johannes Warnardus Bilders (1811-1890), verdient de laatste speciale aandacht. In 1842 besloot hij om met zijn gezin vanuit Utrecht voor drie maanden naar Oosterbeek te gaan. Het werden drie jaar; daarna pendelde hij op en neer tussen Utrecht en Oosterbeek. Daar was hij de spil van een groot aantal jongere kunstenaars, onder wie zijn jong gestorven zoon Gerard (1838-1865), Anton Mauve (1838-1880) en P.C.J. Gabriël (1828-1903). Mede hierdoor geldt hij als een van de wegbereiders van de Haagse School. Ook worden de legendarische, door Bilders geïnitieerde rituelen aan de beek onder de Wodanseiken in het kort aangestipt.

Moeilijk voor hen die aan logica hechten, is het derde hoofdstuk van Deel 1, ‘Kunstenaressen in Oosterbeek’. Daarin passeren Swanida Wildrik, Maria Vos, Adriana Haanen, Anna Abrahams, Anna Wolterbeek, Sientje Mesdag-van Houten, Marie Bilders-van Bosse en Catharina Kool de revue. Maar ook komen tussen de dames door Remigius en George Gilles Haanen (als ‘broers van’), H.W. Mesdag (als ‘echtgenoot van’) en uit het niets Johannes Gijsbert Vogel, Marinus Heijl, Piet Meiners, Louis Apol en Théophile de Bock aan de orde. Deel 1 eindigt zo met Théophile de Bock in het hoofdstuk ‘Kunstenaressen’, terwijl Deel 2 met hem begint. Hoewel ik er zelf niet zwaar aan til (ik blader lekker verder) is het toch een beetje vreemd.

Deel 1 van De schilders van de Veluwezoom is een geminimaliseerde, compacte versie van het door Jeroen Kapelle (en anderen) samengestelde standaardwerk De Magie van de Veluwezoom (Arnhem: Uitgeverij Terra Lannoo BV, 2006, 255 p. ISBN 978 90 5897 470 9).

In Deel 2 wordt een nieuwe generatie kunstenaars behandeld, werkzaam in de periode 1900-1940. Dat zorgt voor verrassingen. Het verhaal begint met de Hagenaar Théophile de Bock (1851-1904), die ik altijd rekende tot de Haagse School, onder meer door zijn bijdrage aan Panorama Mesdag. Maar hij was meer dan louter schilder. De Bock was onder meer de oprichter van de Haagsche Kunstkring in 1891, die in 1892 de eerste Van Gogh-tentoonstelling organiseerde. Van 1895 tot 1902 woonde De Bock in Renkum, waar hij zich omringde met andere kunstenaars als Alexander van Ingen, Cornelis Kupers, Xeno Münninghoff, Derk Wiggers, Piet van Walcheren en Sieger Bauke.

Behalve aan deze hierboven genoemde kunstenaars wordt in De schilders van de Veluwezoom ook aandacht besteed aan een aantal bekende en minder schilders die in de twintigste eeuw al dan niet tijdelijk in de omstreken van Renkum neerstreken. Deze tweede fase van de Veluwezoom-schilders was voor mij een eyeopener, ze kwamen als zodanig nooit op mijn pad. Om een handjevol namen te noemen: Geert Grauss, Bernard Jansen, Andries Verleur, Gert Stegeman en Willem Jan Willemsen. Opmerkelijk is een Veluwelandschap van Jan Schonk (1889-1976), heel breed (39x100cm), een voorstelling die iets weg heeft van een Japanse prent. Rechts staat een grillige boom met luchtwortels, waarvan de kruin ook de linkerhelft van de compositie gedeeltelijk beslaat.

Jan Toorop (1858-1928) is er ook geweest, in Oosterbeek. In 1912 leerde hij er Miek Janssen kennen, de dochter van de eigenaar van Hotel Schoonoord. Miek was behept met de wens kunstenares te worden en was diepgelovig. Zij introduceerde Toorop in de door haar serieus beleden katholieke leer en zo kwam het dat hij in de jaren 1916-1918 een serie Kruiswegstaties voor de nabijgelegen Sint Bernulphuskerk maakte. Veel Toorop-liefhebbers haken af als op het repertoire van de kunstenaar die kon toveren met impressionisme en pointillisme, de stijve katholieke voorstellingen verschijnen. Eerder had hij prachtig werk gemaakt, ook als graficus. Een voorbeeld van zijn Whistler-achtige etstechniek zien we in een verbeelding van zijn dochtertje Charley, schelpen zoekend op het strand.

In De schilders van de Veluwezoom krijgen ook minder bekende kustrenaars een plaats. Het is ondoenlijk die nu op te sommen. De bekendste onbekende is Simon Moulijn (1866-1948), die prachtige, dromerige litho’s heeft gemaakt.

Barbizon van het Noorden. De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950.

Dit laatste van de drie door mij besproken boekjes van WBOOKS is een feestje. De tentoonstelling in Assen en het bijbehorende boekje hebben veel te bieden. Eigenlijk dacht ik dat ik het wel wist, met in het achterhoofd Egbert van Drielst (1745-1818) – de zogenaamde Drentse Hobbema –, Jan van Ravenswaay (1789-1869), Hendrikus van de Sande Bakhuysen (1795-1860) en de jongere Willem Roelofs (1822-1897), George Hendrik Breitner (1857-1923) en de Duitser Max Liebermann (1847-1935). Maar de tentoonstellingsmakers en de auteur van het boekje (Annemiek Rens) hebben evident verder gekeken dan de gebaande paden.

Alvorens naar Assen af te reizen bekeek en las ik een en ander in Schilders van Drenthe door Roel Sanders (Zuidwolde: Stichting Het Drentse Boek, 2001, 255 p. ISBN 90 6509 604 3) en was al enigszins overrompeld door het grote aantal schilders dat naar Drenthe is afgereisd om er in de vrije natuur te werken. Een stuk of wat bekende namen, maar ook schilders van wie ik nog nooit had gehoord. Het boek bleek een encyclopedie te zijn waarin meer dan driehonderd kunstenaars worden behandeld die voor korte of langere tijd in Drenthe vertoefden. Vervolgens, na Assen bezocht te hebben, kreeg ik het deeltje van WBOOKS in handen, ook weer vol verrassingen. Bovendien is ook in Barbizon van het Noorden een uitgebreide literatuurlijst opgenomen.

Het boekje bevat ruim 180 afbeeldingen, waarvan vele van kunstenaars van wie ik nog nooit had gehoord. Het was een lang gekoesterde wens van het Drents Museum om een overzicht te tonen van de ontdekking van het Drentse landschap. Dat is goed gelukt, in samenwerking met De Stichting Het Drentse Landschap. Op de tentoonstelling en in het boek komen te veel kunstwerken en namen langs om er een samenvatting van te geven. Dat zou van de lezer te veel gevraagd zijn. Dus zocht ik één nogal voorspelbaar onderwerp uit. De hunebedden.

In het besproken boekje zijn de hunebedden ondergebracht onder de noemer ‘Sporen uit het verleden’. Er zijn, zoals bekend, tientallen hunebedden in Drenthe te vinden. Dat maakt de provincie uniek. Schilders zagen het ook, de geheimzinnig op elkaar gestapelde keien die voor niets en niemand wijken. Ooit vormden de grafmonumenten een geliefd onderwerp onder wetenschappers die zich het hoofd braken over de vraag hoe men die zware stenen vervoerde en op elkaar plaatste. In de negentiende eeuw gingen schilders met het fascinerende onderwerp aan de haal. De mooiste verbeeldingen van de hunebedden, liefst met een zwerm kraaien erboven, zijn van Alexander Mollinger (1836-1867), een leerling van Willem Roelofs. Realistisch geschilderd, maar met een zweem van geheimzinnigheid.

Toen de tentoonstelling in Assen net geopend was, kwam er een Van Gogh tevoorschijn, een vroeg schilderij dat door het Van Gogh Museum samen met het Drents Museum is aangekocht. Het gaat om Onkruid verbrandende boer, geen hoogstandje in het oeuvre van Van Gogh. Het werd uiteraard meteen geïntegreerd in de tentoonstelling in Assen. Helaas moest het daar afleggen tegen de vier werken van Van Gogh die daar al hingen, te weten een tekening Veenstammen (Boston, Museum of Fine Arts), de aquarel Heide met kruiwagen (Cleveland, Museum of Art), de schilderijen Twee vrouwen in het veen en Boerderij met turfhopen (beide in Amsterdam, Van Gogh Museum).

De tentoonstellingen in Breda en Doorwerth zijn helaas voorbij, maar in Assen kan men nog tot en met 22 maart terecht.

Wiepke Loos, onafhankelijk onderzoeker en voormalig conservator Rijksmuseum

Boekrecensie: Pro Patria et Patienti. De Nederlandse militaire geneeskunde 1795-1950

Leo van Bergen

Nijmegen: Vantilt, 2019. 372 p.
ISBN 9789460044465
€29,50

De geschiedenis van de militaire geneeskunde laat zich meestal kennen als Whig history, waarbij het verleden wordt opgevat als een onvermijdelijke ontwikkeling die leidt tot vooruitgang. Volgens het gangbare narratief raakten legerartsen tijdens elke opeenvolgende oorlog meer bedreven in het redden van levens en ledematen, en statistieken wijzen inderdaad op een stijging van de overlevingskans van gewonden in de loop van de negentiende en twintigste eeuw. Gezien het aantal medische uitvindingen tijdens oorlogen, zoals de brancard en de ambulance, veronderstellen sommige historici zelfs dat oorlog goed is voor de medische wetenschap (zie Roger Cooter, ‘Medicine and the goodness of war’, (1990)). Volgens die opvatting stimuleert oorlog niet alleen de menselijke inventiviteit om te doden en te verminken, maar ook om te helen. Toch doet te veel optimisme geen recht aan de werkelijkheid. De arts-patiëntrelatie binnen het leger is namelijk door de eeuwen heen problematisch geweest, zo laat medisch historicus Leo van Bergen zien in Pro Patria et Patienti. In dit boek komt de Nederlandse militaire geneeskunde tussen 1795 en 1950 in elf hoofdstukken aan bod—van de Napoleontische Oorlogen en de Belgische Opstand tot en met de meidagen van 1940 en de dekolonisatieoorlog in Indonesië, met daartussen lange perioden waarin de Nederlandse krijgsmacht niet in actie kwam, maar wel van medische zorg moest worden voorzien.

Het boek is opgebouwd rond vier kwesties die in de behandelde periode tot felle discussies hebben geleid. Een van die onderwerpen is simulatie, ofwel het veinzen van aandoeningen door dienstplichtige militairen in de hoop zodoende te worden vrijgesteld van militaire dienst. Deze simulanten konden rekenen op weinig mededogen van legerartsen, vooral omdat het volgens de laatsten van weinig vaderlandsliefde getuigde en bovendien kostbare tijd vrat die de geneesheren liever besteedden aan werkelijke patiënten. Voor sommige artsen was simulatie kenmerkend voor ‘provincialen’, of voor dienstplichtigen uit lagere klassen of van bepaalde religies.

De tweede kwestie gaat over militairen met geslachtsziekten en hun bleef een moreel oordeel evenmin bespaard. Zij werden doorgaans gekenschetst als onmatige, lichtzinnige en zorgeloze lieden die hun driften niet konden beheersen. Uitzondering hierop vormde marinepersoneel dat in Nederlands-Indië een venerische ziekte had opgelopen: zij werden door tijdgenoten gezien als slachtoffer van promiscue Indische dames.

Het derde thema in het boek is de psychische problematiek van militairen, een onderwerp dat na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) geleidelijk meer aandacht kreeg. Aanvankelijk werd de patiënt gezien als de voornaamste oorzaak van de klachten (dat wil zeggen: hij leed aan karakterzwakte); oorlog was slechts de katalysator waardoor deze vermeende zwaktes aan het licht kwamen. Weliswaar ontstond geleidelijk een genuanceerder beeld van “oorlogsneurosen’’, maar de vereiste therapie stond in 1950 nog altijd in de kinderschoenen. Interessant is dat de genoemde kwesties niet alleen inzicht geven in de militair-geneeskundige problematiek, maar ook in de verschuivende maatschappelijke normen, waarden en taboes.

Het vierde thema dat als een rode draad door het betoog loopt, is de problematiek rond de identiteit van de militaire arts: is hij een medicus in uniform of een militair met scalpel? Hieruit volgt: staat voor hem de individuele patiënt of de krijgsmacht op de eerste plaats? Van Bergen constateert dat de opvattingen hierover gedurende anderhalve eeuw een soort slingerbeweging vertonen. Aan het begin van de negentiende eeuw stond het buiten kijf dat de legerarts, die een gespecialiseerde militair-medische opleiding had gevolgd, in de eerste plaats officier was. De invoering van de medische wetten van Thorbecke (1865) zorgde echter voor verandering. Voortaan vereiste de uitoefening van het artsenberoep een academisch diploma en beloofde de legerarts allereerst trouw aan de eed van Hippocrates, en pas daarna aan koning en vaderland. Tijdens de massamobilisaties in de twintigste eeuw kwamen de militaire eigenschappen van de legerarts opnieuw op de voorgrond te staan en zo sloeg de slinger weer van Asclepius in de richting van Mars.

Aan het einde van zijn betoog concludeert Van Bergen dat de medische zorg aan militairen gedurende anderhalve eeuw niet altijd is uitgevoerd vanuit het belang van de patiënt. Deze stelling lijkt mij zeer juist, maar we moeten ons afvragen of de betrokkenen anders of beter hadden kunnen handelen in de moeilijke omstandigheden waarin zij zich maar al te vaak bevonden. Mogelijk zijn legerartsen in oorlogstijd min of meer veroordeeld tot de consequentialistische ethiek, waarbij het handelen in het grote belang de voorkeur verdient. Daarbij hoort een zekere distantie van de arts tegenover de individuele patiënt, een houding die voor de eerstgenoemde fungeert als persoonlijk beschermingsmechanisme tegen het traumatische leed dat hij onvermijdelijk onder ogen krijgt.

Pro Patria biedt geen rooskleurig beeld van de militaire geneeskunde in Nederland. Behalve de problematiek rond simulatie, geslachtsziekten, geestesstoornissen, en het zelfbeeld van legerartsen, kampte de in 1814 opgerichte Militaire Geneeskundige Dienst (MGD) met structurele onderwaardering. De politieke leiding van het Ministerie van Oorlog/Defensie stelde de noodzaak van een uitgebreide medische dienst in vredestijd herhaaldelijk ter discussie, en wanneer bezuinigingen de krijgsmacht ten deel vielen, trokken de ‘genezerikken’ vaak aan het kortste eind. Collega-militairen associeerden geneeskundige zorg met “niet-militaire waarden als weekheid en sentiment en behandelden de MGD als bijwagen.” (p. 308) Samen met de onaantrekkelijke arbeidsomstandigheden compliceerde dit negatieve beeld de werving van militaire artsen. Maar toch was het niet alleen maar kommer en kwel.

Binnen het tijdsbestek van anderhalve eeuw professionaliseerde de geneeskundige dienst in verschillende opzichten en de (militair-)medische wetenschap kende uitvindingen (zoals het gipsverband) die ook hun toepassing vonden in de burgermaatschappij. Desalniettemin steken deze innovaties schril af bij de conclusies die na mei 1940 en na de dekolonisatieoorlog door tijdgenoten werden getrokken: de MGD was onvoldoende voorbereid geweest op zijn oorlogstaak. De medische consequenties van de tekortkomingen zijn vrijwel niet te achterhalen, maar mogelijk heeft dit mensenlevens gekost. Hiermee worden de nadelige gevolgen van het (uitblijven van) medisch handelen benadrukt, maar evengoed had de auteur kunnen besluiten dat de betrokken medici hun taak redelijk goed wisten te volbrengen ondanks alle gebreken. Duizenden gewonden wisten dankzij geneeskundig ingrijpen te overleven.

Vanuit welk gezichtspunt men ook redeneert—het besproken boek vormt een belangrijke bijdrage aan de medische en militaire historiografie. Het betoog, waarin slechts spaarzaam vaktermen opduiken, laat zien dat de geschiedenis van de militaire geneeskunde rijker is dan alleen de diagnose en therapie van oorlogsverwondingen. Pro Patria et Patienti heeft een sociale invalshoek, waarbij de arts-patiëntrelatie op de voorgrond staat. De auteur weet een levendig beeld te creëren van de ethische vraagstukken die hieruit voortkwamen. Ook de gruwelen van de oorlog lijken door de gebruikte citaten nooit ver weg. Daarbij waakt Van Bergen ervoor dat veelvuldige beschrijvingen van ziekten en verwondingen de lezer ook murw of onverschillig kunnen maken. Niet voor niets is het onderwerp wel versleten als “onsmakelijk”, waardoor de militaire geneeskunde lange tijd onderbelicht is geweest door zowel militair als medisch historici. Gelukkig is van die aanvankelijke terughoudendheid inmiddels geen sprake meer en kan Pro Patria fungeren als vertrekpunt voor nieuw en aanvullend onderzoek naar de medisch-humanitaire hulp in tijden van geweld. Het onderwerp is al eeuwenlang actueel en gezien de conflicthaarden van nu raakt het voorlopig nog niet uitgeput.

Tom Duurland, promovendus aan het Instituut voor Geschiedenis, Universiteit Leiden

Boekrecensie: Frédéric en Antoine Plate. Rotterdamse kooplieden, reders en bestuurders, 1802-1927

Len de Klerk

Hilversum: Verloren, 2019. 368 p.
ISBN 9 789087 048129
€35,-

‘Mensen’, observeerde Karl Marx in 1852, ‘maken hun eigen geschiedenis, maar niet onder omstandigheden die ze zelf hebben kunnen kiezen’. Het zou het motto kunnen zijn van de biografie van vader en zoon Plate, geschreven door Len de Klerk, emeritus-hoogleraar planologie aan de Universiteit van Amsterdam en daarvoor onder meer directeur van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam. De Klerk heeft in zijn Rotterdamse jaren veel kennis van de Maasstad opgedaan en daarover ook geschreven: boeken over de geschiedenis van de lokale volkshuisvesting en over de betrokkenheid van de Rotterdamse elite bij volkswoningbouw en stedenbouw. Tevens is hij coauteur van een biografie van havenbouwer en stadsontwikkelaar G.J. de Jongh.

Frédéric en Antoine Plate getuigt wederom van De Klerks minutieuze kennis van Rotterdam in de negentiende en vroege twintigste eeuw, en vooral van de stedelijke regentenfamilies, die door tal van relaties (huwelijksbanden, zakelijke belangen, sociaal-culturele affiniteiten) nauw met elkaar verbonden waren. Zijn dubbelbiografie geeft ook, en misschien wel vooral, een beeld van dit lokale elitenetwerk – zijn boek neigt naar een prosopografie. Op basis van uitvoerig archiefonderzoek – in onder meer het stadsarchief, kranten en het huisarchief van de familie Plate (De Klerk begon zijn studie na een verzoek van een achterkleinzoon om een biografie te schrijven van Antoine Plate) – schetst hij een gedetailleerd beeld van ‘Rotterdamse kooplieden, reders en bestuurders’, zoals de ondertitel samenvat.

Frédéric Plate heeft geen egodocumenten achtergelaten, zodat de contouren van zijn persoonlijkheid vaag blijven; we leren hem vooral kennen via zijn netwerken. Uitvoerig brengt De Klerk de familiestamboom in kaart: Frédéric is de zoon van een Duitse koopman die in 1786 emigreerde naar Rotterdam. Van Frédérics zoon Antoine kon De Klerk een scherper portret maken, mede dankzij de circa 200 brieven die van hem bewaard zijn gebleven uit de jaren 1912-1916. Daaruit ontstaat het beeld van Antoine als een familieman, liberaal, pragmaticus en bemiddelaar in hart en nieren, als iemand met een voorkeur voor een geordend kapitalisme. Daarin is plaats voor een zekere sociale bewogenheid: op zijn zeventigste verjaardag kwamen ook de voormannen van de vakbeweging hem hulde brengen. De titel van het laatste hoofdstuk vat zijn persoonlijkheid samen: ‘onkreukbaar, beginselvast en breed ziend, maar stroef in de omgang’. Echt intiem wordt de biografie niet; dat bijvoorbeeld de oudste zoon van Antoine op 19-jarige leeftijd zelfmoord pleegde wordt wel genoemd, maar De Klerk waagt zich niet aan speculaties over de achtergronden. De familie heeft daarover het stilzwijgen bewaard, en dan rest ook de biograaf het zwijgen.

Behalve koopmannen, waren Antoine en zijn vader Frédéric ook rasbestuurders, altijd op de bres om de Rotterdamse belangen te verdedigen. De Klerk plaatst hen nadrukkelijk in een historische en geografische context en besteedt veel aandacht aan de macro-ontwikkelingen, de ‘omstandigheden’ waarover Marx het had: de industriële revolutie in Nederland, de opkomst van het Ruhrgebied waarvan Rotterdam de voorhaven werd, de transportrevolutie (de vervanging van zeil- door stoomvaart), de groei van de Amerikaanse economie, de Eerste Wereldoorlog, de oprichting van liberale politieke partijen (Antoine was lid van de Tweede Kamer en adviseur van de regering). Binnen dit krachtenveld maakten vader en zoon Plate de lokale geschiedenis – soms profiterend van de door de omstandigheden geboden kansen, soms het beste ervan makend als het economisch tegenzat, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog. En zij zijn niet de enige actoren: in het boek figureren honderden personen die op een of andere wijze in het netwerk van de Plates zaten. Samen geven zij aan de havenstad gestalte.

De dichtheid aan personen maakt dat Frédéric en Antoine nogal eens naar de achtergrond worden verdrongen. Daar staat tegenover dat De Klerk een knappe analyse geeft van het functioneren en wereldbeeld van de Rotterdamse elite. Een bestseller zal het boek niet worden; daarvoor is het te academisch, met meer dan 700 voetnoten. Maar specialisten kunnen hun hart ophalen.

Ben de Pater, universitair hoofddocent sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht