De zeven levens van Abraham Kuyper. Portret van een ongrijpbaar staatsman

Johan Snel

Amsterdam: Prometheus, 2020. 400 p.
ISBN 9789044645088
€25

Voor de opzet van De zeven levens van Abraham Kuyper heeft Johan Snel zich laten inspireren door een korte autobiografische schets van Kuyper, waarschijnlijk opgetekend voor een Frans biografisch woordenboek of encyclopedie. Hierin stelt hij zichzelf voor in zeven verschillende rollen (alpinist, reiziger, spreker, wetenschapper, activist, journalist en staatsman), die Snel per hoofdstuk behandelt. De delen over Kuyper als alpinist, reiziger en journalist verrijken de bestaande beeldvorming rond zijn persoon waarschijnlijk het meest.

Kuypers vurige liefde voor het berglandschap en zijn bijna jaarlijkse wekenlange trektochten, compleet gehuld in Tiroler pak, werden niet eerder door een historicus voor het voetlicht gebracht. Op deze manier maakt de lezer direct in het eerste hoofdstuk kennis met een verborgen persoonlijke kant van de hoofdpersoon. Niet onbelangrijk, stelt Snel, Kuypers dochter citerend: ‘Wie Kuyper niet in de bergen heeft meegemaakt, die kent hem niet’ (p. 57).

In de beschrijving van Kuypers journalistieke leven loopt Snel, zelf ook journalist en docent in zijn vak, vooruit op zijn aankomende dissertatie, die hij tijdelijk terzijde legde om deze biografie te schrijven met het oog op het ‘Kuyperjaar’ 2020-21. Hoewel natuurlijk stukken minder onbekend dan Kuypers alpenavonturen, staat zijn journalistieke leven, voornamelijk als oprichter en ongelooflijk productieve hoofdredacteur van De Standaard, steevast in de schaduw van zijn reputatie als partijleider en staatsman. Terwijl, zo betoogt Snel: ‘was Kuyper in 1901 niet tot zijn eigen verrassing gevraagd een kabinet te vormen, dan hadden we hem vooral als journalist gekend’ (p. 254).

Het hoofdstuk over Kuyper als reiziger beschrijft hem als een internationaal (denkend) figuur. Dit beeld werd voor het eerst duidelijk naar voren gebracht door de Amerikaanse historicus J.D. Bratt, die in zijn biografie uit 2013 met name de invloed van Kuypers (neo)calvinistische leer op het internationale protestantisme benadrukte. Snel vertolkt dit internationale perspectief op zijn eigen wijze naar een Nederlands publiek. Door Kuyper te volgen naar Amerika, waar hij zijn calvinisme uiteenzette in zijn beroemd geworden Stone-lezingen, maar ook op zijn tochten langs de Europese wereldsteden, reflecteert hij op de opvallende religieuze, politieke en filosofische transformaties die deze buitenlandse ervaringen teweegbrachten in zijn wereldbeeld.

Hoewel Snel elders in zijn boek benoemt dat Kuyper zijn levensverhaal geregeld ‘stileerde naar de boodschap’ (p. 111), past hij deze kritiek niet uitgesproken toe op de autobiografische schets waar hij zijn raamvertelling op baseert. Terwijl het schrijven van een ‘portret-naar-zijn-zelfportret’ (p. 7) toch een historiografische uitdaging met zich meebrengt, omdat de onderzoeker zich hiermee oplegt binnen de lijntjes te kleuren zoals deze door het onderzoeksobject zelf zijn uitgetekend. Het moet echter gezegd: de opzet werkt voor Snel. De onvermijdelijke overlap tussen de hoofdstukken leidt soms tot enige herhaling, maar hij laat treffend zien hoe juist in die overlap van Kuypers levens de reikwijdte van zijn diepst gewortelde denkbeelden naar voren komt. Zo streefde Kuyper zijn bekende motto ‘soevereiniteit in eigen kring’ niet alleen als activist, wetenschapper en staatsman na, maar zeker ook als journalist. Als oprichter van de Nederlandse Journalistenkring zette hij een vakorganisatie voor zijn beroepsgroep op, waar uiteindelijk niet enkel hoofdredacteuren, maar vooral journalisten zich konden organiseren (p. 245).

De opvallendste overkoepelende these die Snel in zijn boek naar voren brengt, betreft zijn visie op Kuyper als radicaal democraat (p. 94-95) Tegenwoordig niet bepaald een vertrouwd etiket voor de voorman der antirevolutionairen, maar volgens Snel volledig gerechtvaardigd gezien Kuypers pluralistische maatschappijvisie, emancipatiedrang en rol als pleitbezorger van burgerlijke vrijheden. ‘Soevereiniteit in eigen kring’ gold hierbij als waarborg tegen staatsalmacht. De ‘adder onder het gras’ die Kuypers diepgewortelde geloof in ‘organische verbanden’ en anti-individualistische wereldbeeld met zich meebracht, duikt op in Snels beschrijving van Kuypers kiesrechtstandpunt. Hij zag het gezin als organische eenheid en was daarom tot na de pacificatie van 1917 voorstander van een algemeen ‘huismankiesrecht’ (p. 224).

Opvallend genoeg verandert dit niets aan het standpunt van Snel: Kuyper was democraat tot in zijn vezels, waarschijnlijk de eerste in Nederland. Hoewel Kuypers ideeën omtrent het kiesrecht niet veel conservatiever waren dan die van zijn tijdgenoten, hadden ze Snel reden kunnen geven om zijn claim in te perken. Of in ieder geval duidelijk te definiëren: wat maakt volgens hem precies een democraat? Dit laat Snel echter achterwege. In zijn hele boek huldigt hij in lyrische bewoordingen Kuypers democratische geest: ‘Zo vrij als componisten zich hadden kunnen ontwikkelen, zo vrij was ook zijn ideale maatschappij’ (p. 227).

Het is tekenend voor dit boek, dat aanstekelijk enthousiast is geschreven, maar soms dreigt door te slaan naar verering. De hoogdravende schrijfstijl van Snel helpt hier niet mee; Kuyper wordt in grote bewoordingen neergezet als een retorische ‘tovenaar’ (p. 211), een ‘ongrijpbaar, enigmatisch […] wonderkind’ (p. 53). Inhoudelijk is dit niet per se ongeoorloofd; Kuyper wás een wonderbaarlijk productieve man met buitengewone talenten, wiens reputatie (ook in internationaal opzicht) in de geschiedschrijving mogelijk weleens te klein is gemaakt. Opvallend is echter dat Kuyper bij successen alle lof krijgt toegezwaaid, terwijl Snel hem in de zwartste bladzijden van zijn politieke carrière lijkt te beschermen. Zo wordt bij de hardhandige aanpak van de spoorwegstakingen van 1903, die een onuitwisbare vlek naliet op Kuypers premierschap en reputatie als vriend van het volk, op de medeverantwoordelijkheid van zijn ministerploeg gewezen. Waar Kuypers successen worden beschreven als knap werk van een politiek solist, was hij hier volgens Snel slechts de ‘Kop van Jut’, de ‘ideale booswicht’ (p. 282-3).

Terwijl Jeroen Koch in zijn Kuyperbiografie uit 2006 een uitgesproken kritische houding aannam, waar sommige recensenten hem dan weer fel om bekritiseerden, probeert Snel in zijn portret vooral te enthousiasmeren voor Kuyper. De gespreksleider bij een debat op 9 december 2020 tussen Snel en Koch op Kuypers eigen Vrije Universiteit vatte samen: ‘Hier spreekt een bewonderaar richting de cynicus.’ Vreemd genoeg negeert Snel zelf het werk van Koch volkomen. Dit is typerend voor zijn boek, waarin nauwelijks historiografische context wordt geboden. Alleen in de epiloog wordt in meer dan een enkele zin expliciet naar eerder Kuyperonderzoek verwezen, van voornamelijk Johan Huizinga en Jan en Annie Romein. Hierin komen vooral positieve woorden aan bod, die Snels beeld van Kuyper als ‘radicale democraat, een sociaal vernieuwer en een verrassend moderne wetenschapsfilosoof’ (p. 333) volmondig bevestigen. Aan scherpere lezingen, zoals Kochs biografie, maar ook bijvoorbeeld Henk te Velde’s typering van Kuyper als ‘populist’, besteedt Snel geen aandacht.

Snel plaatst zich weliswaar grotendeels buiten de bestaande literatuur maar heeft tegelijkertijd vanuit nieuw bronnenonderzoek een eigen verhaal neergezet, dat hij bovendien op een aantrekkelijke manier presenteert met een breed publiek in gedachten. Dit is op zichzelf bewonderenswaardig. Toch was het verhelderend geweest als hij zijn historiografische positie concreter had geduid. Vanuit academisch oogpunt is dit een gemis, en eigenlijk niet uit te leggen. Snel presenteert immers allerlei prikkelende stellingen die impliciet, maar soms heel direct ageren tegen bestaande opvattingen, met name uit de biografie van Koch.

Felix Bosch, junior onderzoeker Politieke Geschiedenis, Radboud Universiteit

Met een drukpers de oceaan over. Koloniale boekcultuur in Nederlands-Indië, 1816-1920

Lisa Kuitert

Amsterdam: Prometheus, 2020. 320 p.
ISBN 9789044645101
€29,99 (hardcover)

Op 25 december 1866 bracht de Javaanse reiziger Sastradarma een bezoek aan de drukkerij van Toean Lange in Batavia. Hij zag hoe een groot aantal mensen – Nederlanders, Javanen, Chinezen en Maleiers – drukdoende was met het uitkiezen van Nederlandse, Javaanse, Arabische en Chinese letters. Ze verrichtten hun werkzaamheden staande, ieder voor zijn eigen bank. Die banken waren allemaal in vakjes verdeeld, als medicijnkastjes, voor de afzonderlijke letters, de letters die nog niet gerangschikt waren en de letters die al gebruikt en weer uit elkaar gehaald waren. Terwijl Sastradarma observeerde hoe de mensen al die kleine loodletters uitzochten, begon het hem te duizelen. Hier zouden beslist allerlei vergissingen gemaakt worden: vaak een letter of een ander teken te veel of te weinig. Dus, constateerde hij: wat het drukken met al die letters tijdrovend maakte, was dat men er niet in één keer mee klaar was maar dat er één keer, en nog een keer, een nauwkeurige controle nodig was. Maar zodra alles in orde was, was het mogelijk ineens in korte tijd honderd boeken te produceren.1

Sastradarma’s Javaanstalige reisverslag over zijn omzwervingen in Batavia zou ruim een jaar later uitgegeven worden bij de Landsdrukkerij, gedrukt in Javaans schrift. De reizende edelman wees op de complexe situatie van het boekbedrijf in de Indische archipel, waar rekening gehouden moest worden met een keur aan letters, talen en wensen. Hij had zijn bedenkingen bij de correcte uitvoering van het drukproces, maar zag de snelle boekproductie als een triomf. Hoe anders was het doorgaans met de reproductie van manuscripten die steeds opnieuw, één voor één, volledig overgeschreven moesten worden om ze te kunnen verspreiden en te bewaren voor de toekomst.

Door middel van archiefwerk reconstrueerde Lisa Kuitert, hoogleraar Boekwetenschap verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van de gedrukte boekcultuur in Nederlands-Indië vanaf de negentiende eeuw. Ook zij heeft, net als Sastradarma, oog in oog gestaan met de complexe, gelaagde, veeltalige koloniale wereld, waarin drukkerijen en boeken een steeds belangrijkere rol kregen. Tien jaar lang werkte Kuitert aan Met een drukpers de oceaan over. Het resultaat is een toegankelijk geschreven en fraai uitgevoerd boek dat inzicht geeft in aspecten van het Indische (letterkundige) leven die tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Enerzijds heeft de schrijfster aandacht voor Europese individuen, ondernemers en zendelingen die, gewapend met (plannen voor) een drukpers of het opzetten van een boekhandel, afreisden naar de archipel. Ze beschrijft het reilen en zeilen van zending, boekhandels en uitgeverijen. Anderzijds komt de rol van de koloniale overheid – en overheidsfunctionarissen – aan bod in het reguleren en controleren van het werk van enthousiaste ondernemers, journalisten en taalgeleerden. Uitgebreid wordt besproken hoe uitgeverijen hun best deden om de groeiende markt aan te spreken. Schoolboeken werden gezien als een middel om de jeugdige Indonesiër vertrouwd te maken met het gedrukte boek. Omdat directe vertalingen van Europees onderwijsmateriaal niet goed aansloten bij de belevingswereld van de Indonesiër moesten er nieuwe boeken komen in lokale talen. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen er van staatswege premies om het schrijven van schoolboeken te bevorderen.

Kuitert lardeert haar werk met levendige anekdotes en citaten over de avonturen van (hoofdrol)spelers binnen het boekbedrijf. Daarmee compenseert ze de hiaten van het onderzoeksmateriaal. Zo komen we bijvoorbeeld te weten dat reizen per postkoets zich niet leende voor het consumeren van een boek aangezien het voertuig te veel schudde. Maar anekdotes blijken ook Kuiterts valkuil, want ze dragen niet altijd bij aan het verhaal. Zo schiet Kuitert, bijvoorbeeld, haar doel voorbij als ze uitgebreid citeert uit het – overigens gedegen – proefschrift van Widjajanti Dharmowijono (2009) over representatie van Chinezen binnen de Indische samenleving (p. 205). Het citaat moet dienen om discriminatie ten opzichte van Chinezen aan te kaarten, maar roept alleen maar extra vragen op, die niet worden beantwoord.

Opvallend is hoe Kuitert omgaat met de duiding van Indonesische talen. Zo groepeert ze enkele Javaanse teksten ten onrechte onder de noemer ‘Klassiek Maleis’ (p. 138). Herhaaldelijk geeft ze onbevredigende dan wel foutieve vertalingen van boektitels. Zo lezen we als bijschrift van een boekenkaft op pagina 76: ‘De titel betekent iets als: “Domme pech. Een verhaal uit China”’ terwijl de correcte vertaling luidt: De rode spin. Een verhaal uit China. Verwarrend, want die spin – weliswaar in zwart-wit – is levensgroot op het plaatje te zien. Waarom zou een vertaling ‘bij benadering’ voldoen? Dat getuigt niet van respect voor de oorspronkelijke bron – of is hier misschien sprake van een metafoor? Dan had dat wel mogen worden verduidelijkt.

Van een andere orde is dat Kuitert geen aandacht schenkt aan reeds bestaande geletterdheid onder de Javaanse elite. De suggestie dat de ‘bovenlaag van de Indonesische bevolking geletterd raakte’ (p. 122) – onder invloed van de Landsdrukkerij die een premieregeling had geïntroduceerd voor Indonesische auteurs – berust op een misvatting. Toen de premies werden ingevoerd in de tweede helft van de negentiende eeuw bestond er al een eeuwenlange geletterdheid onder de elite. Zij hadden leesgezelschappen, hun kinderen leerden lezen en schrijven en binnen de rijke dans- en theatertradities stond poëzie centraal. Alle goede bedoelingen van Kuitert ten spijt hebben we hier helaas te maken met een zienswijze die veronderstelt dat geletterdheid aan de Nederlanders te danken is. Door samenwerking met Indonesië-deskundigen had Kuitert deze onvolkomenheden wellicht kunnen voorkomen. Zij eindigt immers haar onderzoek in 1920, omdat zij vindt dat vanaf die periode meer kennis van anderstalige bronnen nodig is dan die, welke zij ter beschikking heeft. In feite geldt dat ook voor de periode waarover zij onderzoek doet. Het zou de waarde daarvan nog hebben vergroot.

Sastradarma’s woorden kunnen dienen als leidraad: de situatie met die vele vakjes is complex en vergissingen liggen op de loer. Een tweede, derde controle is op zijn plaats. Pas dan komen de honderden boeken en de achterliggende boekcultuur echt tot hun recht.

1. R. A. Sastradarma, Cariyos Nagari Batawi; punapa ingkang dipunpirsani radèn arya Sastradarma, kaanggit piyambak [Beschrijving van Batavia; naar eigen beschouwing door Sastradarma], Vol 1. (Batavia, 1867),  130-31.

Judith E. Bosnak, onderzoeker Indonesische Talen & Culturen, Universiteit Leiden

Gelukzoekers gestrand. 500 Duitse landverhuizers onderweg naar Brazilië, 1827-1829

Onno Boonstra & Friedrich Hüttenberger

Amsterdam: Amsterdam University Press, 2021, 285 p
ISBN 9789463722667
Paperback. €30

Historische studies die ook buiten de academische wereld aandacht trekken, presenteren vaak onbekend maar aansprekend materiaal dat is opgedoken uit archieven. Soms halen ze echt onbekende zaken boven water, soms detailleren ze wat voorheen alleen in grote lijnen bekend was. Het zijn in de regel verhalende teksten, veelal over personen, families, gemeenschappen of groepen personen, zonder theoretische pretenties en niet per se geschreven door en voor universitaire historici. De bijdragen aan Het Pak van Sjaalman, een rubriek in De Moderne Tijd, zijn hiertoe te rekenen (lees de introductie van deze rubriek in DMT, 2019 nummer 4, p. 351).

Gelukzoekers gestrand behoort evident ook tot dit soort historische studies. Onno Boonstra (voor zijn pensionering verbonden aan de afdeling Geschiedenis van de Radboud Universiteit) en Friedrich Hüttenberg (gepensioneerd romanist en historicus uit Duitsland) reconstrueren nauwgezet de lotgevallen van ruim 500 Duitse plattelanders tijdens hun door tegenslagen getekende reis via Nederland naar Brazilië. Die reis duurt niet voor iedereen maar wel voor het merendeel van de landverhuizers vijftien maanden.

Inwoners die in de jaren 1820 de armoede wilden ontvluchten die heerste in de Hunsrück, het Moezeldal, de Palts en Lichtenberg waren er genoeg. Ze lieten zich gemakkelijk overhalen om mee te gaan naar het beloofde land: Brazilië. Dat had zich in 1822 onafhankelijk verklaard van Portugal. Keizer Pedro 1 zocht Europese kolonisten en had zich aanvankelijk bereid verklaard om hun overtocht te betalen en grond ter beschikking te stellen. Of die belofte in 1827 ook nog gold, was onduidelijk (informatie was destijds nog sterk plaatsgebonden) maar de landverhuizers geloofden het graag. Ze waren zelfs bereid lokale autoriteiten te trotseren die weigerden Auswanderungserlaubnisse te geven. Velen moesten heimelijk vertrekken, zonder paspoort.

De twee ronselaars, Karl Roth en Georg Robinson, vonden moeiteloos meer gegadigden dan ze konden gebruiken. Het tweetal had een contract voor 220 tot 250 landverhuizers afgesloten met een enigszins louche aan lager wal geraakte schipper uit Amsterdam: Bartholomeus Karstens. Hij had een wrak schip had gekocht, de Helena en Maria, en zocht passagiers. Hoe meer, hoe beter – uit het zicht van de autoriteiten wilde hij stiekem best 500 mensen meenemen, al ontbrak de ruimte daarvoor op de 26,5 meter lange driemaster volledig.

Het was vragen om moeilijkheden en die kwamen er dan ook volop. De migranten voeren in november 1827 met twee rijnaken de Rijn af, maar zonder paspoort kwam een deel van hen Nederland niet binnen. Na lobbywerk toonde koning Willem I zich clement en mocht iedereen op doorreis naar de haven van vertrek. Opgejaagd door de autoriteiten en ruziënd met de 339 landverhuizers die inmiddels aan boord waren, zeilde Karstens haastig Den Helder uit. Hij liet 170 Duitse volwassenen en kinderen achter op de kade in Den Helder. De chaos was compleet, gezinnen waren plotsklaps uiteengerukt. De achterblijvers moesten terug, maar waren in hun gebied van herkomst niet meer welkom. Ze strandden in Arnhem, waar ze liefdevol werden opgevangen door enkele lokale notabelen. Na vier maanden kregen ze, op kosten van de koning, een overtocht naar Rio de Janeiro waar ze in juni 1828 aankwamen.

De 339 landverhuizers die zich hadden ingescheept op de Helena en Maria zijn dan nog niet in Brazilië. Een storm in Het Kanaal had het schip bijna op de rotsen geblazen en het was alleen aan een toevallig passerend schip te danken dat ze het overleefden. De zwaar beschadigde Helena en Maria werd op sleeptouw genomen. De opvarenden stapten in Falmouth aan wal, en kregen daar maar liefst een jaar lang eten en onderdak van de inwoners. Uiteindelijk organiseerde de Earl of Aberdeen een schip: de James Laing bracht hen naar Brazilië, waar ze in februari 1829 arriveerden, acht maanden na de groep die in Den Helder niet had meegekund. Ze hadden het gered, ondanks alle bureaucratie en uitbuiting en dankzij de steun van gewone mensen (die gul geven wat ze konden missen) en welgestelden (die hen weer op weg hielpen). Er bestond destijds, net als nu, in Nederland en Engeland een cultuur waarin eigenbelang én solidariteit samengingen.

Boonstra en Hüttenberger hebben het allemaal minutieus en voorbeeldig uitgezocht (met archiefonderzoek in Duitsland, Nederland en Engeland) en beschreven. Alle emigrantenfamilies staan in een lijst achterin het boek, en ook hun zaakwaarnemers in Nederland en Engeland krijgen minibiografietjes. Hun boek leest soepel, mede dankzij de service om alle citaten behalve in de oorspronkelijke taal ook in het Nederlands op te nemen. Curieus: ze hopen dat het boek van belang zal zijn ‘voor de duizenden nazaten’ van de landverhuizers uit 1827 in Brazilië. Maar daarvoor zal het toch eerst in het Portugees moeten worden vertaald. Het boek verdient het.

Ben de Pater, universitair hoofddocent sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht

Bloed in de rivier. Het onbekende verhaal van de massale slavenopstand in een Nederlandse kolonie

Marjoleine Kars

Amsterdam: Atlas Contact, 2021. p. 383.
ISBN 978 90 450 41926
Paperback. €26,99

Op 23 april 2021 maakte het Nationaal Archief in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum ruim 1,9 miljoen archiefstukken over het Nederlands slavernijverleden openbaar. Deze historische database was het resultaat van het digitaliseringsproject Metamorfoze waaraan negen erfgoedinstellingen in Nederland, Engeland, Guyana en Suriname sinds 2013 hebben bijgedragen. In het project zijn ook de archiefstukken te vinden die Marjoleine Kars gebruikte voor haar boek Bloed in de rivier. Het onbekende verhaal van de massale slavenopstand in een Nederlandse kolonie dat eerder in 2021 verscheen. Hierin beschrijft Kars, historicus aan de Universiteit van Maryland en zelf van Nederlandse afkomst, de slavenopstand van 1763 in Berbice, waarin duizenden slaafgemaakten zich verzetten tegen de wrede omstandigheden waaronder zij in de Zuid-Amerikaanse kolonie moesten leven en werken.

Voor veel Nederlanders is Berbice onbekend terrein. De voormalige kolonie in het hedendaagse Guyana was van 1627 tot 1796 in Nederlandse handen, eerst via de Zeeuwse familie Van de Peere en later via de West-Indische Compagnie en de Sociëteit van Berbice. In de Nederlandse geschiedschrijving wordt relatief weinig aandacht besteed aan de kolonie, die regelmatig verdwijnt in de schaduw van het naburige Suriname. Ook in de literatuur over slavenopstanden is dit het geval. Waar de vrijheidsstrijd van Surinaamse Marrons als Boston Bendt en Boni veelvuldig aan bod komen is er slechts weinig aandacht voor het gevecht voor zelfemancipatie van Coffij en Accara in Berbice. Deze strijd hielden zij ruim een jaar vol, waardoor de opstand van Berbice gezien kan worden als een van de meest succesvolle slavenopstanden in de geschiedenis. Alleen de Haïtiaanse revolutie (1791-1804) van Toussaint Louverture en Jean-Jacques Dessalines zou deze overtreffen.

Het verloop van de vrijheidsstrijd van Berbice is tot in de detail te volgen in Bloed in de rivier. Dit heeft Kars te danken aan de uitvoerige documentatie van Gouverneur Simon Wolphert van Hoogenheim en andere Europese betrokkenen, maar ook aan de ruim 900 transcripties van ondervragingen van slaafgemaakten die de opstand hadden meegemaakt. Deze ondervragingen werden in 1764 uitgevoerd door de koloniale autoriteiten ter ondersteuning van hun rechtszaken tegen de leiders van het verzet. Het is vooral dit bronmateriaal dat Kars’ onderzoek zo bijzonder maakt: ten eerste omdat het nog nooit eerder gebruikt is voor historisch onderzoek en ten tweede omdat het inzicht geeft in de persoonlijke ervaringen van de slaafgemaakten. Hierdoor is Kars in staat om de stemmen van slaafgemaakten te laten horen en hun eigen perspectieven op de opstand te delen. Beide zijn zeldzaam in de studie van slavernij en iets waar de meeste historici van de achttiende eeuw alleen maar van kunnen dromen.

De bronnen geven niet alleen inzicht in de aanleidingen tot en ideologische grondslagen van de vrijheidsstrijders, maar ook in de spanningen tussen verschillende groepen slaafgemaakten. Volgens Kars was er onder de zwarte bevolking veel onenigheid over de aanpak van de opstand en speelde ook etniciteit een grote rol in de verzetspolitiek. De slaafgemaakten die in Berbice geboren waren, ook wel ‘Creolen’ genoemd, waren over het algemeen redelijk terughoudend in de strijd tegen het koloniale gezag. Velen wilden onafhankelijk blijven in de revolutie en probeerden daarom afstand te houden van de oorlog. De meeste aanvoerders van de opstand waren echter geboren in Afrika en hadden de Middenpassage zelf meegemaakt. Hierbij besteedt Kars vooral aandacht aan de zelfbenoemde gouverneur Coffij en kapitein Accara, die beiden bekend stonden als ‘Amina’, een term die verwees naar de Akanvolken in het hedendaagse Ghana. Volgens Kars stonden de Amina in het hele Caribische gebied bekend om hun militaire kracht en hadden zij ook elders leiderschapsposities ingenomen tijdens slavenopstanden. Andere slaafgemaakten identificeerden zich bijvoorbeeld als Ganga of Temne en sloten ook allianties op basis van hun eigen afkomst.

Onderlinge spanningen waren echter niet beperkt tot de slaafgemaakte gemeenschappen. Kars schetst ook een duidelijk beeld van de gecompliceerde relaties tussen andere betrokken partijen. Zo kregen de Nederlandse autoriteiten bijvoorbeeld hulp van naburige Europeanen die bang waren dat de strijd zich zou verspreiden naar hun eigen koloniën. Andere Europeanen, zoals de muiters die zich in Suriname tegen het leger hadden verzet, sloten zich juist aan bij de Afrikaanse troepen in het regenwoud. Ook besteedt Kars veel aandacht aan de positie van de Inheemse volken in het gebied, die zowel door Europeanen als Afrikanen werden ingehuurd als bodes of verkenners. Ondanks de vele onderlinge relaties en ideologische motivaties bleek niettemin dat de meeste groepen uiteindelijk bijna altijd voor hun eigenbelang kozen. Niet iedereen was tenslotte bezig met een ideologische vrijheidsstrijd; de meeste betrokkenen wilden gewoon in leven blijven. Een sterk voorbeeld hiervan is het verhaal van de rebellenleiders Accara en Gousarie die zich tegen het einde van de strijd overgaven aan de Nederlandse autoriteiten en voor hen gingen werken als ‘slavenvangers’ om – mogelijk dodelijke – bestraffing te vermijden.

De sterkste boodschap van Bloed in de rivier is misschien wel dat slavernij niet slechts een bijzaak was voor Berbice: deze was absoluut essentieel voor het voortbestaan van de kolonie. Zonder slavernij konden de plantage eigenaren niet genoeg winst maken om te concurreren met andere koloniën in de regio. Zonder de gratis arbeid van slaafgemaakten konden de Nederlandse forten zich niet voldoende verdedigen tegen de opstandelingen. En zonder de uitbuiting van Afrikanen had de kolonie na afloop nooit gerestaureerd kunnen worden. De enige reden waarom de kolonie Berbice uiteindelijk bleef voortbestaan was omdat de Nederlandse autoriteiten hulp kregen van andere Europese machthebbers in de buurt en, na lang wachten, van de eigenaren van de kolonie in Amsterdam. Zonder de voedselvoorzieningen, munitie en mankracht die ze van hen ontvingen hadden de Nederlanders ter plekke het nooit langer dan een paar maanden volgehouden.

Bloed in de rivier vertelt dus een spannend verhaal over een complexe oorlog waarbij duizenden slaafgemaakten, plantage-eigenaren en soldaten om het leven kwamen. Het is bijzonder goed geschreven en historisch onderbouwd, al zal de deskundige lezer misschien wel wat vraagtekens bij de titel zetten. In de publieksgeschiedenis worden gebeurtenissen soms omschreven als verstopt, vergeten of onbekend, terwijl historici hier wel degelijk kennis over hebben. Dit is ook van toepassing op Bloed in de rivier, dat de opstand van Berbice in de titel beschrijft als een ‘onbekend verhaal’. Kars biedt zonder twijfel nieuwe inzichten in de opstand en maakt hierbij gebruik van een fantastische selectie aan bronnen, maar voor kenners van het slavernijverleden of het Guyaanse gebied zullen de grote lijnen van het verhaal niet volledig vreemd zijn.

Toch is het fijn dat Kars door middel van dit boek de slavenopstand van Berbice weer onder de aandacht heeft gebracht, zeker nu iedere hobby-historicus, student of onderzoeker de betreffende stukken digitaal kan inzien bij het Nationaal Archief. Dit zal in de toekomst ongetwijfeld leiden tot nieuwe studies over de opstand van 1763, waarbij onderzoekers ook weer unieke perspectieven en analyses zullen bieden. Deze kunnen zowel het publieke debat over het slavernijverleden als de historiografie op een waardevolle manier verrijken.

Debby Esmeé de Vlugt, promovendus Amerikaanse Geschiedenis aan het Roosevelt Institute for American Studies en de Universiteit Leiden

Miskend verleden. Hindostaanse boeren in Suriname, 1880-1980

Ruben Gowricharn

Hilversum: Verloren, 2020. 352 p.
ISBN 978 90 8704 876 1
€29,-

Enige ergernis ligt ten grondslag aan Miskend verleden. Ruben Gowricharn – bijzonder hoogleraar Hindostaanse diasporastudies aan de Vrije Universiteit, zelf geboren in Suriname en van Hindostaanse komaf – stoort zich aan de feestelijke stemming waarmee op 5 juni de Hindostanen de immigratie van Brits-Indische contractarbeiders plachten te vieren. Op die dag in 1873 ging de Lalla Rookh uit Calcutta voor anker in Suriname. Aan boord waren zo’n 400 Brits-Indiërs, overwegend mannen, de eersten van in totaal ruim 34.000 migranten uit India die tot 1916 met 64 scheepstransporten arriveerden in Suriname om op de plantages te gaan werken (zie www.hindorama.com).

Hun nabestaanden vieren dat: dankzij de beslissing van hun voorouders om naar Suriname te gaan, hebben zij nu een beter leven dan de hedendaagse erfgenamen van achterblijvers in India. Die beslissing van toen is een zegen voor nu. Die thank goodness-houding, die bij Hindostaanse burgers én wetenschappers is te vinden, is gebaseerd op misverstanden, aldus Gowricharn. Zo miskent ze de langdurige ellende die contractarbeiders en nabestaanden hebben ervaren. Velen hebben het niet overleefd. Zij die wel overleefden en nu relatief welvarend zijn, hebben geen reden om daar ‘trots’ op te zijn. Het is geen prestatie, zoals het winnen van de loterij geen prestatie is, maar een gelukkig toeval. Naast vieren zou ook herdacht moeten worden.

Gowricharn verwijt zijn collega-onderzoekers ook een blinde vlek voor het bestaan van de Hindoestanen nadat zij hun vijfjarig contract als plantagearbeider hadden uitgediend. Er is ‘een onthutsend gebrek aan belangstelling voor de periode waarin de Brits-Indiërs voornamelijk agrariërs waren’. Een periode die begon omstreeks 1880 – toen de eerste lichting zijn vijf jaar op de plantage erop had zitten en besloot in Suriname te blijven – en eindigde in de jaren 1970 toen de Hindostaanse rijstboeren waren vertrokken naar de stad of naar Nederland.

Juist die bijna honderd jaar van (keuter)boer staat centraal in Miskend verleden. Gowricharn onderscheidt drie transformaties en daarmee verbonden periodes in het leven van generaties Hindoestanen. Hij begint met de fase van werving in India, die via de depots en de zeereis eindigt in een leven op de plantages in Suriname. De overgang van plattelander in India naar contractarbeider in Suriname noemt hij de eerste transformatie. De tweede transformatie is die van contractarbeider naar rijstboer. Ongeveer een derde van de arbeiders ging terug naar India, de rest bleef in Suriname en begon aan een leven als rijstboer – blij ontsnapt te zijn aan de ‘hardvochtigheid van het reguliere leven’ en ‘de enorme vrijheidsbeperkingen’ op de plantages (die veelal sterk in verval waren). Het bestaan als boer – overigens een armoedig bestaan – was mogelijk, aldus Gowricharn, omdat zij als contractarbeider hun agrarische kennis hadden bewaard; op de plantages hadden zij eigen moestuintjes kunnen verzorgen. ‘De Brits-Indische arbeider bleef voor een deel boer op de plantage’.

In het zelfbeeld van Hindostanen krijgt deze langdurige bestaanswijze als (arme) boer weinig aandacht (vandaar de boektitel): zij zien zich toch vooral als succesvolle stedelingen. De derde transformatie begon na 1950: een vlucht uit de landbouw naar de stad. Deze overgang eindigde in de jaren zeventig, toen Suriname onafhankelijk werd, en Hindostanen behalve naar Paramaribo ook massaal naar Nederland vertrokken (bijna de helft van hen leeft tegenwoordig in de Randstad).

De drie perioden/transformaties krijgen elk een eigen deel in het boek, met per periode aandacht voor karakteristieke kenmerken en ontwikkelingen, zoals het agrarisch human capital van de migranten en het ontstaan van een etnische gemeenschap in de eerste periode, homemaking (het herscheppen op de rijstboerderij van een situatie zoals die in thuisland India had bestaan) en de ruralisatiepolitiek van gouverneur J.C. Kielstra in de tweede periode, en de mechanisatie van de rijstbouw en de oprichting van de Hindostaanse partij VHP in de derde periode. Al met al krijgt men een tamelijk compleet beeld van (veranderingen in) het leven van generaties Hindostaanse boeren, al blijft het een groepsportret. Individuele boeren en hun leefwereld krijgen geen aandacht – een expliciete keuze van Gowricharn. Ook een vergelijking van Hindostaanse boeren met hun Javaanse en Creoolse collega’s blijft achterwege, een portret van de geschiedenis van Suriname als multi-etnische samenleving biedt deze monografie niet. Beide zijn bewuste omissies; autochtone Nederlandse meelezers hadden Gowricharn deze onderwerpen wel gesuggereerd (hij licht zijn standpunt toe in een appendix over epistemologische kwesties).

Voor een meer intiem beeld van de leefwerelden moeten we wellicht wachten op de aangekondigde publicatie van de Calcuttabrieven: de brieven die Hindostanen elkaar zonden (zie sarnamihuis.nl). Miskend verleden is vooral een academische (literatuur)studie, compleet met theoretische concepten die als ‘lenzen’ dienst doen. De academische toonzetting zal het lezerspubliek beperkt houden, maar bij collega-onderzoekers zullen Gowricharns stellige analyses vast tot discussies leiden.

Ben de Pater, universitair hoofddocent sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht

De stad als vaderland. Brugge, Leeuwarden en Maastricht in de eeuw van de natiestaat, 1815-1914

Tymen Peverelli

Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2019. 422 p.
ISBN 978 94 6004 453 3
€29,95

De handelseditie van het proefschrift van Tymen Peverelli heeft een intrigerende en goedgekozen titel. Het is voldoende bekend dat de negentiende eeuw de eeuw is waarin het vaderland – de natiestaat – in de meeste Europese landen een dominante positie verwierf in processen van politieke identificatie. De mechanismen achter de constructie van moderne nationale identiteiten, gebaseerd op een verbeelde gemeenschappen en een collectieve herinnering, zijn grondig ontleed. Maar wat is precies de plaats van de stad in die geconstrueerde collectieve identiteit? Steden waren immers vanouds plekken met een sterke eigen identiteitsproductie die vaak kan bogen op stevige premoderne wortels. Hoe konden die bestaande identiteiten worden ingepast in het nationale verhaal, en hoe evolueerde de relatie tussen beide door de eeuw heen?

In landen als Frankrijk en Duitsland is de lokale articulatie van het negentiende-eeuwse nationalisme grondig onderzocht. In veel gevallen bleek het nationalisme net te opereren via de lokale identiteit, die er zelfs een noodzakelijke voorwaarde voor was. Trouw aan ‘la petite patrie’ werd op grote schaal ingeschakeld als een opstapje naar trouw aan het grotere vaderland, onder het motto ‘eenheid in verscheidenheid’. In België en Nederland is dat proces veel minder goed bekend dan in de buurlanden. Nationalisme wordt er nog vaak beschouwd als een monolithische ideologie die van bovenuit op de samenleving is neergedaald, daarbij lokale identiteiten uit de weg ruimend.

Peverelli onderzoekt de vraag naar de relatie tussen stad en nationalisme aan de hand van drie goed gekozen gevalstudies van ‘derde steden’: provinciesteden die zich om verschillende redenen in de periferie van het nationale verhaal bevinden. Het Friese Leeuwarden was de hoofdstad van een provincie die zich tegelijkertijd profileerde als anders dan de rest van Nederland en als bakermat van de natie. Maastricht was een katholieke, zuidelijke grensstad waarvan de inwoners zich moeilijk konden herkennen in het protestantse, Hollandocentrische nationale verhaal. Brugge vormde dan weer een kroonjuweel van Vlaams bewustzijn in een grotendeels Franstalig Belgisch natieproject. De focus van het boek ligt op de herdenking van het stedelijke verleden. Vier grote thema’s worden voor elke stad in kaart gebracht: de geschiedbeelden van lokale geleerden en literatoren, publieke herdenkingen (waaronder stoeten en standbeelden), de zorg om bouwkundig erfgoed en de opkomst van het toerisme.

De vergelijking tussen de drie steden is bijzonder leerzaam. Ze toont aan dat de relatie tussen stedelijke en nationale identiteit zich, onder invloed van lokale specificiteiten, op de drie plekken op een sterk verschillende manier ontwikkelde. Zo was er in Leeuwarden nauwelijks sprake van een apart stedelijk gevoel, omdat de Friese identiteit net berustte op het idee van landelijkheid, waardoor de stedelijke omgeving vaak als on-Fries werd ervaren. Als historische thuisbasis van de Friese Nassaus profileerde de stad zich als een uitgesproken Nederlandse plek. Heel anders was de situatie in Brugge, waar de stedelijk identiteit juist sterk werd gecultiveerd, onder meer via de oprichting van standbeelden, de vroege aandacht voor monumentenzorg en de definitie van een typische Brugse bouwstijl. De viering van het stedelijke verleden leidde er vaak tot spanningen tussen het lokale niveau, dat eerder het Vlaamse karakter van de stad benadrukte, en de nationale overheid, die het Belgische element in de verf zette. Het Maastrichtse stedelijke gevoel was dan weer opvallend transnationaal georiënteerd. Het was veel sterker gericht op de Belgische en Duitse steden in het oude Maasland dan op de rest van Nederland, wat tot uiting kwam in grensoverschrijdende samenwerkingen en historische narratieven.

De hoofdrolspelers in dit verhaal zijn lokale antiquaren, publicisten, politici, erfgoedactivisten en stadspromotoren. Hun opvattingen over de plaats van de stedelijke identiteit in het nationale verhaal worden geschetst aan de hand van een ronduit overweldigende hoeveelheid bronnenmateriaal, geput uit lokale tijdschriften, gemeenteraadsdebatten, toeristische folders, reisgidsen, bouwdossiers en nog veel meer. In veel gevallen gaat het om weinig of niet eerder bestudeerd materiaal, dat vaak een waardevolle aanvulling biedt op de beter gekende historiografische bronnen. Die rijkdom maakt het boek zowel interessant voor nationalismeonderzoekers als voor lokale historici.

Peverelli analyseert het materiaal aan de hand van de begrippen stadsparticularisme en gelokaliseerd nationalisme, die hij situeert aan de uiteinden van een glijdende schaal. De eerste houding benadrukte voor alles de eigenheid van de stad, die in het uiterste geval zelfs primeerde op de nationale identiteit. De tweede houding duidt aan hoe de nationale identiteit op lokaal niveau werd toegeëigend, waarbij de eigen stad als pars pro toto gingen dienen voor de natie. In combinatie met een meer cultureel of meer politiek gerichte agenda levert dit begrippenpaar goede handvatten om de complexe en verschuivende interactie tussen stedelijke en nationale identiteiten te analyseren.

Het is duidelijk dat het gelokaliseerd nationalisme, samen met de groei van nationale gevoelens in beide landen, sterker werd naarmate de negentiende eeuw vorderde. Toch kende die evolutie verschillende snelheden en was ze veel minder voorspelbaar en eenvormig dan vaak wordt verondersteld. Dat inzicht levert een belangrijke bijdrage aan de historiografie van het nationalisme en de stadsgeschiedenis in België en Nederland. Peverelli maakt zijn punt aan de hand van een voornamelijk empirisch gericht verhaal, gesteund door talloze grote en kleine feiten uit het rijke bronnencorpus. Grote theoretische vernieuwingen zijn niet de opzet van het boek. De interactie met de historische literatuur speelt zich grotendeels af in de goed gestoffeerde voetnoten. Dat beschrijvende karakter maakt het boek bij momenten wat repetitief, maar dankzij de vele voorbeelden en anekdotes blijft het steeds levendig en lezenswaardig. Ook de vele mooie illustraties dragen daar toe bij.

Brecht Deseure, postdoctoraal onderzoeker, King’s College Londen

Moederstad en vaderland. Nationale identiteit en lokale trots in de schilderswereld van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1815-1839

Anna Rademakers

Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020. 314 p.
ISBN 978 90 9704 839 6
€29,-

Kunst (en met name het eigendom ervan) heeft de afgelopen tweeëneenhalve eeuw veel nationalistische emoties opgeroepen. Zo’n vijf jaar geleden stonden de kranten nog vol toen ‘onze’ Marten en Oopjen van Rembrandt, natuurlijk dé ‘Nederlandse’ schilder bij uitstek, in een ‘Franse’ collectie dreigden te verdwijnen. Uiteindelijk kocht de Nederlandse staat de twee schilderijen samen met Frankrijk voor in totaal een slordige 160 miljoen euro.

Aan het begin van de negentiende eeuw speelden dit soort artistieke eigendomsconflicten in de kunstmarkt zich niet alleen af tussen naties, maar ook tussen steden. Het proefschrift van Anna Rademakers, uitgegeven als Moederstad en vaderland bij Uitgeverij Verloren, onderzoekt dit ingewikkelde spanningsveld voor de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de Belgische Revolutie tussen 1815 en 1839.

Daarmee sluit zij zich aan bij een de laatste jaren groeiende historiografie (ook in België en Nederland) die de geschiedenis van nationale identiteit op lokaal niveau onderzoekt en problematiseert. Historici van België en Midden- en Oost-Europa hebben bijvoorbeeld laten zien dat grote groepen negentiende-eeuwers ‘onverschillig’ stonden tegenover de natiestaat (Zahra, ‘Imagined noncommunities’, 2010; Van Ginderachter, The everyday nationalism of workers, 2019). Anderen hebben erop gewezen dat de toen sterke identificatie met de stad het nationaal besef kon ondersteunen, maar ook kon ondergraven (o.a. Croon, ‘Toe-eigeningsstrategieën bij stedelijke en nationale identiteitsvorming’, 2003; Boender, ‘Stedelijk patriottisme’, 2015; Petterson, Eigenwijs vaderland, 2017; Vannieuwenhuyze, ‘Aangedaan van statuomanie’, 2018; Peverelli, De stad als vaderland, 2019).

Rademakers onderzoekt deze kwestie voor het discours en kunstpraktijk van de schilderswereld in het Groot-Nederlandse koninkrijk. Bijzonder is dat ze ervoor koos om vier steden te onderzoeken: Amsterdam, Antwerpen, Brussel en Den Haag. Er zijn in de historiografie over de negentiende eeuw weinig historici die op een systematische wijze vier steden (en bovendien twee landen) onderzoeken. Bovendien richt ze zich op een tijdvak dat de afgelopen tien jaar weliswaar – eindelijk – centraler is komen te staan in het historisch onderzoek, maar waar toch nog meer onderzoek naar nodig is.

Moederstad en vaderland bestaat uit zes hoofdstukken, waarvan de eerste twee de context schetsen voor de lokale casestudies in de hoofdstukken erna. Het eerste hoofdstuk gaat over het kunstvertoog in Nederland en België in de decennia rond 1800. Rademakers laat onder andere zien dat de culturele elite een levendig debat voerde over de vermeend slechte staat van de Nederlandse kunsten, in vergelijking met de Frans-Italiaanse standaard. Het tweede hoofdstuk gaat in op het kunstonderwijs (met name in de academies) en tentoonstellingen van schilderijen in de late achttiende en vroege negentiende eeuw. Centraal staan de salons, uit Frankrijk overgewaaide tentoonstellingen van contemporaine kunst. Hier bezichtigde het groeiende publiek van potentiële kopers het werk van lokale en nationale schilders. Rademakers meent dat deze evenementen in eerste instantie bedoeld waren om de roem van lokale schilders op te vijzelen, maar dat hier rond 1800 een nationaal besef ‘voor in de plaats [was] gekomen’ (p. 41). Dit gaat er echter aan voorbij dat tentoonstellingen en academies de hele negentiende eeuw een belangrijke bron bleven van stedelijke trots.

In het derde hoofdstuk beschrijft Rademakers de Amsterdamse schildersgemeenschap. Zij gaat onder andere in op de contemporaine discussies over de juiste koers van de Nederlandse kunst rond de oprichting van de Amsterdamse academie in 1817. Centrale figuren als Jeronimo de Vries en Cornelis Apostool dachten verschillend over wat de Groot-Nederlandse kunst precies behelsde, maar focusten vooral op de Hollandse kunst. Na 1830 werden Amsterdamse verzamelaars en kunstorganisatoren nationalistischer, al bleven er persoonlijke contacten met Antwerpen.

Het vierde hoofdstuk richt het vizier op Antwerpen. Het gaat over hoofdrolspelers rondom de stedelijke academie, zoals Van Bree, Snijers en later Wappers, en de manieren waarop zij zich tot het vaderland verhielden. Onder leiding van Bree probeerde de stadselite in eerste instantie het classicisme met lokale Rubiaanse traditie te verenigen. Hoewel er op persoonlijk vlak contacten waren met Amsterdammers, bleef de deelname van Noord-Nederlanders aan de lokale salons beperkt. Na 1830 werden de salons vrijwel exclusief nationale bezigheden.
In het vijfde hoofdstuk staat Brussel centraal. Schilders in deze stad hadden, veel meer dan in Antwerpen, een op het zuiden (en dan met name op Frankrijk) gerichte oriëntatie. Aan de lokale academie vierde het neoclassicisme lang hoogtij. Rademakers laat zien dat de Brusselse salons sterk lokaal georiënteerd waren: op een enkel evenement na bezochten weinig Noord-Nederlandse schilders deze tentoonstellingen. Dit veranderde echter met de revolutie. Lokale activiteiten, zoals de salons, kregen een vanzelfsprekend nationalistisch karakter. Tegelijkertijd behielden lokale artistiekelingen een internationale oriëntatie.

De geschiedenis van de Haagse kunstwereld, onderwerp van het zesde hoofdstuk, vertoonde enkele gelijkenissen met haar Brusselse tegenhanger. Tijdens de jaren 1810 en 1820 hadden de stedelijke academie en tentoonstellingen ook hier een sterk neoclassicistisch en lokaal karakter. De Belgische Revolutie maakte nationalistische onderwerpen populair. Vanaf het einde van de jaren 1830 trokken echter veel Belgen naar Den Haag toe.

Rademakers concludeert dat het Groot-Nederlandse ideaal in de schilderswereld slechts beperkt (vooral in Amsterdam) werd beleden en bovendien vaak werd genegeerd. Schilders zelf stelden zich vaak pragmatisch op. Uiteindelijk gaat Moederstad en vaderland vooral over het nationalisme in de schilderkunst in Nederlandse en Belgische steden, minder over wat stedelijke trots nou precies betekende. Rademakers merkt wel op dat de lokale hoofdrolspelers concurrentiegevoelens hadden tegenover andere steden. Hiermee voldoet ze echter niet helemaal aan haar belofte om het nationale en stedelijke niveau met elkaar ‘te verbinden en te vergelijken’, zoals ze in de inleiding aankondigde (p.13).

Desondanks biedt het boek veel nieuwe inzichten over de vroeg negentiende-eeuwse kunstwereld. Ze verbindt soepel een sociale met een culturele aanpak. De bij tijd en wijle biografische focus (Rademakers concentreert zich in elke stad op een aantal hoofdrolspelers) werkt goed: het maakt het milieu van curatoren, organisatoren, schilders en verzamelaars inzichtelijk voor de lezer. Daarmee is Moederstad en vaderland een welkome aanvulling op de Belgische en Nederlandse cultuurgeschiedenis van de vroege negentiende eeuw.

Tymen Peverelli, onafhankelijk onderzoeker

Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden. Stedelijk groen in Antwerpen 1859-1973

Bart Tritsmans

Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2016. 262 p.
ISBN 978 94 6270 082 6
€55,-

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen milieu en natuurbescherming stevig op de politieke agenda. Ook het Antwerpse stadsbestuur kreeg meer aandacht voor groen. Onder protagonisten uit die tijd werd dit beschouwd als de ommekeer in het denken over de stad en over de plek van groen in de stedelijke omgeving. Dat wil echter niet zeggen dat er vóór de jaren zeventig geen milieu was of dat er niet over groen werd nagedacht. In zijn proefschrift Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden gaat historicus en ingenieur Bart Tritsmans terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, wat volgens de internationale stadshistorische literatuur de bakermat is van het moderne stedenbeleid. Met Antwerpen als casus onderzoekt hij de veranderende betekenis van stedelijk groen in de moderne stad tussen 1859 en 1973. Zijn boek verbindt hiermee stadsgeschiedenis met ecologische geschiedenis en sluit zo aan bij de recente trend in de historiografie waarin deze historische onderzoeksdisciplines niet tegenover elkaar staan, maar juist toenadering zoeken – met (menselijke) actoren als verbindend element.

In zijn proefschrift toont Tritsmans de toegevoegde waarde van deze toenadering en focus op (menselijke) actoren aan, door te werken met drie dimensies, die in elk van de drie chronologische delen van het boek naar voren komen. In de eerste dimensie behandelt hij stedelijk groen vanuit het klassieke politiek-institutionele perspectief, namelijk de geplande stedelijke groenruimte. Vanuit de visie van het Antwerpse stedelijke beleid en de internationale stedenbouw bestudeert hij de plannen over natuur in de stad. Verschillende stedelijke actoren, van fietsverenigingen tot natuurbeschermingsverenigingen, ageerden echter tegen deze plannen. In de tweede dimensie onderzoekt Tritsmans daarom de onderhandelingsprocessen en conflicten die ontstonden over de inrichting van bijvoorbeeld parken, en laat zo zien dat actoren invloed hadden op, en een eigen idee hadden van, stedelijk groen. In de laatste dimensie geeft hij de ruimte aan de individuele beleving en het dagelijks gebruik van groen door stadsbewoners – een perspectief waarvoor in stadshistorisch onderzoek recent meer aandacht is gekomen, maar dat zeker op het gebied van stedelijk groen nog in de kinderschoenen staat. Door alle drie de periodes die het boek behandelt vanuit deze drie dimensies te benaderen, biedt Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden een driedimensionale kijk op de stedelijke groenruimte.

In het eerste deel van het boek staat de tweede helft van de negentiende eeuw centraal (1859-1906). In deze periode hield de Antwerpse gemeente zich voor het eerst bezig met het implementeren van groen in het stedelijk weefsel. Tritsmans laat zien dat ze dit vooral deed om als stad prestige te verwerven en zo internationaal mee te kunnen met wereldsteden als Parijs of Londen. Groen had hierdoor een decoratieve functie en was bovendien strikt gereglementeerd volgens de heersende burgerlijke maatstaven. Hoewel dit op veel conflict stuitte vanuit verschillende (maatschappelijke) groepen zoals fietsverenigingen of kaatsbalmaatschappijen die groen liever ter recreatie gebruikten, hield de gemeente vast aan haar burgerlijke idee van groen. Opvallend is dat de stadsbewoners in hun dagelijkse omgang met de stad geen tekort aan recreatief groen ervoeren. Door de burgerlijke regels naar hun hand te zetten en door ook officieuze groenruimtes, zoals braakliggende gronden, te gebruiken, ervoeren zij een groen Antwerpen.

In het tweede gedeelte van het boek, dat de periode van begin twintigste eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog beslaat (1906-1945), schenkt Tritsmans ruime aandacht aan de algemene trends binnen de internationale stedenbouw van voor de Eerste Wereldoorlog. Op internationale congressen werd gepleit voor een moderne, utopische stadsarchitectuur buiten de binnenstad met veel groen. Tuinsteden en hoogbouw vormden het antwoord op de onleefbaar geworden steden. Voor de Antwerpse gemeente ging dit te ver. Tritsmans laat zien hoe zij teruggreep op de negentiende-eeuwse bouw met decoratief groen – wat wederom voor conflict zorgde. Naast de stadsbevolking die recreatief groen eiste, kreeg de gemeente in het interbellum ook te maken met nieuwe natuurorganisaties, zoals de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon die streed voor natuurbescherming. Wat betreft de belevingsdimensie, kiest Tritsmans er in dit deel voor zich enkel te richten op de periode van de Tweede Wereldoorlog. Hij betoogt dat de beleving van groen de overkoepelende individuele beleving van de oorlog weerspiegelde. Zo werden groenzones voor de één een microkosmos voor het groeiende antisemitisme, voor de ander een militair oefenterrein en voor weer een ander juist een zone van ontspanning en het ontsnappen aan de oorlog.

Het laatste deel (1945-1973) bestaat, in tegenstelling tot voorgaande delen, uit slechts één hoofdstuk waarin Tritsmans de drie dimensies tegelijkertijd behandelt. Hij laat zien dat het Antwerpse stadsbestuur na de oorlog wél de internationale stedenbouwkundige trends volgde, wat resulteerde in een modernistische, functionalistische bouw gericht op pragmatische vooruitgang. Stedelijk groen moest hierdoor wijken voor verkeer, schaalvergroting en suburbanisatie. Niet alleen in het stadsbeeld, maar ook op de stedelijke agenda werd groen slechts een bijkomstigheid. Dit leidde echter tot steeds meer protest vanuit nieuwe actoren die zich samenschoolden als ‘nostalgici’ tegenover de gemeentelijke ‘pragmatici’. Niet alleen vanuit actiegroepen, maar ook vanuit de gemeente en de architectuur klonken kritische stemmen. Uiteindelijk gaf het Antwerpse stadsbestuur toe en zette groen in de jaren zeventig weer op de agenda. Deze papieren plannen zouden in de jaren tachtig eindelijk gerealiseerd worden.

Met zijn driedimensionale aanpak slaagt Tritsmans er niet alleen in om te laten zien hoe de betekenis van stedelijk groen evolueerde over de onderzochte periode, maar ook dat er in elke periode geen eenduidige betekenis aan groen werd toegekend. Juist door niet één, maar verschillende dimensies te onderzoeken, laat hij zien dat de stedelijke groenruimte veel gelaagder was dan in de officiële bronnen en de gangbare historiografie naar voren komt. Het kende een hybride en omstreden karakter. De drie dimensies kunnen hierdoor ook worden beschouwd als een reis door de historiografie: van de officiële actoren en plannen richting de persoonlijke beleving.

Toch voelt deze strakke structuur soms ook iets té rigide aan. In het eerste gedeelte komt de gelaagde benadering goed uit de verf, maar in het tweede gedeelte is de driedimensionale aanpak minder geslaagd, ook omdat Tritsmans ervoor heeft gekozen elke dimensie aan een periode binnen de eerste helft van de twintigste eeuw te koppelen. Dit wekt de indruk dat de dimensies eerder naast elkaar bestonden, dan dat ze in dezelfde periode op elkaar botsten of elkaar aanvulden. Bovendien lijkt de belevingsdimensie soms nog wat ondergesneeuwd. Zo behandelt Tritsmans in het tweede gedeelte de belevingsdimensie enkel voor de periode van de Tweede Wereldoorlog, wat vragen oproept over de beleving van groen buiten die vijf jaar.

Daarnaast is zijn gebruikte methode bij het onderzoek naar beleving soms ondoorzichtig. Tritsmans geeft aan onder meer herinneringen, afbeeldingen en kaarten te gebruiken, maar op welke manier wordt niet duidelijk. Hierdoor krijgt de lezer de indruk dat de afbeeldingen en kaarten eerder decoratief worden gebruikt dan dat ze onderdeel uitmaken van de bronanalyse. Tot slot valt de mate waarin Tritsmans de Antwerpse groenontwikkelingen in een internationaal kader plaatst te bekritiseren. Aan internationale trends op gebied van stadsplanning besteedt hij voldoende aandacht, maar het plaatsen van de reacties en beleving van Antwerpenaren in een internationaal kader is nog wat mager.

Desalniettemin biedt de driedimensionale aanpak interessante nieuwe inzichten aan de geschiedschrijving over stedelijk groen. Door het hanteren van een breed perspectief doet Tritsmans zelfs meer dan dat: hij verschaft ook inzicht in de betekenis van de stedelijke ruimte zelf en toont aan dat stedelijk groen een spiegel vormde voor de bredere ontwikkelingen in de maatschappij. Bomen zijn waardevolle bijkomstigheden vormt daardoor zelf geen bijkomstigheid, maar een waardevolle aanvulling in de boekenkast van iedereen die geïnteresseerd is in groen, en meer dan groen.

Jenna The, research masterstudent Historical Studies, Radboud Universiteit

Eens ging de zee hier tekeer. Het verhaal van de Zuiderzee en haar kustbewoners

Eva Vriend

Amsterdam: Atlas Contact, 2020. 358 p.
ISBN 978 90 450 3631 1
€24,99

Het Zuiderzeeproject is een Nederlandse prestatie van wereldformaat. De Afsluitdijk beschermt het IJsselmeergebied al bijna negentig jaar tegen het geweld van de Noordzee. Bovendien heeft de droogmaking van grote stukken zeebodem Nederland verrijkt met landbouwgronden, steden, natuurgebieden, en zelfs een nieuwe provincie.

Het Zuiderzeeproject heeft echter ook zijn schaduwkanten, bijvoorbeeld het verdwijnen van een bijzonder ecosysteem. Ooit zwommen er tuimelaars voor de kust van Harderwijk, in plaats van in de bassins van het Dolfinarium. Ook op sociaal gebied kent het Zuiderzeeproject zijn keerzijden. In het boek Het nieuwe land (2013) belichtte de journalist en historicus Eva Vriend, afkomstig uit de Noordoostpolder, de soms trieste lotgevallen van kandidaat-polderpachters die niet voldeden aan de strenge toelatingseisen van de overheid. In Eens ging de zee hier tekeer vertelt Vriend het verhaal van een andere groep ‘verliezers’ van de Zuiderzeewerken: de duizenden vissers wier bestaan door dit immense project op zijn kop werd gezet. Zij doet dit aan de hand van de familiegeschiedenissen van vier inmiddels bejaarde mannen uit Spakenburg, Urk, Wieringen en Volendam, die door haar ‘erfzonen’ worden genoemd.

In het eerste deel van haar boek vertelt Vriend het verhaal van de voorouders van de vier erfzonen. Het gebied waar zij leefden werd in de tweede helft van de negentiende eeuw vaak afgeschilderd als weliswaar pittoresk, maar armoedig en cultureel achtergebleven. De Franse kunsthistoricus Henry Havard schreef in 1874 zelfs een boek over de ‘dode steden van de Zuiderzee’. Cultuurnationalisten konden het overigens wel waarderen dat de oude havensteden en vissersdorpen, in een tijd van ingrijpende technologische en maatschappelijke veranderingen, hun ‘authentieke’ karakter hadden behouden.

In werkelijkheid ging de Industriële Revolutie natuurlijk niet volledig aan het Zuiderzeegebied voorbij. De ontdekking van de ‘ongerepte’ volkscultuur van Volendam en Marken door toeristen en kunstschilders was immers te danken aan het feit dat zij met moderne trams en stoomboten naar deze vissersplaatsen konden reizen. Niet elk vissersdorp ontwikkelde zich echter tot toeristische trekpleister. De welvaart van veel dorpen hing af van de visstand, die per jaar kon veranderen. In slechte jaren heerste er in veel vissersgezinnen bittere armoede. Kinderarbeid was doodnormaal.

Dergelijke toestanden speelden de Zuiderzeevereeniging, die afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee bepleitte, in de kaart. In 1905 werd de Zuiderzeevisserij in een rapport van deze vereniging gekwalificeerd als een weliswaar sympathieke, maar ouderwetse bedrijfstak van beperkt economisch belang. Afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zouden niet alleen leiden tot vermindering van het overstromingsgevaar en vruchtbare akkers, maar ook tot betere scheepvaartverbindingen en herstel van de handel. Per saldo zou Nederland erop vooruitgaan.

In 1905 konden de vissers het rapport van de Zuiderzeevereeniging nog weglachen. Er werd immers al tientallen jaren over afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee gediscussieerd, zonder dat er ook maar een meter polderdijk was aangelegd. In 1918 nam het parlement echter de Zuiderzeewet aan, en in 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht. De vissers waren ‘hun’ Zuiderzee voorgoed kwijt.

Het tweede deel van Vriends boek behandelt de wijze waarop de vier erfzonen en hun generatiegenoten met deze omwentelingen zijn omgegaan. Sommigen bleven vissen op het steeds kleiner wordende IJsselmeer. Anderen monsterden in Scheveningen of Katwijk aan op haringloggers, of investeerden in een eigen schip dat de ruwe Noordzee kon trotseren. Een derde groep deed een beroep op de Zuiderzeesteunwet van 1925. Deze wet had tot doel vissers, nettenboeters en scheepsbouwers te helpen met omscholing of het opzetten van een eigen bedrijf buiten de visserij. De uitvoering ging gepaard met nogal wat bureaucratische rompslomp, tot frustratie van de rechthebbenden. Bovendien bleken lang niet alle vrijgevochten visserszonen geschikt voor het gereguleerde werk in schoenen- of sigarenfabrieken.

Ondanks deze obstakels wisten veel Zuiderzeedorpen zich opnieuw uit te vinden. De Spakenburger visserszoon Cees Hopman, één van de vier erfzonen, startte een bedrijf in cv-ketels en werd daarmee multimiljonair. De Urkers moderniseerden hun vissersvloot, bouwden een visafslag en namen vernieuwende methoden om vis in te vriezen over uit Denemarken. Volendam bouwde voort op zijn status van toeristische trekpleister. Ook kwamen er nieuwe bedrijfstakken op; kleinzonen van vissers werken nu als stukadoor.

Vriend meent dat de opmerkelijke wederopstanding van het Zuiderzeegebied is toe te schrijven aan een gemeenschappelijke cultuur. De Zuiderzeedorpen waren gesloten gemeenschappen met een sterke religieuze inslag en een egalitair karakter. Vissers hadden een diepe band met elkaar, hun dorpen en de Zuiderzee. Op basis hiervan ontwikkelden de dorpen een gezamenlijke identiteit die zo sterk was dat zij de gevolgen van de afsluiting te boven kwamen, aldus Vriend. Hierbij was weerstand tegen het overheidsbeleid een belangrijke vormende factor. Niet alleen verloren de vissers hun eigen ‘zeetje’, ook werden ze lastiggevallen met vergunningsbepalingen en vangstbeperkingen. Gevolg was volgens Vriend dat de bevolking van de vissersplaatsen de rug rechtte; zij zouden de boze buitenwereld wel eens laten zien wat zij waard waren!

Hierop valt wel wat af te dingen. Zo gaat Vriend in haar pogingen een gemeenschappelijke Zuiderzeecultuur te ontwaren wel wat kort door de bocht. Van religie als bindende factor is immers lang niet altijd sprake; waar Volendam een katholieke enclave is, is Urk al eeuwenlang een calvinistisch bolwerk. Ook op andere terreinen was de onderlinge band niet zo hecht als Vriend suggereert. In de late negentiende eeuw beschuldigden de vissers van de oostkust van de Zuiderzee, die doorgaans gebruik maakten van visserij met staand want, de kuilvissers uit Volendam ervan dat zij de binnenzee aan het leegvissen waren. De gedeelde Zuiderzee-identiteit lijkt dan ook eerder een romantische mythe uit de negentiende eeuw dan een reëel fenomeen.

Ook op de gehechtheid aan eigen dorp of regio waarover Vriend spreekt valt wel wat af te dingen. De overgrootvader van Urker erfzoon Jurie van den Berg verhuisde al midden negentiende eeuw naar Terschelling omdat zijn favoriete visgronden bij dat Waddeneiland lagen. Urk kon na 1932 snel overschakelen naar Noordzeevisserij, juist doordat veel Urkers al ervaring hadden opgedaan op Scheveningse of Katwijkse haringloggers.

Je kunt je bovendien afvragen of het beeld dat Vriend schetst helemaal compleet is. Tegenover het succesverhaal van Urk en Volendam staat het verdwijnen van de visserij in Blokzijl, Kuinre en Vollenhove. Waarom Vriends keuze op erfzonen uit Urk, Volendam, Wieringen en Spakenburg is gevallen, wordt niet duidelijk gemotiveerd. De keuze van Wieringen (of beter: Den Oever) is hoe dan ook merkwaardig, omdat dit voormalige eiland nog steeds een zeehaven heeft.

Eens ging de zee hier tekeer kan als familiegeschiedenis wel bekoren, maar is als cultuurgeschiedenis van het vroegere Zuiderzeegebied niet overtuigend. Hiervoor is Vriends betoog te onsamenhangend en zijn haar analyses te oppervlakkig.

Remco van Diepen, onderzoeker Erfgoedpark Batavialand te Lelystad

Willem Bastiaan Tholen, 1860-1931. Een gelukkige natuur

Marieke Jooren red., Helewise Berger, Rhea Sylvia Blok, Richard van den Dool, Ger Luijten, Quirine van der Meer Mohr, Adrienne Quarles van Ufford, Suzanne Veldink, Jaap Versteegh, Evelien de Visser, Gijsbert van der Wal en Menno Jonker (eindredactie catalogus).

Bussum: Uitgeverij Thoth, 2019. 320 p.
ISBN 9789024419814
€39,95

Verschenen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Dordrechts Museum, t/m 1 november 2020. Eerder, in het najaar van 2019, was de tentoonstelling te zien in Fondation Custodia, Parijs, onder de titel Un impressioniste néerlandais. Willem Bastiaan Tholen (1860-1931).

De bij de tentoonstelling in Dordrecht verschenen monografie – tevens tentoonstellingscatalogus – van Willem Bastiaan Tholen is een vuistdik boekwerk. Er hebben dan ook maar liefst elf auteurs een bijdrage aan geleverd. Naar mijn mening staat op de flaptekst ten onrechte vermeld dat de in de late negentiende en vroege twintigste eeuw werkzame impressionistische schilder tegenwoordig alleen bekend is in een kleine kring van liefhebbers. Iedereen die een beetje thuis is in de negentiende-eeuwse kunstgeschiedenis kent zijn naam en zijn werk. Wel is het een feit dat hij niet echt baanbrekend is geweest en zich geen opmerkelijke ontwikkelingen in zijn oeuvre openbaarden.

Hij ging met een zichtbaar plezier onverstoorbaar door op de ingeslagen weg. Een recensent van NRC Handelsblad gaf zijn commentaar op de tentoonstelling de kop mee: ‘In de schilderkunst van Willem Tholen schijnt altijd de zon’. Dat is niet zo, maar verwijst ontegenzeglijk naar de raak gekozen ondertitel van de tentoonstelling en het boek: ‘Een gelukkige natuur’. Want zo komt Tholen inderdaad over: nooit zoekend, broeierig of geëngageerd, maar immer aangenaam met een liefdevolle behandeling van zijn onderwerpen. Dramatiek was hem vreemd.

In alle publicaties over Tholen wordt benadrukt dat hij niet in het ‘hokje’ van de Haagse School past, noch in dat van de Amsterdamse Impressionisten. De conclusie is dan ook dat hij binnen beide stromingen een rol speelde. Qua schildertrant kan hij als representatief voor de Haagse School worden beschouwd, terwijl hij door zijn omgang met tijdgenoten tot de Tachtigers gerekend kan worden. Daarnaast sluiten zijn qua compositie meest verrassende schilderijen aan bij de modernere kunstenaars. Het zijn dan ook deze werken, gekenmerkt door afsnijdingen van het beeldvlak of uitsnijdingen van het onderwerp, die de meeste bekendheid genieten. Op een rijtje gezet zijn dat Molens bij Giethoorn (ca. 1882-1885), Schaatsenrijders in het Haagse Bos (1891), De gezusters Arntzenius (1895) en Landschap met schildersparasol (een ongedateerde olieverfschets).

In de omvangrijke publicatie volgen na de inleiding door Marieke Jooren acht essays, de catalogus, een biografie, een lijst met tentoonstellingen, een literatuuropgave en een onontbeerlijk register. Vanwege de tentoonstelling in Fondation Custodia is ook nog een Franstalige ‘Biographie’ opgenomen. Dit alles verklaart het aantal auteurs en heeft geleid tot een zeer complete biografie van Tholen, die ook wat inzichten en uitstapjes naar tijdgenoten betreft waarschijnlijk voor eeuwig een standaardwerk zal zijn.

De levensloop van Willem Bastiaan Tholen laat zich als volgt samenvatten. Hij werd in Amsterdam geboren als tweede van vijf kinderen (de andere vier waren meisjes) in een gegoed milieu. Zijn vader was kunsthandelaar. Toen de toekomstige schilder vijf jaar was, verhuisde het gezin naar Kampen. Met de daar wonende Jan Voerman (1857-1941) bezocht hij de Avondtekenschool. Onder de vrienden van de familie bevond zich de Haagse Schoolschilder Paul Gabriël (1828-1903). Deze woonde en werkte een groot deel van zijn leven in Brussel, waar de drie jaar jongere Tholen hem in 1878 kwam opzoeken. De kunstenaars raakten bevriend, en Gabriël kwam daarna regelmatig naar Kampen om met Tholen in de waterrijke omgeving en plein air olieverfschetsen op ‘plankjes’ te maken. Het Kamperveen werd een deel van zowel Gabriëls als Tholens repertoire. In het studiejaar 1876-1877 was Tholen naast Voerman en de latere Tachtiger Willem Witsen (1860-1923) leerling aan de Rijksacademie in Amsterdam. Met de laatste raakte hij nauw bevriend, wat hem in de kringen van de Tachtigers bracht die zich in Amsterdam rondom De Nieuwe Gids verenigden en veelvuldig samenkwamen in het buitenhuis Ewijkshoeve van de familie Witsen nabij Soest. Na de Rijksacademie voltooide Tholen zijn studie aan de Polytechnische School in Delft. Er volgden nog wat omzwervingen; zo was hij onder meer tekenleraar in Gouda, om in 1880 terug te keren naar Kampen, eveneens als leraar.

Uit de bijdragen over Tholens tekenkunst en grafiek komt naar voren dat hij over een soepele tekentrant beschikte, een gave die hij ook aanwendde bij het vervaardigen van zijn etsen. In 1885 werd hij dan ook uitgenodigd om lid te worden van de door onder anderen Willem Witsen opgerichte Nederlandsche Etsclub. Hoewel Tholen maar vier jaar lid is geweest en slechts drie etsen aan de verkoopportefeuilles heeft geleverd, is hij tot 1915 – zij het met grote tussenpozen – etsen blijven maken (zesentachtig in totaal). Daarnaast zijn er tientallen litho’s van zijn hand bekend.

Eveneens in 1885 logeerde Tholen voor het eerst bij Witsen op Ewijkshoeve, waar hij zijn latere vrouw Coba Muller ontmoette. Hij vestigde zich met haar in 1890 in de zogenaamde Kanaal Villa, gelegen bij de Witte Brug aan het Kanaal van Den Haag naar Scheveningen, waar ook het gezin van zijn vriend en collega Paul Arntzenius (1883-1941) kwam wonen. De laatste werd aanvankelijk opgeleid door Tholen.

Als gezegd kenmerkt het werk van Tholen zich door een zekere continuïteit. Hij werkte stug door in de losse stijl die hij zich eigen had gemaakt en vermeed rauwe of aanstootgevende onderwerpen. Bij Tholen oogt alles zonder meer vriendelijk. Juist omdat de eenvoudige taferelen en zijn stijl onveranderd bleven, lijkt het aantal hoofdstukken waarin ieder aspect van Tholens werk uitvoerig wordt belicht misschien wat te veel van het goede. De nadruk ligt op zijn originele standpunten en gevarieerde onderwerpskeuze. Mij bekoren vooral de kijkjes vanuit een raam, zoals Vogelvilla, een uitzicht vanuit een raam van Kanaal Villa, Landschap door een raam met hondje (1896), waarop men met het op een vensterbank gezeten hondje meekijkt over een bosgezicht en Een gezicht vanuit Hotel Van Diepen, Volendam, dat vanuit de naar binnen opengeslagen ramen via rode pannendaken een vergezicht biedt over de Zuiderzee en de lucht erboven. Door de totale afwezigheid van enige drang naar vernieuwing is Tholen bekritiseerd, maar tegelijkertijd werd hij door tijdgenoten bewonderd om zijn onafhankelijkheid en de sfeer van verstilling die zijn voorstellingen ademt.

In zijn persoonlijke leven betekende het overlijden van zijn vrouw Coba, in 1918, een groot verlies. Een jaar later hertrouwde hij met de zestien jaar jongere jonkvrouw Lita de Ranitz. Via haar kreeg hij veel portretopdrachten, onder andere uit hofkringen.

Zo kabbelde Tholens leven en werk zo’n beetje voort, zonder opzienbarende hoogtepunten. Het hoofdstuk ‘Tholen en de internationale kunstmarkt’ maakte mij nieuwsgierig. Dat de beroemde Haagse Scholers in Engeland, Schotland, de Verenigde Staten en Canada furore maakten via de gevestigde Nederlandse kunsthandel is algemeen bekend. Maar Tholen? Het vreemde is dat het grootste deel van deze uiteenzetting over de kunstmarkt in Nederland gaat, en hoe hij net als zijn tijdgenoten via de Amsterdamse handelaren Frans Buffa & Zonen en Van Wisselingh & Co zijn werk aan de man wist te brengen. Maar of de verkochte werken naar het buitenland gingen wordt niet vermeld, er worden voornamelijk Nederlandse klanten genoemd.

Er kwam kennelijk een kentering toen Tholen in 1886 een Paysage aan het Hongaarse Genootschap voor Schone Kunsten in Boedapest verkocht. Sindsdien ontfermde de Haagse kunsthandel Boussod, Valadon & Cie zich over de kunstenaar. Vervolgens werd Tholen vertegenwoordigd door de Engelse kunsthandel The French Company, bevoorraad door de Schot William Lawson Peacock. Hoe de verkoop naar Amerika en Canada verliep is een sappig verhaal, mede door het ongeloof en de jaloezie van vakgenoten als de Haagse Scholers die dezelfde afzetmarkt hadden. Geciteerd wordt de symbolist Johan Thorn Prikker (1868-1932), die naar aanleiding van een omslag van een tentoonstellingscatalogus van Tholen schreef: ‘Nou als je ooit van z’n leven zoo’n teekening maakt als op de bewuste catalogus dan ben je een aap van een vent en nog stom op de koop toe. […] Tholen is een lul geworden.’

Het is niet de bedoeling Tholens talent hier te gaan verdedigen. Ik kan me voorstellen dat zijn meer vooruitstrevende tijdgenoten hem wat oppervlakkig vonden. Het boek over hem is dat allerminst. Onvermijdelijk is dat de essays, waarin onder meer ook het huiselijk leven van de kunstenaar onder de loep wordt genomen, hier en daar wat overlap vertonen. Maar het is een fijn naslagwerk met een heleboel illustraties: honderd schilderijen, tachtig tekeningen en prenten in kleur, plus een groot aantal steunillustraties. Zeker is dat het oeuvre en de persoon van Willem Bastiaan Tholen dankzij de tentoonstelling en de hier besproken monografie een breder publiek dan alleen de kenners zullen bereiken.

Wiepke Loos, onafhankelijk onderzoeker en oud-conservator Rijksmuseum