Boekrecensie: Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870

Pieter Huistra

Hilversum: Uitgeverij Vantilt, 2019. 384 p.
ISBN 978 94 6004 380 2
€24,50

In Bouwmeesters, zedenmeesters laat Pieter Huistra ons kennis maken met de milieus, waarden en praktijken van Nederlandse geschiedkundigen in het midden van de negentiende eeuw. Het eenvoudige gegeven dat vertegenwoordigers van de generaties voor Fruin er vaak bekaaid vanaf komen in de geschiedkundige reflectie op het verleden van de eigen discipline, biedt al een eerste goede reden om deze studie met interesse te lezen. Een tweede goede aanleiding om het boek te lezen, is de keuze van de auteur om zich voornamelijk te richten op ‘de middelmatige en daarom juist illustratieve vertegenwoordigers van een bredere tendens’ (p. 11). Deze insteek nodigt uit om slechts in beperkte mate in te gaan op de atypische levens en werken van illustere grootheden als Bilderdijk en Groen van Prinsterer, om in plaats daarvan de blik te richten op de gedeelde ervaringen en waarden van een groot aantal geschiedkundigen die vandaag de dag nauwelijks nog herinnerd worden.

Huistra werpt licht op deze ‘kleine mannen van de geschiedbeoefening’ door zowel aandacht te besteden aan de institutionele en intellectuele kaders waarbinnen zij werkten als aan de praktijken die zij zich hiertoe eigenmaakten (p. 274). In de sectie over kaders schetst hij eerst de instituties waarbinnen geschiedkundigen zich bewogen, zoals archieven, genootschappen, tijdschriften en universiteiten. Vervolgens onderzoekt hij zowel hun professionele netwerken als de sociaal-economische achtergrond van de geschiedvorsers en genootschapsleden, die een bont gezelschap van kleinburgers, grootburgers en adel vormden. In het slothoofdstuk van de sectie over kaders onderzoekt Huistra welke geschiedenis in het midden van de negentiende eeuw het onderzoeken waard werd geacht. Hij gaat hier zowel in op de complexe relatie tussen nationale en regionale geschiedschrijving in negentiende-eeuws Nederland als op het niet strikt af te bakenen onderscheid tussen geschiedenis en oudheidkunde.

De tweede helft van het boek is gewijd aan praktijken: welke activiteiten ontplooiden geleerde mannen in de negentiende eeuw nu daadwerkelijk in hun hoedanigheid als geschiedkundigen? Huistra bespreekt onder meer de immer blijvende aantrekkingskracht van de studie van primaire bronnen als toetssteen voor wetenschappelijkheid. Hij besteedt ook uitvoerig aandacht aan de politieke en morele beladenheid van geschiedschrijving. Met name de studie van de Opstand en de Tachtigjare Oorlog was in de ogen van velen geschikt om een licht te schijnen op de eigentijdse politieke verhoudingen en de nationale identeit. De levens van de helden uit die tijd waren daarnaast ook een lichtend voorbeeld voor de negentiende-eeuwse Nederlandse burger. Huistra onderzoekt in dit deel van het boek ook de waarden, idealen en praktijken die ten grondslag lagen aan het verzamelen van historische teksten en artefacten: hij laat zien hoe in musea en archieven zowel bescherming als betekenis aan verzamelingen werd geboden (p. 169). In het slothoofdstuk richt de auteur zijn aandacht vervolgens op een van de sappigste elementen van de wetenschapsgeschiedenis: het polemiseren.

De keuze om de laatste sectie van het boek af te sluiten met een bespiegeling op het polemiseren is in veel opzichten een goede beslissing. Zoals Huistra terecht stelt, raakt dit hoofdstuk aan veel van de thema’s die ook in eerdere hoofdstukken al aan bod zijn gekomen (p. 269). Hierdoor worden in dit hoofdstuk de verworven inzichten over verschillende onderwerpen, zoals de politieke en morele lading van geschiedschrijving, de sociale achtergrond van geschiedbeoefenaars en het belang van primaire bronnen en archieven, bij elkaar gebracht op een manier die hun onderlinge verwevenheid toont. Het hoofdstuk gaat voornamelijk (doch niet uitsluitend) in op één heftig debat: de polemiek tussen Maurits Cornelis van Hall en Guillaume Groen van Prinsterer over het leven en het karakter van Hendrik van Brederode. Juist door deze beperking is de auteur in staat om recht te doen aan het brede scala aan institutionele, professionele, sociale, politieke en persoonlijke factoren die in hun polemiek een rol speelden.

Als gevolg van de sterke gerichtheid op deze ene casus en de keuze om het hoofdstuk te gebruiken om elementen uit de eerdere hoofdstukken in onderlinge samenhang te presenteren, worden enkele vragen over het polemiseren echter minder uitputtend behandeld dan mogelijk. Deze vragen hebben met name betrekking op breder gedeelde waarden en resolutiemechanismen. Welke vormen van kritiek werden als toelaatbaar gezien? Op welke manieren beïnvloedden sociale en institutionele posities de mogelijkheden om kritiek te geven en de mate waarin iemand kon verwachten aan kritiek blootgesteld te worden? Waren er institutioonele mechanismen om te bemiddelen als een voortdurende polemiek de gemeenschap van geschiedkundigen dreigde te schaden? Het gedetailleerde verslag van de discussie tussen Van Hall en Groen van Prinsteren doet vermoeden dat hierover meer te zeggen is door andere polemieken met net zoveel aandacht uit te werken.

Deze openblijvende vragen doen echter niets af aan de sterke punten van het boek. Een punt wat hierbij met name in het oog springt, is dat de studie een waardevolle aanvulling biedt op een onderzoeksterrein dat de laatste jaren met recht steeds meer aandacht krijgt: de geschiedenis van de geesteswetenschappen. Het verschijnen van het eerste nummer van History of Humanities in het voorjaar van 2016 illustreert de toenemende interesse in dit onderwerp. Verschillende analytische benaderingen waar Huistra in Bouwmeesters, zedenmeesters voor kiest, zijn bij uitstek geschikt om bij te dragen aan een breed scala aan discussies die niet slechts binnen de geschiedenis van de geschiedkunde spelen maar relevant zijn voor een breder begrip van de ontwikkeling van de geesteswetenschappen. Analyses van, bijvoorbeeld, institutionele ontwikkelingen, opvattingen over wetenschappelijke deugdzaamheid, de politieke en morele lading van geesteswetenschappelijke studie en de rol van professionele netwerken kunnen bijdragen aan een beter begrip van de ontstaansgeschiedenis van alle geesteswetenschappelijke disciplines.

Tot slot: de titel van het boek suggereert dat de bouwmeesters van de Nederlandse negentiende-eeuwse geschiedwetenschap ook zedenmeesters waren. Huistra beschrijft nauwkeurig hoe de geschiedenis een ‘leermeesteres’ diende te zijn en verwacht werd bij te dragen aan ‘karaktervorming’ (p. 241). Hoewel ik niet zou willen betogen dat dergelijke karaktervorming het uitgangspunt dient te zijn van de hedendaagse geschiedschrijving, geloof ik dat menig eenentwintigste-eeuwse geschiedbeoefenaar er baat bij kan hebben om eens in de spiegel te kijken die Huistra ons in Bouwmeesters, leermeesters voorhoudt. Ondanks de vanzelfsprekende verschillen tussen toen en nu, zal de aandachtige waarnemer verbazingwekkend veel herkennen in de idealen en praktijken van de kleine mannen uit de Biedermeiertijd.

Christiaan Engberts, docent, Departement Cultuurgeschiedenis, Universiteit Utrecht

Boekrecensie: Showcasing science. A history of Teylers Museum in the nineteenth century

Martin P. Weiss

Amsterdam: Amsterdam University Press, 2019. 368 p.
ISBN 978 94 6298 224 6
€105,-

Het oudste museum van Nederland, Teylers Museum in Haarlem uit 1784, biedt tegenwoordig een levendige aanblik: een schitterend gerestaureerde achttiende-eeuwse ‘Ovalen Zaal’, een samenstelsel van gebouwen uit verschillende stadia van de negentiende eeuw –alle met authentieke collecties – en daar omheen transparante, respectvolle nieuwbouw uit de jaren 1990 met moderne publieksvoorzieningen en kleine, maar zorgvuldig samengestelde wisseltentoonstellingen die de soms meer dan 200 jaar aanwezige collectiestukken extra reliëf geven.

In de jaren 50, 60 en (grotendeels) 70 van de vorige eeuw ademde het museum een andere sfeer. Menig Haarlems kind (zoals ondergetekende) heeft het toen wel eens met z’n ouders bezocht op een regenachtige zondagmiddag. Het was er stil en wat somber, gevuld met rijen geheimzinnige skeletten en stenen en onbegrijpelijke instrumenten; hoogtepunt was het verduisterde kabinetje met lichtgevende stenen. Er was geen elektrische verlichting, dus op zo’n regenachtige middag moest je weer vroeg weg, want de openingstijden waren aan de daglichtvoorziening aangepast. In de twee grote schilderijenzalen was al om een uur of drie, vier niet veel meer te onderscheiden.

Dat was ook niet zo’n bezwaar: de waardering voor negentiende-eeuwse schilderkunst bevond zich toen op een dieptepunt. De slechte financiële situatie waarin de stichting die het museum beheerde zich bevond verhinderde moderniseringen en reorganisaties, wat toen het publiek weghield maar voor de huidige museumbezoeker een geluk is. Toen in 1982 Teylers Museum een nationale status verwierf en van overheidswege financiële ondersteuning kreeg, was inmiddels het denken over (het bewaren van) musea en collecties veranderd en kreeg het museum erkenning als een uniek ‘gemusealiseerd museum’.

Maar vóór die tijd had Teylers Museum dus een periode van noodgedwongen stabiliteit gekend. Die periode was eigenlijk al begonnen in 1928, toen directeur –conservator Hendrik Lorentz overleed, of eigenlijk nog daarvóór, toen door de Eerste Wereldoorlog en het verlies van Russische aandelen door de Oktoberevolutie, Teylers’ geldmiddelen drastisch waren ingekrompen. Over de geschiedenis van het museum tot 1928 handelt het boek van Martin Weiss, een bewerking van zijn proefschrift uit 2013.

De groeiende belangstelling voor collectiegeschiedenis had al tot een aantal gedegen publicaties over Teylers Museum geleid, onder andere ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van de instelling (‘Teyler’ 1778-1978, 1978) en in 2006, toen het 250 jaar geleden was dat Pieter Teyler van der Hulst het testament ondertekende waaruit dit alles is voortgekomen (De idealen van Pieter Teyler. Een erfenis uit de verlichting, 2006). Daaruit was al bekend, dat Pieter Teyler totaal geen museum voor ogen heeft gehad als bestemming voor zijn vermogen – daar zou in 1756 ook nog niemand aan gedacht hebben – maar een studie- en collectiecentrum, in zijn eigen woonhuis, voor twee op te richten geleerde genootschappen die door een Stichting met vijf regenten of ‘Directeuren’ bestuurd werden. Weiss knoopt daar bij aan, en laat zien hoe stap voor stap dit concept verschoof.

Na de dood van Pieter Teyler in 1778 werden de genootschappen opgericht, één voor Godgeleerdheid en één voor Kunsten en Wetenschappen. Deze bestaan nog steeds. In het laatste, zogeheten Tweede Genootschap, had ook arts en natuurwetenschapper Martinus van Marum zitting als lid. Hij zou daar een dominante positie krijgen. Toen in 1784 achter het huis van Teyler de Ovale Zaal gereedkwam, oorspronkelijk bedoeld als ‘boekzaal’ voor de bibliotheekcollectie van de Stichting, was hij het die de Directeuren overtuigde om hiervoor ook een collectie fossielen en mineralen aan te kopen. Vervolgens kreeg hij voor elkaar dat er een verzameling werd aangelegd van natuurwetenschappelijke instrumenten, waarmee demonstraties voor een publiek gegeven konden worden (en waarmee hij zelf onderzoek kon doen!). In 1784 werd Van Marum benoemd als ‘Directeur’, belast met het toezicht op de wetenschappelijke collecties, naast een ‘kastelein’ als conservator van de collectie prenten en tekeningen.

Deze inhoudelijke en institutionele verschuivingen ziet Weiss weerspiegeld in de manier waarop de instelling in de archiefstukken werd aangeduid: eerst als musaeum, dat wil zeggen een plaats van samenkomst van beoefenaars van kunsten en wetenschappen, vervolgens als museum, wat meer zou verwijzen naar (ver)tonen van zaken voor een publiek. In de loop van de negentiende eeuw zou de betekenis van museum verder verschuiven naar die van ‘publieke instelling’ en voornamelijk verbonden worden met de Schone Kunsten. Dit proces, en de consequenties daarvan voor Teylers Museum, met name voor de positie van de instrumentencollectie, vormt een rode draad in het boek. Een tweede leidraad is de ontwikkeling van de natuurwetenschappen: van sociale bezigheid van bemiddelde liefhebbers naar wetenschappelijk, voor leken niet te volgen specialisme. De focus ligt op het wedervaren van de instrumentencollectie, met af en toe als bijzonder accent de ‘grote electriseermachine’, aangeschaft door Van Marum in 1784 en nog steeds beschouwd als een topstuk.

Weiss onderscheidt in de geschiedenis van het museum van 1778 tot 1928 drie hoofdperiodes, die gekarakteriseerd worden door het beleid van drie directeuren die tevens het beheer hadden over de collectie wetenschappelijke instrumenten: Martinus van Marum (1784-1837), Volkert Simon Maarten van der Willigen (1865-1878) en Hendrik Antoon Lorentz (1912-1928). Deze indeling werkt nogal verwarrend, omdat in de verschillende hoofdstukken ook uitvoerig aandacht wordt besteed aan de ‘tussenpausen’ of aan beheerders van andere collecties. Die waren vaak net zo goed interessant, bijvoorbeeld Tiberius Cornelis Winkler die Darwins On the Origin of Species in het Nederlands vertaalde. Van Marum was de grondlegger en verwoed gebruiker van de natuurkundige instrumentencollectie.

Desalniettemin was hij een diep religieus man die vond dat door wetenschappelijke experimenten meer inzicht verkregen kon worden in Gods schepping. Voorts vond hij dat wetenschapsbeoefening dienstbaar moest zijn aan het algemeen nut en de kwaliteit van het dagelijks leven moest kunnen bevorderen. Zijn religieuze overtuiging stond hem ook niet in de weg bij de vorming van de fossiele en geologische collectie, wat hij met evenveel energie gedaan schijnt te hebben als het natuurwetenschappelijk experimenteren. Deze kant van Van Marums verzamelactiviteit is overigens belicht in het proefschrift uit 2017 van Bert Sliggers (De verzamelwoede van Martinus van Marum (1750-1837) en de ouderdom van de aarde, digitaal te raadplegen).

Van der Willigen deed ook experimenteel onderzoek, maar net iets anders georiënteerd. Zijn belangstelling ging uit naar precisiemetingen, onder andere op het gebied van de optica en de astronomie. Hij deed zijn onderzoekingen ook niet, zoals Van Marum, in het museum met stukken uit de collectie, maar in een apart gebouwtje, het ‘observatorium’ dat hij in de tuin had laten oprichten. De regenten van Teylers Stichting wisten eigenlijk niet precies wat hij daar uitvoerde, en Weiss ziet dit als een teken van verdergaande professionalisering en specialisering van de natuurwetenschappen.

Veel van de instrumenten van Van Marum waren niet meer van nut voor de onderzoekingen van Van der Willigen; gelukkig had zijn voorganger Jacob Gijsbert Samuel van Breda (1839-1864) als beleid geformuleerd, dat ook ‘gedateerde’ instrumenten bewaard moesten blijven als relicten van de geschiedenis van de wetenschap. Dat was maar goed ook, want voor Hendrik Lorentz’ theoretisch onderzoek naar elektronen – waarvoor hij een speciaal laboratorium kreeg van de Teylers Stichting – hadden deze oude instrumenten totaal geen betekenis meer. Enkele ervan liet hij voor eigen doeleinden aanpassen, maar verder lijkt hij zich niet met die collectie bemoeid te hebben. Weiss gaat uitgebreid in op de motieven die deze Nobelprijswinnaar gehad kan hebben om een positie bij Teylers te aanvaarden. In elk geval toonde dit volgens hem aan dat de instelling nog steeds een zekere status had op onderzoeksgebied. Maar de instrumentencollectie was definitief een historische collectie geworden.

Haaks op dit toenemend isolement van de natuurwetenschappelijke collectie staat de groei van de kunstcollectie van Teylers Museum, die meer en meer een publiek van kunstliefhebbers en toeristen trok. In 1826-29, 1839 en 1893 werden er speciale zalen voor ingericht of bijgebouwd. Weiss relateert de museale omgang met dit groeiende nieuwe publiek aan theoretische noties van Tony Bennett (The Birth of the Museum: History, Theory, Politics, 1995) en Carol Duncan (Civilising Rituals: Inside Public Art Museums, 1995); zij gaan uit van de disciplinerende werking van (kunst)musea. De bezoeker wordt ingewijd in burgerlijke esthetische codes en daarmee in gewenst maatschappelijk gedrag. Vooral de rijke neobarokke ingangspartij en de statige vormgeving van de nieuwe museumvleugel uit 1885 worden hiermee in verband gebracht.

Wat betreft de natuurwetenschappelijke collecties kan Weiss toch niet veel anders noemen dan de inzet van ordebewakende suppoosten en het uitgeven van publieksgidsjes. Ook vernemen we weinig over het eigenlijke ‘showcasing’, de presentatie van objecten, waarschijnlijk omdat er behalve uit afbeeldingen weinig over bekend is. Uit dat beeldmateriaal zouden we kunnen afleiden dat er, met uitzondering van de schilderijenzalen, in principe weinig veranderingen plaats hebben gevonden sinds 1885. De nieuwe gemusealiseerde status van het museum brengt met zich mee, dat dat ook niet de bedoeling is en dat het verleden, in de vorm van behoud en restauratie (of reconstructie) vooralsnog de toekomst zal bepalen. Onderzoeken als deze naar de beweegredenen van negentiende-eeuwse museumconservatoren zijn daarbij een belangrijke steun.

Lieske Tibbe, onafhankelijk onderzoeker

Boekrecensie: Mannen van de microscoop. De laboratoriumbiologie op veldtocht in Nederland en Indië, 1840-1910

Robert-Jan Wille

Nijmegen: Vantilt, 2019. 352 p.
ISBN 978 94 6004 379 6
€29,95

Tegen het einde van de negentiende eeuw groeide de Nederlandse botanische tuin in Buitenzorg op Java uit tot een internationaal gerenommeerd onderzoeksinstituut op het gebied van tropische planten en daarmee ook tot een object van nationaal prestige. De drijvende kracht achter de grootschalige uitbreiding van het biologische laboratoriumonderzoek in toenmalig Nederlands-Indië was Melchior Treub, één van Robert-Jan Wille’s (1979) ‘mannen van de microscoop’. Alhoewel Treubs succesvolle microscopisch onderzoek naar tropische planten een belangrijke reden voor de groei van het instituut vormde, was het volgens Wille eerder het resultaat van zijn kwaliteit om nieuwe geldbronnen aan te boren bij zowel de staat als particuliere plantage-eigenaren.

Wat Buitenzorg in tegenstelling tot vergelijkbare onderzoeksstations in Den Helder en Napels dan ook ‘een koloniaal exploitatie-instituut’ maakte, was volgens Wille niet alleen dat het gericht was op het vergaren van ‘toepasbare kennis’ in de plantagelandbouw, maar ook dat het ‘fundament’ van het onderzoek gebaseerd was op de ‘traditionele’ kennis (p. 270, 275) en het arbeidsintensieve taxonomische werk van talloze lokale Indonesiërs.

Het grootste gedeelte van Wille’s boek gaat echter niet over dit microbiologisch onderzoek in dienst van het koloniale rijk in Nederlands-Indië, maar over de ‘wortels’ hiervan in de institutionele wetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland. Deze keuze is, ondanks de ietwat suggestieve ondertitel, begrijpelijk. Zoals Wille zelf aangeeft, zijn er immers in de afgelopen jaren al verschillende uitgebreide studies verschenen van onder anderen Suzanne Moons (2007) en Wim van der Schoor (2012) waarin de verhouding tussen Treubs biologische onderzoek en het Nederlandse koloniale systeem is behandeld. Waar Van der Schoor in zijn proefschrift over particuliere proefstations in Nederlands-Indië de geneticus Hugo de Vries (1848-1935) aanwees als een belangrijke motor achter de koloniale biologie, stelt Wille echter Pieter Harting (1812-1885) centraal.

Volgens Wille was het Harting – de ‘belangrijkste ambassadeur van Darwins evolutietheorie in Nederland’ – die zowel een ‘inspiratiebron’ vormde voor latere biologen als wel als aan de wieg stond van de institutionalisering van de (laboratorium)biologie in Nederland en daarmee de ‘staatsbiologie’ in Indië. In navolging van wetenschapshistoricus Bert Theunissen, die naast Hugo de Vries ook Harting uitgebreid behandelde, neemt Wille bovendien Hartings ‘studenten’; de eerdergenoemde Treub, maar ook embryoloog Ambrosius Hubrecht en Paulus Hoek, als leidraad. Anders dan eerdere studies stelt Wille’s echter expliciet de ‘academische carrièredrang’ van deze mannen centraal.

In praktijk betekent dit dat Wille in Mannen van de Microscoop een, bij regelmaat nogal chronologische, wetenschapshistorische uiteenzetting geeft van de carrière van deze vier biologen. Naast hun lobbyactiviteiten voor financiële steun van de staat, staan dan ook de institutionele facultaire veranderingen en met name wetenschappelijke netwerken zoals genootschappen, vakverenigingen, tijdschriften en congressen centraal. Het daadwerkelijke onderzoek dat ze uitvoerden met hun microscoop wordt door Wille echter – op enkele interessante passages over bijvoorbeeld Hubrechts onderzoek naar Nemertina (snoerwormen) na – voornamelijk gereduceerd tot ‘proefjes in het lab’ (p. 103) en de ‘abstracte taal van formules’ (p. 79). Waar het bijvoorbeeld duidelijk wordt waarom Hubrecht zich zo actief inzette voor een Nederlandse ‘tafel’ in het internationale onderzoeksstation in Napels, blijft het betrekkelijk vaag wat er precies op zo’n tafel in een 19e-eeuws laboratorium gebeurde.

Alhoewel de eerste hoofdstukken over Harting wel ingaan op hoe deze de evolutietheorie van Darwin ‘vooral inbedde in zijn eigen ideeën’ (p. 61) en maatschappelijke en politieke visie, blijft zijn onderzoek als bioloog onderbelicht. Met name de expedities die Harting – in navolging van Duitse marine biologen – naar de Noordzee (p. 58) maakte, hadden een uitgebreidere beschrijving verdiend, al was om de leesbaarheid van het boek te vergroten. De focus op institutionele ontwikkelingen maakt Mannen van de Microscoop überhaupt al nogal langdradig en saai, maar het totale gebrek aan sfeervolle en gedetailleerde beschrijvingen maakt het echter vrijwel onmogelijk voor de lezer om zich in het leven van de vier biologen te verplaatsen. Dit is jammer, zeker gezien het boek bedoeld is voor het grotere publiek.

Dit neemt echter niet weg dat Wille’s overkoepelende argument dat deze vier biologen ‘sluipwespen’ waren die de ‘overheidsinstituten van binnenuit voertuigen maakten van hun eigen ambities’, overtuigend is. Marinebioloog Paulus Hoek maakte bijvoorbeeld gebruik van zijn positie als adviseur op het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid om een onderzoekslaboratorium in Den Helder te op te zetten en Treub zette zijn positie als directeur van het koloniale landbouw departement op vergelijkbare manier in voor de vergroting van ‘zijn’ onderzoeksinstituut in de botanische tuinen van Buitenzorg.

Wille’s suggestie dat de claim die deze biologen legden op maatschappelijke en politieke relevantie als ‘primaire doel’ de ‘structurele investering in klasse van experts’ was, is dan ook vernieuwend. Deze biologen zagen hun bijdrage dus met name als een technocratische en hadden niet zozeer overduidelijke politieke of in het geval van Treub (enkel) imperialistische ambities. Tegelijkertijd maakt Wille, enigszins in navolging van Maartje Jansen die in haar proefschrift De Afschaffers al schreef over Hartings bijdrage aan de totstandkoming van de leerplicht, duidelijk dat deze biologen wel degelijk de politieke fundamenten legden voor een nationaal wetenschapsbeleid of het koloniale beleid.

Waar Mannen van de Microscoop echter op zijn sterkst is, is de constante aandacht voor transnationale connecties en wederzijdse beïnvloeding. Niet alleen laat Wille overtuigend zien dat 19e-eeuwse biologen via nieuwe netwerken ideeën uitwisselden, maar toont hij ook aan dat er in periode een werkelijk internationale gemeenschap van biologen ontstond. Een gemeenschap die op stations samen onderzoek deed en daarna gezamenlijk naar de opera ging, maar bijvoorbeeld ook samenwerkte bij opkomende problemen als overbevissing.

Een ander sterk punt is dat Wille laat zien dat de staat gevoelig was voor de buitenlandse voorbeelden van biologisch onderzoek die door de biologen werden aangehaald en wetenschappelijk onderzoek in toenemende mate als een zaak van ‘nationaal prestige’ zag. Zoals Laura Molenaar in haar recensie op Biografieportaal al schreef, is het echter waarschijnlijk dat het voor de gemiddelde lezer uiteindelijk ‘lastig’ is om deze ‘vele interessante punten met elkaar te verbinden’. Dit wordt niet alleen bemoeilijkt door het nogal moeizame taalgebruik, maar ook omdat er geen overduidelijk overkoepelend narratief of structuur is.

Alhoewel thema’s als de internationale samenwerking tegen overbevissing en daarbij komende conflicten tussen nationale en wetenschappelijke belangen tot wetenschappelijke carrièredrang, concurrentie en lobby voor onderzoeksgeld en in een enkele alinea zelfs de positie van vrouwelijke biologen worden aangehaald, blijft het met name een geschiedenis van de carrière van vier, afzonderlijke, mannelijke biologen. Dit neemt echter niet weg dat de lezer de vele interessante en relevante punten die Wille aanstipt zelf met elkaar kan verbinden – of misschien beter nog, kan verbinden aan kwesties in het heden.

Wessel de Cock, researchmasterstudent Geschiedenis, Universiteit Leiden