Oproep tot bijdragen: Planten in de vensterbank! De domesticatie van natuur, 1780-1940

Oproep tot bijdragen
Jaarcongres De Moderne Tijd, 2027
Locatie: Ateliergebouw Rijksmuseum, Hobbemastraat 22, Amsterdam

De natuur werd door de mens lange tijd als een bedreiging gezien. In negentiende eeuw bracht de toenemende kennis over de natuur echter een kentering teweeg; planten werden op grote schaal vast onderdeel van het huiselijk interieur. Mensen kweekten ze op balkons en terrassen, in serres en in tuinen. Daarmee probeerden ze de natuur naar hun hand te zetten: containers als terraria en rijkelijk versierde jardinières werden populair. Vanaf het midden van de eeuw groeide het aantal onbekende soorten dat via handel en botanische netwerken in Europa kwam exponentieel. De populariteit van tuinieren en de opkomst van volkstuinen speelde hierbij een belangrijke rol.

Er ontstond een ware plantengekte die resulteerde in een overvloed aan groen in de huizen van de stedelijke bourgeoisie. In het begin van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor inheemse soorten zoals varens, maar in de loop van de eeuw werden, door de veelvuldige contacten met Azië, orchideeën, palmbomen en camelia’s achtereenvolgens populair. Tegelijkertijd ontstond er door de verzorging van planten behoefte aan accessoires, variërend van plantenpotten en bloembollenvazen tot sokkels en plantenkasten. Rond 1800 zorgden onderzoek en wetenschap voor nieuwe inzichten in de natuur en de verzorging ervan. (Exotische) planten raakten populair en financieel bereikbaar voor een snelgroeiend publiek van natuurliefhebbers dankzij de toenemende welvaart in de loop van de negentiende eeuw.  Daarmee kan de kamerplant worden gezien als een embleem van het moderne leven. De behoefte om te verzorgen uitte zich ook in de ontwikkeling van nieuwe ruimtes aan het huis zoals de serre en de wintertuin. Deze glas-ijzerconstructies leenden zich bij uitstek voor intieme bijeenkomsten van familieleden en vrienden, maar werden in de literatuur vaak getuige van ongeoorloofde ontmoetingen tussen de palmen.

Hoewel Agnes Block en Josephine de Beauharnais al actief waren in de zeventiende en achttiende eeuw, bleef de botanie aanvankelijk vooral een mannenwereld. Het volgende tijdperk maakte echter de weg vrij voor vrouwen om experts te worden. Bovendien werden kamerplanten door de bourgeoisie gebruikt om de armen op te voeden. De verzorging van planten werd gezien als een leerzaam en gezond tijdverdrijf. Ondertussen waren (nuttige en voedzame) planten altijd al onderdeel van het huishouden in de lagere klassen.

Het jaarlijkse congres van De Moderne tijd onderzoekt welke rol de gecultiveerde natuur in het leven van mensen speelde in de lange negentiende eeuw en hoe planten de natuurlijke en vanzelfsprekende vensterbankversiering werden die ze vandaag de dag zijn in Nederland en België, inclusief de koloniën in oost en west in de periode 1780-1940. Hoe kregen planten vorm en betekenis in kunst, cultuur, literatuur, wetenschap en politiek?

 

Mogelijke subthema’s

  • (De representatie van) planten in kunst, literatuur, muziek, theater en film
  • Architectuurontwikkelingen in oranjerieën, kassen, serres en (winter)tuinen
  • Plantententoonstellingen
  • Handel, productie en consumptie van onbekende plantensoorten in en buiten Europa
  • Doe het zelf-handboeken en tijdschriften
  • Erotiek in de serre
  • Planten vanuit genderperspectief
  • De sociaal-maatschappelijke en educatieve betekenis van planten (bijv. Floraliaverenigingen)
  • Planten, nationaliteit en de kolonieën

Voorstellen over deze en andere binnen het congresthema passende onderwerpen zijn welkom. Belangstellenden roepen we op een voorstel van max. 300 woorden en een (beknopte) biografische beschrijving van uzelf in te dienen voor 25 september 2026. Zo snel mogelijk daarna wordt uitsluitsel gegeven over de selectie. Abstracts kunnen worden gezonden aan Gijs Altena (g.w.m.altena@rug.nl).

Dit congres wordt mede georganiseerd in het kader van de tentoonstelling Plantenkoorts. De natuur in huis 1800-1900 in het Rijksmuseum Amsterdam/ Musée d’Orsay najaar 2028-voorjaar 2029

SALON Conference 2026

Unreliable Lives: Rethinking the Artist’s Biography in the Nineteenth Century

How are artists’ biographies constructed, and how do these narratives shape or distort our understanding of their work?

This one-day international conference examines biography not as a stable source of meaning, but as a constructed and sometimes unreliable framework that shapes how artists are understood, judged, and received. Focusing on the long nineteenth century – a period that codified the modern image of the artist and entrenched powerful narratives of genius, identity, and reputation – the programme brings together scholars who probe the limits, uses, and distortions of artist biographies.

Across three thematic sessions, the conference addresses key fault lines in the use of biography. The first considers the challenges of absence and access: what happens when artists’ lives must be reconstructed from fragmentary archives, or when the available sources themselves raise ethical concerns? The second turns to canonical figures, asking how problematic aspects of artists’ lives – whether moral, psychological, or ideological – have shaped, and continue to reshape, their reception. The third examines how nineteenth-century models of artistic identity have been retrospectively imposed on earlier artists, transforming their biographies and, in turn, the interpretation of their work.

A keynote lecture by Julie Codell further interrogates the instability of biographical genres and their interpretive stakes. Together, the papers invite a critical reassessment of nineteenth-century models of artistic biography and their afterlives, asking how they continue to shape art history today.

The programme includes three sessions, a keynote lecture, and a visit to the exhibition Masterpieces from Le Havre: Renoir, Monet, Dufy, Matisse & others. Lunch and drinks are also included.

For the full programme, please see the SALON website.
Tickets: €40,00 (Regular) / €15,00 (Students) on the Singer Laren website.

Information

  • Date: Friday 12 June, 2026
  • Time: 09:30 – 18:00
  • Location: Singer Laren, Oude Drift 1, 1251 BS Laren NL
  • Language: English
  • Price: €40,00 / €15,00 (Students) – lunch, drinks and museum entrance are included.

Jaarcongres 2026: Feest! Jubilea en herdenkingen in de moderne tijd, 1780-1940

Jaarcongres De Moderne Tijd, vrijdag 20 maart 2026

Feest! Jubilea en herdenkingen in de moderne tijd, 1780-1940
Locatie: Amsterdam, P.C. Hoofthuis (Spuistraat 134), zaal 104

De werkgroep De Moderne Tijd bestaat in 2026 vijftig jaar. In 1976 werd de Werkgroep De Negentiende Eeuw opgericht en in 2017 breidde ze haar activiteiten uit tot het bredere tijdvak waar ook de late achttiende en vroege twintigste eeuw onder vallen.

Het vijftigjarig bestaan is reden voor een jubileumcongres met als thema Feest! Jubilea en herdenkingen, 1780-1940. Feesten, jubilea en herdenkingen vormen namelijk een rode draad in de Nederlandse en Belgische geschiedenis. In het revolutietijdvak waren feesten hét middel om politieke groepen te mobiliseren. Revolutionairen dansten rond de vrijheidsboom, Oranjegezinden ontwierpen hun eigen vrijheidssymboliek. In de lange negentiende eeuw werden jubilea onder meer aangegrepen om de trots van de natie te vieren. Denk aan de grootse Coster-herdenkingen in Haarlem in 1823 of de Brielsche feesten in 1872, waarbij de slag om Den Briel werd herdacht. In België werd vanaf 1890 de onafhankelijkheid gevierd op de dag dat koning Leopold I in 1831 zijn eed aflegde. Ook sterf- en geboortedata van schrijvers, onder wie Vondel, Rembrandt, Conscience en Tollens gaven aanleiding tot feesten.

Zulke feesten werkten even verbindend als polariserend. Ze werden gebruikt om de eigen groepsidentiteit te versterken en andere uit te sluiten. In dit jaarcongres van Werkgroep de Moderne Tijd van 2026 willen we de feestcultuur in de lage landen, inclusief de koloniën in oost en west, in al haar verschijningsvormen onderzoeken. Wat werd er gevierd, door wie, hoe en waarom?

Aanmelden kan tot 14 maart 2025 bij Gijs Altena (g.w.m.altena@rug.nl). Kosten: €25,-inclusief lunch, ter plekke contant te voldoen. Voor studenten en promovendi is er een gereduceerd tarief van €15,-.

10:00-10:15Inloop met koffie en thee
10:15-10:30Welkom door voorzitter Lotte Jensen (Radboud Universiteit)
Inleiding door Robert Verhoogt (Ministerie van OCW)
10:30-12:00Sessie I: Feestcultuur: in- en uitsluiting
 
Alexander van der Meer (Universiteit Leiden): Bidden, ordenen: dank- en biddagen in Batavia (ca. 1784-1840)
 
Philip Post (Universiteit Leiden): Onafhankelijkheid voor wie? Nederlandse feestcultuur in de koloniën en de kritiek van Soewardi Soerjaningrat, 1914
 
Arjan Nobel (Universiteit van Amsterdam/Vrije Universiteit): Feestdag én rouwdag. De honderdjarige herdenking van de Afscheiding in 1934
12:00-13:00Lunchpauze
13:00-14:30Sessie II: Verjaardagen en herdenkingen van publieke figuren

Sanne Steen (Erasmus Universiteit Rotterdam): Erasmus van bijrol tot hoofdrol. De trage toe-eigening van Erasmus in ± vijf herdenkingen
 
Rick Honings (Universiteit Leiden) en Lotte Jensen (Radboud Universiteit): Feest voor Tollens en Beets. Schrijversverjaardagen in de negentiende eeuw
 
Lieske Tibbe (onafhankelijk onderzoeker): Een anarchistisch jubileum en een Gedenkboek vol Kunst  
14:30-15:00Pauze
15:00-16:00Sessie III: Feestrepertoires: noodzaak en nostalgie

Joey Spijkers (onafhankelijk onderzoeker): Hoe ook Amsterdam een historische optocht kreeg. Feestcommissies en stedelijke netwerken, 1863-1874
 
Adriaan Duiveman (Radboud Universiteit): Heimwee naar de kermis. De noodzaak van volksvermaken volgens negentiende-eeuwse cultuurcritici
16:00-17:00Slotdebat: de volgende vijftig jaar van onze werkgroep
Panel met Marita Mathijsen (Universiteit van Amsterdam), Maartje Janse (Universiteit Leiden) en Gijs Altena (Rijksuniversiteit Groningen). Onder leiding van Jan Hein Furnée (Radboud Universiteit)
17:00-18:00Borrel

Peter van Zonneveld (1948-2025)

Tot ons verdriet hebben wij vernomen dat Peter van Zonneveld (1948-2025) op 20 november is overleden. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de oprichting van onze werkgroep in 1976, toen nog De Negentiende Eeuw geheten.

Rick Honings schreef een In Memoriam voor Neerlandistiek.nl, over Van Zonnevelds loopbaan (naast De Negentiende Eeuw richtte hij bijvoorbeeld nog een werkgroep op: de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde) en zijn eigen relatie met hem: https://neerlandistiek.nl/2025/11/in-memoriam-peter-van-zonneveld-1948-2025/.

Marita Mathijsen schreef een In Memoriam over Van Zonnevelds rol in de oprichting van de werkgroep en roemt zijn ‘eruditie, kwinkslagen, geheugen, markante anekdotes’: https://maritamathijsen.wordpress.com/2025/11/24/wat-we-danken-aan-peter-van-zonneveld-%E2%80%A0-20-november-2025/.

De storm die wij vooruitgang noemen. Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000

Arianne Baggerman
De storm die wij vooruitgang noemen. Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000

Amsterdam: Uitgeverij Panchaud, 2025, 591 p.
ISBN 978-90-831136-8-5
€34,90

Een boek dat de opkomst van ‘moderniteit’ in Nederland tussen 1750 en 2000 onderzoekt, dat moet in De Moderne Tijd bijna wel besproken worden. Arianne Baggerman, expert op het gebied van egodocumenten, onderzoekt in De storm die wij vooruitgang noemen (genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs 2025) hoe de mentale en maatschappelijke transformaties van de moderne periode zijn terug te lezen in Nederlandse dagboeken en memoires.

De storm die wij vooruitgang noemen. Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000 is een Nederlandstalige, toegankelijke bewerking van Baggermans eerdere academische publicaties, aangevuld met de resultaten van nieuw onderzoek. Zowel dat eerdere werk als dit nieuwe boek zijn sterk vervlochten met de grote inventarisaties van Nederlandse egodocumenten die rond 2000 werden uitgevoerd en waarin de auteur een belangrijke rol had.

Moderne tijd in drievoud

De ‘moderne tijd’ figureert in het boek op drie samenhangende manieren. Ten eerste is het de periode waaruit de egodocumenten stammen. Het boek bevestigt het bestaande beeld dat dit soort geschriften in Europa opkomt vanaf de late achttiende eeuw: ruim negentig procent van de teruggevonden Nederlandse egodocumenten dateert van na 1800. De veronderstelde individualisering die hieraan ten grondslag zou liggen, ziet Baggerman echter meer als gevolg hiervan dan als oorzaak. Aanvankelijk bevatten die egodocumenten namelijk amper introspectie of zelfreflectie en vooral veel feitelijke, droge informatie waarmee hun auteurs grip lijken te willen krijgen op de gebeurtenissen en veranderingen in hun levens. Mensen gaan in de negentiende eeuw bijvoorbeeld voorgedrukte invuldagboeken en agenda’s gebruiken, die met hun dwingende format duidelijk houvast lijken te geven. En deze drang tot houvast begon al in de kindertijd: zo komt de negentiende-eeuwse familie Von Baumhauer langs, waar vader dagelijks de dagboeken van zijn kinderen overschrijft en beoordeelt en waar strenge sancties volgden op ‘ongehoorzaamheid’.

Ten tweede is ‘de moderne tijd’ de historische ontwikkeling die zich in die periode voltrok, van politieke modernisering en industrialisatie. Egodocumenten beschrijven dat proces zoals hun auteurs dat ervaarden en betreuren bijvoorbeeld soms op nostalgische wijze het verlies van de ogenschijnlijk stabielere wereld daarvóór. Baggerman presenteert deze ervaring bijvoorbeeld als aanvulling op het werk van Auke van der Woud, dat de modernisering van Nederland vooral bekijkt vanuit het optimistische perspectief van spelers met een rotsvast vertrouwen in ‘vooruitgang’.

Ten derde, en het belangrijkst, is de ‘moderne tijd’ een nieuwe kijk op tijd en tijdsverloop, die mensen ontwikkelden in samenhang met bovenstaande trends. In de decennia rond 1800 zou een veranderend tijdsbesef opkomen waarin mensen tijd ervaarden als iets dat lineair verliep, in een steeds toenemende tempoversnelling. Daarmee raakten zij vervreemd van het fundamenteel als ‘anders’ ervaren verleden. Het boek refereert hier aan autoriteiten op het gebied van moderniteit als Reinhart Koselleck en Hartmut Rosa, met als nieuwe bijdrage dat het internationaal gezien unieke bronnencorpus van al die verzamelde Nederlandse egodocumenten – het boek haalt er zo’n 500 aan – het mogelijk maakt hun eerdere interpretaties te toetsen aan de praktijk. Baggermans analyse bevestigt deze grotendeels, maar vult ze ook aan en nuanceert ze: in de bestudeerde egodocumenten ontstaan nostalgische gevoelens bijvoorbeeld pas later dan eerder verondersteld en zijn ze vooral gericht op de kindertijd en pre-industriële wereld, in plaats van op de pre-revolutionaire wereld in politieke zin.

Onderwerpen en hoofdstukken

De diversiteit aan onderwerpen in het boek is groot, wat van de lezer enige flexibiliteit vraagt maar die daarvoor wordt beloond met kennis over hoe historische actoren aankeken tegen allerlei ontwikkelingen en gebeurtenissen. De eerste twee hoofdstukken zijn het meest gestructureerd en het sterkst ingebed in de bestaande literatuur, zoals hierboven beschreven. Het eerste behandelt de opkomst van dagboeken vanaf de late achttiende eeuw. Het tweede gaat in op herinneringen aan de radicale politieke veranderingen van de periode 1780-1815. Ideeën van een radicale breuklijn tussen de ‘oude’ en ‘nieuwe’ wereld ontbreken nog in egodocumenten uit deze periode en worden erna pas zichtbaar, als het stof is neergedaald en veel revolutionaire verwachtingen niet zijn uitgekomen.

Vanaf het derde hoofdstuk blijft het boek dichter op de bronnen en zet het vooral de vele veranderingen die de egodocumenten beschrijven, op een rij. Hoofdstuk 3 blijft nog erg concreet en kijkt vanuit de egodocumenten vooral naar de buitenwereld, waar het allerlei veranderingen behandelt in technologie, gebruiksvoorwerpen, cultuur, en leefomgeving. Auteurs reflecteren op zaken van ‘vroeger’ (semafoor, tondeldoos, stadspoort) en die er in hun tijd ‘nog niet’ waren (elektriciteit, ziekenfonds, schoolplicht). De volgende hoofdstukken hebben specifiekere, abstractere thema’s en kijken meer naar binnen, naar de belevingswereld en zelfrepresentatie in de egodocumenten. Hoofdstuk 4 bekijkt de opkomst van nostalgie en terugdenken aan de kindertijd, Hoofdstuk 5 herinneringen en het geheugen, en Hoofdstuk 6 onder andere veranderende onderwijspraktijken.

Ook dit laatste gedeelte bevat allerlei observaties van patronen en trends die relevant zijn om egodocumenten te begrijpen en bestuderen, bijvoorbeeld voor bronkritiek en methodologische reflectie. Het hanteren van een net zo duidelijke structuur en insteek als in de eerdere hoofdstukken had echter geholpen dit soort ‘lessen’ meer uit te lichten. De kracht van dit bronmateriaal is natuurlijk juist dat het bestaat uit subjectieve individuele herinneringen, maar in de vele anekdotes en mijmeringen in de latere hoofdstukken is het als lezer wat lastig om het overzicht te bewaren. In het algemeen had ook meer gebruik van cijfermatige analyses het makkelijker gemaakt bepaalde patronen te zien en te beoordelen, net als de vraag naar de representativiteit van de auteurs van de egodocumenten, die niet zo aan bod komt.

De storm die wij vooruitgang noemen gaat primair om de herinneringen aan, en beschrijvingen van, de stormachtige modernisering van de late achttiende tot en met de twintigste eeuw. De individuele perspectieven van de honderden memoires- en dagboekschrijvers blijven dus dominant. Dat kan het blikveld beperken. Maar het leidt tegelijk tot een bijzondere geschiedenis over hoe denken, ervaren, en herinneren zijn veranderd met de komst van de ‘moderne tijd’ in meerdere betekenissen van het woord.

Met dank aan Babs Boter voor het meelezen en de suggesties.

Miel Groten, docent Economische en Sociale Geschiedenis, Universiteit Leiden

Kinderen in de achttiende eeuw: dromen, beelden en sporen

Kinderen in de achttiende eeuw: dromen, beelden en sporen

Congres Werkgroep Achttiende Eeuw
Vrijdag 24 oktober 2025. Penninckshuis, Deventer

Voor de beroemde achttiende-eeuwse schrijfster Elisabeth Wolff vormde de grote aandacht voor kinderen hét verschil tussen haar eeuw en de eeuwen daarvoor. Maar voor historici die zich bezighouden met deze periode, zijn die kinderen soms maar moeilijk te vangen, omdat ze zelf weinig sporen hebben nagelaten, en niet altijd een zichtbare positie innamen in het openbare leven. Dankzij onderzoek (naar onder meer egodocumenten, kinderboeken, schilderijen en archieven) zijn in de afgelopen decennia de verschillende rollen van kinderen beter in beeld gekomen, en weten we bijvoorbeeld dat kinderen een cruciale schakel waren in de opbouw van een democratische staat, en van grote waarde waren voor het koloniale handelsimperium. Het onderzoek is veelal verricht binnen specifieke subdisciplines, zoals de sociaal-economische geschiedenis of de letterkunde. Tijdens het congres van de Werkgroep Achttiende Eeuw komen die lijnen van onderzoek met elkaar in contact, om te zien hoe zij elkaar in een interdisciplinair contact aanvullen en bevragen. De opstap naar het congres vormt de publicatie van het Jaarboek Achttiende Eeuw over achttiende-eeuwse kinderen (najaar 2025), onder redactie van Feike Dietz en Ramona Negrón. In dit themanummer wordt verkend hoe we een beter of ander begrip te krijgen van het ‘kind’, zowel als een historische categorie (de wandel en waarde van kinderen) als een conceptuele categorie (hoe werkte de factor age als een factor van privilege en onderdrukking, in interactie met bijvoorbeeld gender of race)?

10.00-10.30 Inloop en welkom

10:30-11:00 Introductielezing door Feike Dietz & Ramona Negrón
‘Kinderen in de achttiende eeuw: Dromen, beelden en sporen’

11:00-12:00 Panel 1: ‘Papieren jeugd: kinderen als literaire consumenten en personages’
Wendela de Raat, ‘“Is Pauline niet net het zelfde als de poes?” Het kind en de bezielde soortenrijkdom van De Perponchers Onderwijs voor kinderen (1782)’
Hendrik Holzmüller, ‘De Duitse receptie van de briefromans van Betje Wolff en Aagje Deken in de context van het debat over de opvoeding van meisjes’

12:00-13:00 Lunch

12:30-13:00 Ledenvergadering Werkgroep Achttiende Eeuw

13:00-14:30 Panel 2: ‘Jeugdige sporen in archieven: ongehoorde stemmen en klinkende stiltes’
Jessica den Oudsten, ‘Opgroeien in de stad. De jeugd van kinderen met een migratieachtergrond in achttiende-eeuws Amsterdam’
Camilla de Koning, ‘“No Obey”. Jeugd, zelfbeschikking en de huwelijksmarkt in koloniaal Virginia’
Alexander van der Meer, ‘“Uit Europeesch bloed afkomstig”: etniciteit, religie en controle in het achttiende-eeuwse weeshuis van Batavia’

14:30-15:00 Theepauze

15:00-16:00 Round table: ‘Kansen voor kind- en leeftijdsbenaderingen in het historische onderzoek’: pitches & gesprek
Met: Ariadne Schmidt, Tessa de Boer, Alan Moss, Josephina de Fouw (onder voorbehoud), Antonia Weiss (onder voorbehoud)

16:00 Bezoek Speelgoedmuseum

De kosten voor deelname aan het congres bedragen 15 euro voor leden van de werkgroep, 30 euro voor niet-leden, 35 euro voor nieuwe leden, 20 euro voor studenten en 15 euro voor leden van sponsoren. Aanmelden kan hier.

9/10/2025 Jacob van Lenneplezing

Vijftiende Jacob van Lennep-lezing

De stem van de negentiende eeuw: erfenis en naklank van politieke redenaars en debatcultuur

Donderdag 9 oktober 2025, 20:00

Spui25, Spui 25-27, Amsterdam
Aanmelden kan via Spui25

​Een paar weken voordat Nederland de Tweede Kamer opnieuw verkiest, spreekt Henk te Velde over politieke redenaars in de Nederlandse negentiende eeuw. In deze vijftiende Jacob van Lenneplezing zal hij laten zien hoe debatcultuur, regels voor discussie en welsprekendheid sinds 1800 bepalend zijn geweest voor de Haagse politiek en het moderne Nederland. 

​Te Velde is auteur van het recent verschenen Land van redenaars en debat. Daarin toont hij opnieuw, zoals in zijn eerdere werk, het grote belang aan van cultuur en taal voor het publieke debat, voor het politieke handelen en uiteindelijk ook voor de vorming van het moderne Nederland.  

​In deze lezing duikt Te Velde de negentiende eeuw in, op zoek naar vertegenwoordigers en vormen van een tot nog toe weinig bekende Nederlandse traditie van welsprekendheid. Die traditie was in die eeuw bepalend, toen de moderne representatieve democratie zich nog moest bewijzen. Ze bood politici de mogelijkheid om met hun speeches en in debatten effect te bereiken via emoties, maar toch als redelijk en zakelijk naar voren te treden. Zijn studie van de retorische regels uit die traditie doen Te Velde dan ook besluiten: ‘Behalve een land van rustige bestuurders is Nederland ook een land van redenaars, debat en moreel pathos geweest’. Dit soort inzicht in de politieke werking van taal is ook in onze eigen gepolariseerde tijd onmisbaar. 

Over de sprekers​ 

Henk te Velde is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden en heeft voornamelijk geschreven over politieke stijl, leiderschap en welsprekendheid in de negentiende eeuw. 

​​Lotte Jensen is neerlandicus en filosoof. Ze werkt als hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Haar onderzoek richt zich op rampen en identiteitsvorming. Recent publiceerde ze Napoleons nalatenschap. Sporen in de Nederlandse samenleving, Wij en het water. Een Nederlandse geschiedenis en Rampen. Een nieuwe geschiedenis van Nederland. 

Jan Rock is historicus en universitair docent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceert en doceert voornamelijk over cultuurnationalisme in de Lage Landen in de negentiende eeuw.

In memoriam: Boudien de Vries

Tot ons verdriet hebben we vernomen dat onze collega Boudien de Vries (1951-2025) is overleden. Ze spande zich in voor de studie van de negentiende eeuw in Nederland en was jarenlang bestuurslid en redacteur van De Negentiende Eeuw. Ze publiceerde onder meer Een stad vol lezers. Leescultuur in Haarlem 1850-1920, dat in 2013 werd bekroond werd de Prof. Van Winterprijs. Ze heeft generaties studenten, promovendi en collega’s laten delen in haar veelzijdige kennis. We zijn haar zeer dankbaar voor alles wat ze voor onze werkgroep heeft betekend en zullen haar missen.

Oproep tot bijdragen: Feest! Jubilea en herdenkingen in de moderne tijd, 1780-1940

Oproep tot bijdragen
Jaarcongres De Moderne Tijd, 2026
Feest! Jubilea en herdenkingen in de moderne tijd, 1780-1940

De werkgroep De Moderne Tijd bestaat in 2026 vijftig jaar. In 1976 werd de Werkgroep De Negentiende Eeuw opgericht en in 2017 breidde ze haar activiteiten uit tot het bredere tijdvak waar ook de late achttiende en vroege twintigste eeuw onder vallen.

Het vijftigjarig bestaan is reden voor een jubileumcongres met als thema ‘Feest! Jubilea en herdenkingen, 1780-1940’. Feesten, jubilea en herdenkingen vormen namelijk een rode draad in de Nederlandse en Belgische geschiedenis. In het revolutietijdvak waren feesten hét middel om politieke groepen te mobiliseren. Revolutionairen dansten rond de vrijheidsboom, Oranjegezinden ontwierpen hun eigen vrijheidssymboliek. In de lange negentiende eeuw werden jubilea onder meer aangegrepen om de trots van de natie te vieren. Denk aan de grootse Coster-herdenkingen in Haarlem in 1823 of de Brielsche feesten in 1872, waarbij de slag om Den Briel werd herdacht. In België werd vanaf 1890 de onafhankelijkheid gevierd op de dag dat koning Leopold I in 1831 zijn eed aflegde. Ook sterf- en geboortedata van schrijvers en kunstenaars, onder wie Vondel, Rembrandt, Conscience en Tollens gaven aanleiding tot feesten.

Zulke feesten werkten even verbindend als polariserend. Ze werden gebruikt om de eigen groepsidentiteit te versterken en andere uit te sluiten. In dit jaarcongres van Werkgroep de Moderne Tijd van 2026 willen we de feestcultuur in de lage landen, inclusief de koloniën in oost en west, in al haar verschijningsvormen onderzoeken. Wat werd er gevierd, door wie, hoe en waarom?

Mogelijke subthema’s

  • Vergeten en herinneren: wat werd er niet gevierd?
  • De verbeelding van feesten in literatuur, muziek, optochten, schilderkunst, beeldende kunst
  • Politieke feesten
  • Vredesfeesten, oorlogsherdenkingen
  • Volksfeesten in de stad en op het platteland, reguliere feestdagen
  • Feest in de familiekring
  • Feest en consumptiecultuur: feestkledij, voedsel en drank
  • Grensoverstijgende, internationale feesten

Papervoorstellen over deze en andere binnen het congresthema passende onderwerpen zijn welkom. Belangstellenden roepen we op een voorstel van max. 300 woorden en een (beknopte) biografische beschrijving van uzelf in te dienen voor 1 oktober 2025. Zo snel mogelijk daarna wordt uitsluitsel gegeven over de selectie. Abstracts kunnen worden gezonden aan Lotte Jensen (lotte.jensen@ru.nl)

Call for papers ‘Made in Class’

Call for papers ‘Made in Class. Literary Education in Nineteenth- and Twentieth- Century Europe’

Conferentie, 3-5 december 2025
Literary and Cultural Studies Research Unit, Arts Faculty, KU Leuven
MDRN Research Lab, KU Leuven

Many of our ideas about literature – what counts as a literary text, how it should be read – are produced in classrooms. In The Teaching Archive (2021), Rachel Sagner Buurma and Laura Heffernan claim that “If it were possible to assemble the true, impossible teaching archive […] it would constitute a much larger and more interesting record than the famous monographs and seminal articles that usually represent the history of literary study.” Both in the field of literary studies as in in the larger public perception this is an uncommon point of view.

Nonetheless, when general school education gradually became a reality in nineteenth- and early twentieth- century Europe, there was a remarkable consensus across linguistic, national and social contexts on the central role of the vernacular languages and literatures in the curriculum. Literature was not only important for the advancement of basic literacy skills, it also fostered cultural and national socialization. Literary texts and writers fulfilled different didactic functions as part of the Bildung and socialization of the young citizen (Mathieson 1975, Hunter 1988, Johannes 2007, Lahire 2008). The school likewise became a central literary institution, “[overseeing] the transmission of the literary heritage and regulating the population’s access to the cultural capital with which that literary heritage was freighted” (Lynch 2015).

Yet while literary education at school was key to the production of the modern national citizen, modern(ist) literature fashioned itself increasingly as the aesthetic medium of the crisis of the modern subject and its flawless integration into society. This other perception of the relation between school and literary culture, which stresses antipathy, or even mutual exclusion, is a dominant narrative in literary discourse and still resonates today: “Far from harmonious, the relationship between the formational protocols of the novel and schooling remains perennially vexed” (Chalk 2024).

The aim of the conference “Made in Class. Literary Education in Nineteenth- and Twentieth- Century Europe” is to entangle and chart the complex, various and indeed often contradictory interactions between school education and modern literature in Europe in the nineteenth and twentieth century. How did literary education contribute to the making of modern literature (and vice versa)? We invite researchers from different disciplines such as literary history, literary criticism, cultural history, history and sociology of education to share their knowledge on the intertwining of the world of education and the world of literature, by tracing and analyzing the role of literature at school and/or the importance of school for the production, circulation and consumption of literature in its many forms and functions.
We are particularly interested in contributions that address one of the following questions:

  • How was literature and literary reading taught or brought into practice in different (semi-) institutionalized educational contexts in Europe during the nineteenth and twentieth centuries?
  • What uses and functions were attributed to literary texts in different educational contexts ? How did literary texts circulate, how were they selected, adapted, interpreted, and used in schools and other institutions concerned with the education of the modern citizen, both young and old?
  • What role did literary education play in the production, distribution and reception of emerging literary practices and thought? How and to what extent did literary education impact the ways in which literature was read and produced outside school? And how did changing conceptions of literature outside school impact literary education?
  • How did literary fiction represent, reflect upon and react to literary education in and outside school? How and to what extent did formats of school education intertwine with literary texts? How and to what extent did literary texts propose alternative pedagogies?
  • How did old and new ideas on and practices of literary education circulate in a transnational European context, where local, regional, national and transnational contexts touch upon each other? How does literary education in Europe relate to a broader international context in a historical timeframe strongly marked by nationalism and colonialism?

Practical information

The conference “Made in Class” is organized at Leuven University in Belgium, as part of the research program “Learning Modern Literature: Literary Education in Western Europe (1880-1940)”, which is funded by the KU Leuven Special Research Fund. The research group is associated with the MDRN research lab (https://www.mdrn.be/). The aim of the project “Learning Modern Literature” is to chart the complex interactions between the world of school and the world of literature in Western Europe in the modernist period, against the backdrop of different linguistic, socio-cultural and political contexts, with a focus on transnational relations and exchanges (https://www.arts.kuleuven.be/literatuurwetenschap/english/lml).

The conference takes place at the Arts Faculty of KU Leuven (live), Blijde-Inkomststraat 21, 3000 Leuven, from 3 until 5 December 2025. Please send an abstract of 300-500 words for a 20 minute presentation, with a short bibliography and up-to-date cv, to literaryeducation@kuleuven.be by 20 August 2025. We will inform you on the decision by 1 September. Conference languages are English and French.

Organizers
Dorian Barbieur, Bart Van Den Bossche, Eva Gijsen, Anke Gilleir, David Martens, Martin Michel Giulia Scialanga, Pieter Verstraeten

Selective bibliography
Buurma, Rachel Sagner & Laura Heffernan. The Teaching Archive: a New History for Literary Study. Chicago: The University of Chicago Press, 2021.
Chalk, Bridget T. Novel Schooling: Education, Formation, and Reading in Fiction. Cham: Springer Nature Switzerland, 2024.
Howarth, Peter. ‘Introduction: Modernism and/as Pedagogy’, Modernist cultures 14, 3 (2019), 261-290.
Hunter, Ian. Culture and Government: the Emergence of Literary Education. London: Macmillan Press, 1988.
Johannes, G-J. Dit moet u niet onverschillig wezen!: de vaderlandse literatuur in het Noord-Nederlands voortgezet onderwijs 1800-1900. Nijmegen: Vantilt, 2007.
Knights, Ben. Pedagogic Criticism: Reconfiguring University English Studies. London: Palgrave Macmillan UK, 2017.
Lahire, Bernard. La raison scolaire: école et pratiques d’écriture, entre savoir et pouvoir. Rennes: Presses universitaires de Rennes, coll. Paideia, 2008.
Lynch, Deidre Shauna. Loving Literature: A Cultural History. Chicago: The University of Chicago Press, 2015.
Massol, Jean-François. De l’Institution scolaire de la littérature française (1870-1925). Grenoble: ELLUG, 2004.
Mathieson, Margaret. The Preachers of Culture: a Study of English and Its Teachers. London: Allen and Unwin, 1975.
Michael Kämper-Van den boogaart, ‘Schulische Kanonizität als symbolisches Kapital. Anmerkungen zum Spannungsverhältnis zwischen literarischem und pädagogischem Feld’, Studien und Texte zur Sozialgeschichte der Literatur: Bourdieu in der literaturwissenschaftlichen Praxis, edited by Markus Joch & Norbert Christian Wolf, Tübingen: Niemeyer, 2005, 323-333.