Vacature UGent: ‘Dutch Political Songs’

De vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent heeft voor 48 maanden een voltijdse betrekking vacant voor een promovendus. De aanwerving vindt plaats in het kader van een vierjarig onderzoeksproject op het terrein van de historische letterkunde en muziekwetenschap, gefinancierd door het Bijzonder Onderzoekfonds (BOF) van de Universiteit Gent, met als titel: ‘Singing Communities: Dutch Political Songs and the Performance of National Identity (1775-1825)’.

De promovendus zal binnen dit project onderzoek doen naar de gemeenschapsvormende werking van het politieke lied in de Noordelijke Nederlanden omstreeks 1800. Het politieke lied werd in die periode een belangrijke functie toegedicht in het versterken van een nationale identiteit. Singing Communities onderzoekt die identiteit aan de hand van Nederlandse liederen uit de periode 1775-1825. Het richt zich met name op de mogelijke spanningen tussen het gewenste gemeenschapsvormende effect van de liederen op de zangers en de harde politieke realiteit van verdeeldheid en crisis. De volledige projectomschrijving is op te vragen bij Kornee van der Haven (Cornelis.vanderHaven@UGent.be).

Het bronnenmateriaal bestaat uit de liederen zelf, maar ook uit achtergrondmateriaal dat inzicht biedt in hoe het corpus gefunctioneerd heeft in een sociale context van bijvoorbeeld het gemeenschappelijk zingen van de liederen. Behalve de teksten van de liederen zal ook hun muziek bestudeerd worden. De promovendus moet daarom in staat zijn om een lied zowel tekstueel als muzikaal diepgaand te analyseren. Een achtergrond in de muziekwetenschap en/of de (Nederlandse) literatuurwetenschap is daarbij gewenst. Bij een muzikale achtergrond is een affiniteit met tekstanalyse een belangrijke voorwaarde, en omgekeerd vragen wij van een letterkundige kandidaat voldoende ervaring met en interesse voor de werking van muziek. De begeleiding van het project zal uitgevoerd worden door een promotor met een literatuurwetenschappelijke achtergrond (Kornee van der Haven, Universiteit Gent) en een promotor op het terrein van de muziekwetenschap (Isabella van Elferen, Kingston University London).

De kandidaturen, met motivatiebrief, een voorstel voor een ‘plan van aanpak’ en een Curriculum Vitae, dienen ten laatste op 15 mei ingediend te worden. Voor meer informatie, zie de vacaturepagina van de Universiteit Gent.

Jan Frederik Helmers. Prent Willem van Senus naar schilderij van Jacob Smies. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1906-1086.

Jan Frederik Helmers 250 jaar!

Op 7 maart aanstaande zal in de Derde Helmersstraat het paneel van Jan Frederik Helmers worden onthuld.

Op dinsdag 7 maart 2017 is het 250 jaar geleden dat de Amsterdamse dichter Jan Frederik Helmers werd geboren. Drie Helmersstraten telt Amsterdam maar liefst en daarmee is hij de enige Nederlandse dichter die deze eer is gegund. Hij stond bekend als verzetsdichter, die het regime van Napoleon Bonaparte bekritiseerde.

De zichtbaarheid van Helmers, naast talloze andere personen, is nog verder toegenomen dankzij het door fotograaf Paul Fennis geïnitieerde project Geef Straten een Gezicht, waarbij panelen met het portret van de personen naar wie de straten zijn vernoemd aan de gevels komen te hangen. Inmiddels hangen er méér dan honderd van deze panelen in de stad.

De onthulling zal worden bijgewoond door de historisch letterkundige Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen) en de neerlandicus Rinus van Hattum, die voor deze gelegenheid een bloemlezing uit Helmers’ werk samenstelden.

Meer informatie is te vinden op: www.facebook.com/geefstrateneengezicht en www.zaakhaes.nl.

De Negentiende Eeuw 2016, nr. 3

De Negentiende Eeuw 40 (2016) 3: ‘Na 160 jaar. Nieuwe perspectieven op Hendrik Tollens’

Jan OosterholtTollens en de toneelspelen van Pigault-Lebrun 153-168

Abstract (EN)
Tollens and the plays by Pigault-Lebrun.At the start of his literary career Dutch author Hendrik Tollens was very much involved in drama. This article discusses Tollens’ translations of two plays written by the French author Pigault-Lebrun: Le cordonnier de Damas and Claudine de Florian. The texts belong to a genre which Dutch critics around 1800 disdainfully typified as a ‘middelding’ (‘in-between-thing’), a mixture of tragedy and comedy. As a translator Tollens did not take great liberties with Pigault’s texts: he probably didn’t find it necessary to adapt them to a Dutch audience, because he experienced the enlightened moral of these French plays as cosmopolitan.
Lotte JensenDichter des vaderlands? De transnationale Tollens 169-201

Abstract (EN)
A truly national poet? Tollens from a transnational perspective.Hendrik Tollens (1780-1856) is usually considered one of the most nationalistic poets in Dutch literary history. He is mainly remembered for being the author of anti-French resistance poetry, patriotic poetry on historical topics of the Dutch past, and the national anthem. This article reconsiders his image as a truly national poet by discussing his work from a transnational perspective. An astonishing 46% of his oeuvre consisted of translations. What’s more, his original work was also deeply influenced by the writings of German, English and French poets. Tollens adapted some of their works to such an extent that they were perceived as typically Dutch. This process of cultural assimilation, which becomes visible by situating Tollens’s work in the wider European context, is the key to understanding the persistence of his image as a truly national poet.
Marita Mathijsen‘’k Wil langer huislijk heil noch kindsch gekozel spelen’. Hendrik Tollens als historiedichter 202-214

Abstract (EN)
‘Homely pleasures, childish babbling – no longer do I want to play them’. Hendrik Tollens as a history poet.Hendrik Tollens is known as the poet of everyday life. Even so, a large portion of his poetry deals with historical themes, thus fitting in with the ‘history addiction’ predominant in the arts of the early nineteenth century. In contrast with other, younger writers, who find historical fiction just as important for knowledge of the past as history writing proper, Tollens does not claim to do historical research. In his poetry he uses the past in two ways, as Arcadian scenery and as a kind of mobiliser. In the second variety he uses the past to call the present to action like, for instance, resistance against the French occupier or reconciliation between political or religious opponents. Poems like this may be characterised as ‘dual-timed’ – a characteristic they do share with the poetry of a younger generation.
Rick HoningsBescheidenheid en Bilderdijkiaans bewustzijn. De paradox van Hendrik Tollens’ self-fashioning 215-233

Abstract (EN)
Modesty and Bilderdijkian awareness. The paradox of Hendrik Tollens’ selffashioning.Hendrik Tollens was the most famous poet of the early nineteenth century. Making use of the theory of self-fashioning this article demonstrates how Tollens constructed his literary image. This is a new approach, because Tollens was – contrary to more eccentric poets – never analysed in this respect. There is a strange paradox about Tollens’ self-fashioning. On the one hand he propagated modesty, on the other hand he embraced the idea of the furor poeticus, which he adopted from his idol Willem Bilderdijk. In this article, the curious tension between selffashioning and literary fandom is examined.
Ruud PoortierTollens, thuis en onderweg. Hendrik Tollens en de materiële herinneringscultuur 234-247

Abstract (EN)
Tollens at home and on the road. Hendrik Tollens and the material aspects of memory culture.Tollens’ work as a poet has largely vanished from collective memory since his death in 1856 and has been subject to endless and partly subjective abuse. This article addresses the material mementos involving Hendrik Tollens and focuses on three elements: the statues (Rotterdam, Rijswijk), public collections, and namegiving, including those of streets. In all of these cases the conclusion is that the material memories need to be conserved, made accessible and be provided with explanations so they will function as such for future generations.
‘Jacob van Lennep’"> De Negentiende Eeuw 2014 3 Jacob van Lennep

De Negentiende Eeuw 38 (2014) 3: ‘Jacob van Lennep’

Jan Rock en Janneke WeijermarsJacob van Lennep. Een oog op Verlichting, historiezucht en Romantiek 129-132

Abstract (EN)
Jacob van Lennep. Giving an eye to Enlightenment, historicism and Romanticism.Rather than aiming at an elegy or a biography of Jacob van Lennep (1802- 1868), the popular nineteenth-century Dutch poet and novelist, this special issue of De Negentiende Eeuw takes Van Lennep’s life and work only as viewpoints on nineteenth-century Dutch culture and society as a whole. It consists of the texts of five Jacob van Lennep Lectures, held in Amsterdam since 2009. Generally speaking, the articles discuss three themes: the role of a literary author in public debate and society, the applicability of the concept of ‘Romanticism’ to the Netherlands, and some intellectual forms of historicism from the Netherlands and Europe.
Marita MathijsenHet uitwendige schrijverschap. Jacob van Lennep als publieke figuur 133-143

Abstract (EN)
An extraneous literary authorship. Jacob van Lennep as a public figure.Opinions keep diverging over whether or not literary authors ought to engage themselves socio-politically. Nineteenth century authors at any rate regarded themselves as charged in the first place with the task of bringing about social change. Even so they might also take the position of a romantic at the sidelines of society. Jacob van Lennep embodies both aspects of literary authorhood. He exploits his position as a highly reputed novelist and essayist to persuade society of his vision and to bring about real improvement. With implacable energy he takes initiatives, some of which are profitable even today. But he is at the same time a free, romantic individual who defines his own norms, as appa rent in the dual morality that marks his everyday life.
Joep LeerssenVan Lennep als romanticus 144-155

Abstract (EN)
Van Lennep as a romantic.Did Romanticism exist in Holland, and if so, was Jacob van Lennep a romantic? Both possibilities have long been denied by literary critics and literary historians, who accentuated either the Movement of 1880 or an isolated, protestant and bourgeois culture in the Netherlands. When Byronic or Promethean narrowings of the concept of Romanticism are replaced, however, by a more intellectual definition, Van Lennep appears as a prominent representative of the European romantic generation. The influence of Walter Scott on his historical novels becomes unmistakable and his interdisciplinary commitment to vernacular culture and the national past can be paired with European romantic historicism and the public cultivation of culture.
Peter RaedtsDe liberale Middeleeuwen 156-184

Abstract (EN)
The liberal Middle Ages.Not only conservative, but also liberal historians constructed continuities between the European Middle Ages and the modern era. While the former stressed the medieval sense of community, fidelity and faith, the latter pointed at the progress made in commerce, freedom and citizenship during these centuries. Some of the most prominent eighteenth- and nineteenth-century historians are discussed here, from Robertson in Scotland to Heine and Luden in Germany. Particular attention is given to French historians interpreting the Revolution as a part of their country’s history and to the still common idea that England developed organically from medieval to modern times, both in politics and religion.
Wessel KrulHet raadsel van de Nederlandse Romantiek 185-202

Abstract (EN)
The riddle of Dutch Romanticism.In the Netherlands, the use of Romanticism as a general designation for the first half of the nineteenth century presents a specific problem. The Dutch Romantics had explicit ideas about international Romanticism, and they rejected it in unambiguous terms. The painter Cornelis Kruseman (1797-1857) and the poet David Jacob van Lennep (1774-1853) are taken as examples of this ‘riddle of Dutch Romanticism’. Like all Romanticisms, Dutch Romanticism wanted to be a national movement. But as soon as it tried to be national, it had to deny most of the elements that characterized it as Romanticism.
Jo TollebeekEen gedwongen plooi. Geschiedenis schrijven in het Verenigd Koninkrijk van Willem I 203-223

Abstract (EN)
Bending and bowing. Writing history in the United Kingdom of the Netherlands.In 1826 king Willem I incited by Royal Decree all men of letters in the United Kingdom of the Netherlands to propose a new history of his realm and its components. Among the 44 competitors were famous men, like Groen van Prinsterer, Moke and De Reiffenberg. Some of them met the king’s wishes for a historically rooted national unity, but the majority let concerns of history prevail. They disagreed nonetheless, over conflicts and discord found in the past, but also over the form a new national history should take. Some outlined traditional, rhetorical and didactical histories, others formulated Enlightened aims of usefulness, only a few proposed Romantic stories reviving the past in all its colours. Eventually, the competition had no winner. Unanimity existed only on the importance of archival documentation, making plans for the publication of historical sources, submitted by Thorbecke and Gachard, the most renowned in later times.

De Negentiende Eeuw 26 (2002) 3-4: ‘De wereld van Klikspaan’

De Negentiende Eeuw 24 (2000) 3-4: ‘Lezen in rangen en standen. Negentiende-eeuwse bibliotheken opnieuw bezocht’

De Negentiende Eeuw 20 (1996) 1: ‘De wereld van het boek in de negentiende eeuw’

De Negentiende Eeuw 18 (1994) 1: ‘François HaverSchmidt en zijn tijd’

De Negentiende Eeuw 14 (1990) 2-3: ‘Negentiende-eeuwse leescultuur’


J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt, ‘Negentiende-eeuwse leescultuur’, 113-119.


Johanna Muis-van der Leun, ‘Debet- en creditzijde van een cultureel tijdschrift. Het uitgavebeheer van de Vaderlandsche Letteroefeningen’, 120-132.


Ank van Alten, ‘Het Utrechtse boekbedrijf rond 1800’, 133-146.


Arend Smilde, ‘Lezers bij Luchtmans’, 147-158.


Anja Smit, ‘Letter en lezer. De gotische letter in negentiende-eeuwse volkslectuur’, 159-170.


Han Brouwer, ‘Over omwegen, bestedingspatronen en perspectivistische bronnen’, 171-180.


Dick Jansen, ‘Uitgerekend op intekening. De kwantitatieve ontwikkeling van het leesgezelschap in Nederland, 1781-1850’, 181-188.


B.P.M. Dongelmans, ‘Over intekenaren, kopers en lezers: een zoektocht naar het Leesgezelschap te Nieuwenhuis’, 189-203.


Ad van der Neut, ‘Zeventig jaar lenen. De Utrechtse Nutsbibliotheek 1847-1917’, 204-216.


[Jan Jaap Heij] ‘Het “Musée Imaginaire” van de negentiende eeuw III’
John Sillevis, ‘J.Ph. Koelman, Portret van Johannes van Rossum, Rome 1852’, 217-219.


J.W. Oerlemans, ‘Een Musée Imaginaire?’, 220-222.

De Negentiende Eeuw 5 (1981) 2: ‘De Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen’


A.W. Willemsen, ‘De Nederlandse Congressen en hun politieke achtergrond’, 60-71.


Hans Heestermans, ‘Het WNT en de Taal- en Letterkundige Congressen’, 72-85.


C. Tindemans, ‘“Tooneel” (drama en theater) op de Congressen’, 86-97.


K. de Clerck, ‘De Congressen en het onderwijs’, 98-103.


Ludo Simons, ‘De Congressen 1849-1869 en de belangen des boekhandels’, 104-114.


Lieske Tibbe, ‘Les XX en de Nederlandse schilderkunst (1883-1893)’, 115-147.